Terug in hotel Manandang ging ik onmiddellijk mandiën, er was een echte mandibak, die ik prefereer boven een douche. De eerste gayungs water die je
over je heen gooit zijn vaak erg koud, in Waikabubak was het water erg fris. Ik haal altijd even diep adem tel tot drie en gooi dan snel wat water over me heen, is dat eenmaal gebeurd dan komt na de schrikreactie de sensatie van het opfrissen na een dag van zweten, de vermoeidheid spoelt weg in het putje in de vloer. Al snel voel je de koude van het water niet meer, sterker je kan niet stoppen met het gooien van water. Na afloop ben je geheel verfrist, trekt een stel verse kleren aan en gaat als een herboren mens de avond in.
Ik ging op het rotan zitje voor mijn kamer zitten af te wachten tot de beide mannen gebaad hadden, die moesten in de file bij de badkamer voor iedereen staan. Johnny zat al te wachten en vertelde mij over zijn avonturen in Timor-timur. Weldra kwam Fidel ook terug van de kamar mandi, hij vertelde dat hij een emmer warm water had gevraagd want het water was erg koud hier. We gingen op weg om ergens te gaan eten en kwamen terecht bij restaurant Julie, dat een Chinese eigenaresse had. We bestudeerden het menu dat, alweer, van een sjacharijnig dienstertje ongeïnteresseerd op tafel werd gelegd, het leek wel de gewoonte van het personeel hier om met een zure blik de clientèle te bedienen. Het zou misschien ook veroorzaakt kunnen worden door schandalig lage salarissen, want in het algemeen waren de mensen toch wel vrolijk hier. Ik besteld een mie goreng, ik twijfelde even of ik een bier zou nemen, maar dan moesten Fidel en Johnny ook, die hadden het woord bier al een paar keer in de mond genomen. Op het menu prijkte koud bier met een prijskaartje van 25.000 Rp, gewoon bier 23.000 Rp, zo waren er meer verschillen tussen de gekoelde en ongekoelde drankjes, ongetwijfeld een slimme Chinese zet die niet te ontwijken viel want voor es batu (ijs) moest ook betaald worden. Ik bestelde een es teh manis bij mijn maaltijd. De heren namen cap cay met rijst. We spraken over lokale drank, ik had het daar al eerder over gehad, over sopi, sagoweer, tuak, arak en wilde weten of er op Sumba ook iets in die geest te verkrijgen was. Dat was er zeker, zei Johnny en hij noemde een naam die ik alweer vergeten ben. Ik stelde voor om daar iets van te gaan proberen. Straks na de maaltijd zei Johnny, hij wist wel een plek waar dit verkrijgbaar was.
Ik vroeg aan Fidel of ik nog een sandelhoutboom te zien kreeg, ik had dat hem al eerder gevraagd. Daar zou hij voor zorgen zei hij. Ik was benieuwd hoe zo een boom eruit zag, de bloesem schijnt een sterke geur te verspreiden. Sumba werd het sandelhouteiland genoemd, maar van de sandelbomen is weinig meer te bespeuren, het meeste hout is verkocht of gewoon verdwenen. Van oudsher kwam het sandelhout voor op de eilanden Timor, Alor, Sumba, Oost-Flores, Solor en Lembata. Het is sinds eeuwen een belangrijk en gezocht export product geweest. Tegenwoordig is het sandelhout schaars geworden, volgens Fidel kwam er nog wel wat Sandelhout voor op Sumba, het meeste echter vind men tegenwoordig op Timor, maar wat er resteert is niet veel meer. In 1986 gaf de provincie NTT (Nusa Tenggara Timor) een maatregel uit waarbij 80% van de opbrengst van de verkoop van sandelhout in de kas van het plaatselijke gouvernement zou vloeien, de eigenaar van het hout mocht 20% houden. Dit was natuurlijk een maatregel die niet gepikt werd en viel de verkoop van het sandelhout stil, geen enkele eigenaar had er zin in om 80% van zijn opbrengst aan het locale gouvernement te schenken. Er ontstond een levendige zwarte handel in sandelhout en het gouvernement kreeg bijna niets van de opbrengst binnen. De controle van het boswezen op het vervoer van sandelhout was zeer streng, overtredingen werden met fikse gevangenisstraffen beloond. De smokkelaars waren echter zeer inventief, een gebruikte er zelfs een ambulance met een grote doodskist daarin om het sandelhout te vervoeren, tot het boswezen verdenkingen ging koesteren vanwege de vele mensen die het tijdelijke met het eeuwige verwisselden. Ook werd pas gekapt sandelhout in de grond begraven, dit hout blijft, mede door het droge klimaat in NTT, jarenlang goed onder de grond.
