We reden weer naar Garut terug, we moesten voorbij Garut want ik wilde de Candi Cangkuang bezoeken. Ik was daar weliswaar twee maal eerder geweest, ik
maakte tenslotte een afscheidstournee en Candi Cangkuang vond ik altijd een schitterende plek, temeer dat het het enige Hindoe bouwwerk in West Java is. Er zijn nog twee locaties Batujaya en Cibuaya bij Karawang maar die liggen voor een groot gedeelte onder de grond, geld om ze op te graven ister niet.
We reden langs Hampor, het gedeelte van Garut waar ik ooit had gewoond, ik kon het niet nalaten om mij even langs mijn oude woonplek te laten rijden, een claustrofobische perumahan. Er was zeer veel veranderd, veel bijgebouwd en verbouwd, ik maakte vlug dat ik wegkwam en was blij al zolang weg te zijn. Toen ik daar kwam wonen stonden er allemaal kleine huisjes speciaal voor ambtenaren. Er stond een groot huis, dat was eigendom van een van de hogere ambtenaren die veel te zeggen had gehad in de ontwikkeling van het project en had er een huis op een dubbele kavel grond aan overgehouden. dat had ik van hem gehuurd, het stond helemaal vrij en was nog nooit bewoond geweest. Het uitzicht was schitterend, links de hellingen van de Gunung Guntur, voor keek ik in de gele krater van de Papandayan, weliswaar op grote afstand, en achter het huis zag ik de perfecte conus van de Cikuray. Garut is de hoofdstad van een landbouwgebied, in het algemeen arme eenvoudige mensen, er is nauwelijks industrie de elite werd in die plaats door de ambtenaren gevormd, ze deden alsof ze alles te vertellen hadden. Boven dat alles heerste de Islam met strakke hand. Toch voelde ik me senang in Garut, vooral vanwege de schitterende omgeving en het zalige klimaat, omdat Garut op 900 meter hoogste ligt heeft het een heel ander klimaat dan veel plaatsen in het laagland, niet zo tropisch met koele tot koude nachten. In de maanden juni en juli heb ik daar wel kou geleden, ik sliep met sokken aan want als je uit bed op de stenen vloer stapte dan bevroren je voeten aan de plavuizen vast. Ik heb zelfs met het plan rondgelopen om een open haard te laten bouwen. Met de meeste ambtenaren in de buurt had ik wel contact maar dat verliep erg stug, de mensen in Garut zijn nogal eenkennig en moeten niet veel van een buitenlander hebben, daarbij komt nog dat ik geen moslim ben. Dat laatste is bijna een verplichting in het Sundanese. Met de huisbaas had ik een goed contact, hij had een tijdje in het buitenland gestudeerd en was ook op andere plekken in Indonesië gestationeerd geweest, dat maakte hem ruimer denkend. Ook zijn lieve en charmante vrouw was ambtenaar, deze combinatie kwam veel voor in Garut, alle ambtenaren leken ook allemaal familie van elkaar.