Omdat er door de overheidsmaatregel bijna geen geld meer via het sandelhout bij de regering binnenkwam vanwege de ongebreidelde smokkelhandel en ook vanwege de veelvuldige protesten van het volk besloot het gouvernement van NTT in 1996 de handel in sandelhout vrij te geven, op voorwaarde dat de bezitters van sandelhout dit aan de regering verkochten. Het boswezen zou 1500 Rp per kg. voor het hout gaan betalen. Echter de zwarthandelaren betaalden in die jaren 15 – 30.000 Rp per kg. De nieuwe maatregel had tot gevolg dat jong en oud het bos in trok om sandelhout te zoeken en vooral te kappen. Iedere avond reden er tientallen vrachtwagens af en aan vanuit de bossen naar de haven om het hout te transporteren. Een grote ondernemer uit Jakarta stuurde zelfs een helikopter om het hout op te halen. Binnen twee jaar was het sandelhout “op”, zo gaat dat in Indonesië. Het sandelhout is niet alleen op, de boom is zeer zeldzaam geworden en wordt met uitsterven bedreigd. Sandelhout groeit uit zich zelf in deze gebieden. Er zijn momenteel experimenten om deze boom te kweken met hoopgevend resultaat, het kost echter nog vele jaren eer er weer sandelhout geoogst kan worden. Inmiddels is de Universitas Gajah Mada te Yogya met een actie begonnen die “Cendana Untuk Biaya Pendidikan” heet. Sandelhout om de universiteit te betalen. In een desa in het gebied van de Gunung Kidul, zijn boeren in samenwerking met studenten aan de UGM begonnen met het planten van sandelhoutbomen, de vooruitzichten zijn hoopgevend. Een boom van 20 jaar oud met een dikte van 30 centimeter levert 80 miljoen Rp op. Ook de zaden van de sandelhoutboom zijn erg duur, die worden op Java voor 10.000 Rp per stuk verkocht. Het ziet er naar uit dat sandelhout in de toekomst niet meer uit NTT zal komen, zoals eeuwen het geval was maar als “Made in Yogyakarta”. In Timor probeert men de eerste gekweekte jonge sandelbomen te verkopen voor 2500 Rp per stuk, maar het volk heeft er geen trek in vanwege alle moeilijkheden in het verleden. Jarenlang maakte de politie en het leger jacht op mensen die sandelhout bezaten, vele overtreders van de regels hebben lange gevangenisstraffen uitgezeten, nu hebben ze geen zin meer.
De mie goreng smaakte niet slecht ondanks de sjacharijnige bediening en de TV die aan stond met de volumeknop naar uiterst rechts. In het eethuis liep een grote hond rond waar Fidel nogal angst voor had. Een hond hoort niet thuis in een eethuis, of het moet in de pot zijn. Ik rekende af en gingen we terug naar het hotel. Over drank werd geen woord meer gerept en liet ik het daarbij. Terug op mijn kamer kon ik de slaap moeilijk vatten. Ik ben mijn foto’s van die dag vele malen gaan bekijken, jammer dat er geen borrel voor handen was, dat is een uitstekend slaapmiddel. Toch moeten mijn ogen op een gegeven moment zijn dichtgevallen, als je niet kan slapen is de truc om je hersens te vergeten, dan lukt het wel. De volgende ochtend stond ik ondanks slaaptekort vroeg op. Nadat ik voor mijn kamer was gaan zitten en uitkeek op de binnentuin van het hotel kwam het ontbijt al snel, zonder dat ik er om had gevraagd. Het was niet bepaald het soort ontbijt waar ik in Indonesië op zit te wachten. Er zat in ieder geval goede koffie bij, lokale koffie. Het ontbijt werd vriendelijk opgediend, dat maakt het begin van de dag dragelijk. Het brood was niet slecht, een soort grof witbrood door een plaatselijke bakker vervaardigd en ook kwam het ei met peper en zout. Na dit ontbijtje kon ik de nieuwe dag voorlopig weer aan.
Sumba: Waikabubak (XIII)
over je heen gooit zijn vaak erg koud, in Waikabubak was het water erg fris. Ik haal altijd even diep adem tel tot drie en gooi dan snel wat water over me heen, is dat eenmaal gebeurd dan komt na de schrikreactie de sensatie van het opfrissen na een dag van zweten, de vermoeidheid spoelt weg in het putje in de vloer. Al snel voel je de koude van het water niet meer, sterker je kan niet stoppen met het gooien van water. Na afloop ben je geheel verfrist, trekt een stel verse kleren aan en gaat als een herboren mens de avond in.