Op een avond kwam Pak RW in gezelschap van een buurman langs om even te praten, dat kon, ga maar zitten. Het bleek dat ik in al de tijd, bijna twee jaar, dat ik daar woonde nog nooit voor allerlei kosten had betaald. Ik zei dat mij daar nooit om was gevraagd, hoe kon ik weten dat er dan kosten waren. Vuilnis werd niet opgehaald, dat verbrande ik achter het huis, de ronda gaf ik koffie als ik nog op was en soms wat geld, hoewel dat laatste werd gebedeld. Doch als er betaald moest worden dan had ik daar geen bezwaar tegen, ook niet voor al de tijd dat ik daar reeds woonde. Als hij nou even uitrekende hoeveel het bedrag was zou ik voor betaling zorg voor dragen. Pak RW begon te rekenen, het was een klein mannetje dat zich nogal autoritair gedroeg, men had mij wel eens verteld dat hij de zoon van een vroegere lurah was en daarom voelde dat hij iets was. Pak RW vertelde dat er elke avond ronda was, dat is een nachtwacht die over het wel en wee van de slapende burgers waakt. Om van hun aanwezigheid blijk te geven sloegen ze in het voorbij komen drie maal met een steen op een ijzeren lantarenpaal ten teken dat het aman (veilig) was. Dat zou mij 50.000 Rp per maand gaan kosten. Dan was er nog een sociaal fonds, voor mensen in nood of als er iemand te overlijden kwam, om de begrafenis te verzorgen en zo, daarvoor zou ik elke maand 200.000 Rp moeten afdragen. De buurman zat steeds toe te kijken en zei op alles "ya, ya". Ik maakte vlug een rekensom, 250.000 Rp per maand zou voor 20 maanden 5 miljoen rupiah betekenen. In die dagen kreeg je nog ruim1300 Rp voor een gulden, dus dat werd bijna 4000 gulden, een ongehoord bedrag. De huishuur bedroeg 2,5 miljoen rupiah voor twee jaar. Ik voelde dat ik hier vreselijk getild dreigde te gaan worden. Ik vertelde aan Pak RW dat ik 50.000 per maand voor iemand die drie keer met een steen op en paal sloeg erg duur vond. Ook begreep ik niet dat er voor ambtenaren een sociaal fonds bestond omdat deze toch allen door de overheid verzekerd waren. De niet ambtenaren in de perumahan waren mensen met geld, die van buiten kwamen en een huis duur hadden gehuurd, die werkten bij de elektracentrales Kamojang en Darajat. Pak RW werd kwaad op mij en verhief zijn stem, hij stond bekend als een driftig mannetje. Hij nam het mij zeer kwalijk dat ik aan zijn woorden twijfelde, dat hij, die voor de belangen van de mensen in de kampong zo beledigd door een bule werd. Ik vertelde hem dat men een bule niet van alles zomaar wijsmaken kon en als hij wilde dat ik een financiële bijdrage leverde dat wel een reële moest zijn en niet zo een opgeblazen bedrag. Hij werd nu echt kwaad en begon op mij te schelden, de buurman maakte dat hij weg kwam, ik zag het tafereel aan. Hij eiste betaling, zoniet dan zou hij zorgen dat ik niet meer hier kon wonen. Ik zei zoiets van "Je doet maar, zolang je niet reëel ben betaal ik niet" Hij sloeg ineens keihard op de tafel, op de glazen plaat die daarop lag, die hevig kraakte en rammelde. Ik zei dat hij geluk had gehad dat de plaat niet gebroken was, want dat zou hem meer gekost hebben dan het bedrag dat hij van mij eiste. Ik ging verder, gooide alle remmen los, dat deed Pak RW toch ook en hield hem voor dat hij als dienaar van de overheid met de Pancasila bekend moest zijn. had hij wel eens van Sila nummer twee gehoord? "Kemanusiaan yang Adil dan Beradab" (Rechtvaardig en beschaafde menselijkheid). Ik haalde een boekje tevoorschijn waarin de Pancasila werd uitgelegd, maar ik had geen tijd om het te openen, Pak RW stond met een zeer rood aangelopen hoofd op en slingerde woorden in het Sundanees naar het hoofd, waar ik nauwelijks iets van begreep maar mooi waren ze zeker niet. Hij liep de deur uit.