Ik ging op het rotan zitje voor mijn kamer zitten af te wachten tot de beide mannen gebaad hadden, die moesten in de file bij de badkamer voor iedereen staan. Johnny zat al te wachten en vertelde mij over zijn avonturen in Timor-timur. Weldra kwam Fidel ook terug van de kamar mandi, hij vertelde dat hij een emmer warm water had gevraagd want het water was erg koud hier. We gingen op weg om ergens te gaan eten en kwamen terecht bij restaurant Julie, dat een Chinese eigenaresse had. We bestudeerden het menu dat, alweer, van een sjacharijnig dienstertje ongeïnteresseerd op tafel werd gelegd, het leek wel de gewoonte van het personeel hier om met een zure blik de clientèle te bedienen. Het zou misschien ook veroorzaakt kunnen worden door schandalig lage salarissen, want in het algemeen waren de mensen toch wel vrolijk hier. Ik besteld een mie goreng, ik twijfelde even of ik een bier zou nemen, maar dan moesten Fidel en Johnny ook, die hadden het woord bier al een paar keer in de mond genomen. Op het menu prijkte koud bier met een prijskaartje van 25.000 Rp, gewoon bier 23.000 Rp, zo waren er meer verschillen tussen de gekoelde en ongekoelde drankjes, ongetwijfeld een slimme Chinese zet die niet te ontwijken viel want voor es batu (ijs) moest ook betaald worden. Ik bestelde een es teh manis bij mijn maaltijd. De heren namen cap cay met rijst. We spraken over lokale drank, ik had het daar al eerder over gehad, over sopi, sagoweer, tuak, arak en wilde weten of er op Sumba ook iets in die geest te verkrijgen was. Dat was er zeker, zei Johnny en hij noemde een naam die ik alweer vergeten ben. Ik stelde voor om daar iets van te gaan proberen. Straks na de maaltijd zei Johnny, hij wist wel een plek waar dit verkrijgbaar was.
Ik vroeg aan Fidel of ik nog een sandelhoutboom te zien kreeg, ik had dat hem al eerder gevraagd. Daar zou hij voor zorgen zei hij. Ik was benieuwd hoe zo een boom eruit zag, de bloesem schijnt een sterke geur te verspreiden. Sumba werd het sandelhouteiland genoemd, maar van de sandelbomen is weinig meer te bespeuren, het meeste hout is verkocht of gewoon verdwenen. Van oudsher kwam het sandelhout voor op de eilanden Timor, Alor, Sumba, Oost-Flores, Solor en Lembata. Het is sinds eeuwen een belangrijk en gezocht export product geweest. Tegenwoordig is het sandelhout schaars geworden, volgens Fidel kwam er nog wel wat Sandelhout voor op Sumba, het meeste echter vind men tegenwoordig op Timor, maar wat er resteert is niet veel meer. In 1986 gaf de provincie NTT (Nusa Tenggara Timor) een maatregel uit waarbij 80% van de opbrengst van de verkoop van sandelhout in de kas van het plaatselijke gouvernement zou vloeien, de eigenaar van het hout mocht 20% houden. Dit was natuurlijk een maatregel die niet gepikt werd en viel de verkoop van het sandelhout stil, geen enkele eigenaar had er zin in om 80% van zijn opbrengst aan het locale gouvernement te schenken. Er ontstond een levendige zwarte handel in sandelhout en het gouvernement kreeg bijna niets van de opbrengst binnen. De controle van het boswezen op het vervoer van sandelhout was zeer streng, overtredingen werden met fikse gevangenisstraffen beloond. De smokkelaars waren echter zeer inventief, een gebruikte er zelfs een ambulance met een grote doodskist daarin om het sandelhout te vervoeren, tot het boswezen verdenkingen ging koesteren vanwege de vele mensen die het tijdelijke met het eeuwige verwisselden. Ook werd pas gekapt sandelhout in de grond begraven, dit hout blijft, mede door het droge klimaat in NTT, jarenlang goed onder de grond.
Omdat er door de overheidsmaatregel bijna geen geld meer via het sandelhout bij de regering binnenkwam vanwege de ongebreidelde smokkelhandel en ook vanwege de veelvuldige protesten van het volk besloot het gouvernement van NTT in 1996 de handel in sandelhout vrij te geven, op voorwaarde dat de bezitters van sandelhout dit aan de regering verkochten. Het boswezen zou 1500 Rp per kg. voor het hout gaan betalen. Echter de zwarthandelaren betaalden in die jaren 15 – 30.000 Rp per kg. De nieuwe maatregel had tot gevolg dat jong en oud het bos in trok om sandelhout te zoeken en vooral te kappen. Iedere avond reden er tientallen vrachtwagens af en aan vanuit de bossen naar de haven om het hout te transporteren. Een grote ondernemer uit Jakarta stuurde zelfs een helikopter om het hout op te halen. Binnen twee jaar was het sandelhout “op”, zo gaat dat in Indonesië. Het sandelhout is niet alleen op, de boom is zeer zeldzaam geworden en wordt met uitsterven bedreigd. Sandelhout groeit uit zich zelf in deze gebieden. Er zijn momenteel experimenten om deze boom te kweken met hoopgevend resultaat, het kost echter nog vele jaren eer er weer sandelhout geoogst kan worden. Inmiddels is de Universitas Gajah Mada te Yogya met een actie begonnen die “Cendana Untuk Biaya Pendidikan” heet. Sandelhout om de universiteit te betalen. In een desa in het gebied van de Gunung Kidul, zijn boeren in samenwerking met studenten aan de UGM begonnen met het planten van sandelhoutbomen, de vooruitzichten zijn hoopgevend. Een boom van 20 jaar oud met een dikte van 30 centimeter levert 80 miljoen Rp op. Ook de zaden van de sandelhoutboom zijn erg duur, die worden op Java voor 10.000 Rp per stuk verkocht. Het ziet er naar uit dat sandelhout in de toekomst niet meer uit NTT zal komen, zoals eeuwen het geval was maar als “Made in Yogyakarta”. In Timor probeert men de eerste gekweekte jonge sandelbomen te verkopen voor 2500 Rp per stuk, maar het volk heeft er geen trek in vanwege alle moeilijkheden in het verleden. Jarenlang maakte de politie en het leger jacht op mensen die sandelhout bezaten, vele overtreders van de regels hebben lange gevangenisstraffen uitgezeten, nu hebben ze geen zin meer.
De mie goreng smaakte niet slecht ondanks de sjacharijnige bediening en de TV die aan stond met de volumeknop naar uiterst rechts. In het eethuis liep een grote hond rond waar Fidel nogal angst voor had. Een hond hoort niet thuis in een eethuis, of het moet in de pot zijn. Ik rekende af en gingen we terug naar het hotel. Over drank werd geen woord meer gerept en liet ik het daarbij. Terug op mijn kamer kon ik de slaap moeilijk vatten. Ik ben mijn foto’s van die dag vele malen gaan bekijken, jammer dat er geen borrel voor handen was, dat is een uitstekend slaapmiddel. Toch moeten mijn ogen op een gegeven moment zijn dichtgevallen, als je niet kan slapen is de truc om je hersens te vergeten, dan lukt het wel. De volgende ochtend stond ik ondanks slaaptekort vroeg op. Nadat ik voor mijn kamer was gaan zitten en uitkeek op de binnentuin van het hotel kwam het ontbijt al snel, zonder dat ik er om had gevraagd. Het was niet bepaald het soort ontbijt waar ik in Indonesië op zit te wachten. Er zat in ieder geval goede koffie bij, lokale koffie. Het ontbijt werd vriendelijk opgediend, dat maakt het begin van de dag dragelijk. Het brood was niet slecht, een soort grof witbrood door een plaatselijke bakker vervaardigd en ook kwam het ei met peper en zout. Na dit ontbijtje kon ik de nieuwe dag voorlopig weer aan.
Wordt vervolgd >>>
Het ontbijt
De binnentuin van het hotel Manandang
De voorzijde van het hotel in vroeg ochtendlicht.
- Sumba, op de bonnefooi (I)
- Sumba, op de bonnefooi (II)
- Sumba Timur, Waingapu - Melolo (III)
- Sumba Timur, Kaliuda (IV)
- Sumba Timur, Rende (V)
- Sumba Timur - Pau (VI)
- Sumba Timur - Pau & Umabara (VII)
- Sumba Timur - Pantai Walakiri (VIII)
- Sumba: Waingapu – Waikabubak (IX)
- Sumba: Waingapu – Waikabubak (X)
- Sumba: Waikabubak – Prajing (XI)
- Sumba: Waikabubak – Tarung (XII)
- Sumba: Waikabubak (XIII)