Het viel me in de dagen die het incident volgden op dat de buren schichtig naar me keken, zelfs het hoofd omdraaiden of zich snel uit de voeten maakte. Ik hoorde dat Pak RW de bewoners van de perumahan verboden had zich met mij te bemoeien of met mij te spreken. Ik vertelde aan hen die wel "stiekem" met mij spraken dat ik dit wel lekker vond, ik hoefde niet meer altijd dezelfde vragen te beantwoorden zoals "Waar kom je vandaan?", "Waar ga je naar toe?" of "Wat heb je gekocht?" De maatregel had weinig effect op mijn doen en laten, de middenstanders bleven ook gewoon de zaken die ik nodig had verkopen en woonden de meeste mensen die ik vertrouwde buiten de wijk, want Indonesische ambtenaren.... Op een zondag liep ik naar de grote weg en zag ik op de toegangsweg naar de wijk Pak RW met een 15-tal huisvaders werken aan de berm, de huisvaders waren met patjols de rand van de weg aan het opknappen. Aan hun gezichten was te zien dat de arbeid hun zwaar viel, Pak RW stond er in een camouflagepak met een gevechtspet op het hoofd op afstand naar te kijken, ik barste in lachen uit en zei dat ik het net een film met romusha en hun hei-ho vond en liep daarna door. Pak RW liep weer eens rood aan. Niet lang daarna moest ik naar Nederland, toen ik na 2 maanden terugkwam liep het contract van mijn huis bijna af. Ook was het met het werk dat ik deed slecht gesteld, de koers van de Rupiah was in een vrije val geraakt, het was eind 1997. De productiekosten voor handicraft liepen de spuigaten uit, dure verf en andere materialen, de rotanmarkt in Nederland was door het overvoeren van de markt volledig ingestort, de rotan tuinstoelen stonden zelfs te koop bij benzinepompstations. Ik overwoog naar Nederland terug te gaan. De huisbaas wilde het huurcontract niet meer verlengen, Pak RW en zijn hulpjes hadden uitgemaakt dat mijn buurman, die een huis naast mij huurde bij de centrale Kamojang werkte en zijn gezin uit Palembang had laten overkomen, te klein woonde en beter in het huis waar ik verbleef kon gaan zitten. Ik begreep dat er zich achter mijn rug zich van alles afspeelde en dat ik een beslissing moest nemen, dat was terug naar Nederland, maar ik kreeg ook steeds meer Rupiah voor mijn gulden, daarvan kocht ik munten bij Eko in Solo, ik spoorde hem aan om zoveel mogelijk munten voor mij te pakken zien te krijgen. Dat deed hij, ik kocht al twee jaar van hem, tegen lage prijzen, ik verzamelde maar omdat ik zoveel munten had verkocht ik al een tijd aan allerlei verzamelaars over de gehele wereld. Toen Eko voorstelde om samen te gaan werken, heb ik ja gezegd, hij kwam met zoveel goed materiaal aan en verkocht dat aan mij tegen zulke lage prijzen dat daar best op te verdienen viel. Ik sprak met hem af dat we zouden gaan samenwerken, ik zou naar Solo verhuizen om het een en ander in betere banen te gaan leiden. Hij moest wel beloven alles wat hij vond aan mij te verkopen, ik zou alles kopen. Door de stijgende koers van buitenlandse valuta durfde ik dit risico wel aan, want binnenlands werden de prijzen niet verhoogd. Ik probeerde zoveel mogelijk om te zetten, het mooiste materiaal behield ik, twee keuze ging naar bevriende verzamelaars en de rest naar de handel. Ik zat meer in Solo dan in Garut. In Solo huurde ik daarom een mooi huis in een stille perumahan 5 kilometer buiten de stad. Aan Garut kwam langzamerhand een einde, men werd ineens erg nieuwsgierig naar wat ik in de nabije toekomst ging doen. Ik vertelde dat ik terug naar Nederland zou gaan, ik doeg materiaal aan voor hun isu. Het huis in Garut stond vol meubilair, veel rotan dat ik bij leveranciers als monster had gekregen of als afkir goedkoop had aangeschaft. In veel van dat spul zaten borende insecten. Vaak lagen onder de meubels hoopjes zaagsel dat de beesten er uit hadden gewerkt als ze bezig waren de boel uit te hollen. Het mooiste gedeelte van het meubilair gaf ik aan Han, mijn jarenlange zakenpartner. In 1997 waren er onlusten in Tasikmalaya geweest, waarbij zijn huis met inboedel en al in de fik gestoken was. Hij was bezig de boel weer op te bouwen. Het huis was afgebrand door ex-personeelsleden die waren ontslagen, wegens diefstal en van de onlusten gebruik maakten om wraak te nemen. In de kampung had zich het gerucht verspreid dat ik al mijn meubilair en inhoud van het huis weg zou gaan geven. Ik dikte dit aan dat ik dat inderdaad op een bepaalde datum zou gaan doen, op een zondag als iedereen vrij zou zijn. Die dag zette ik de spullen waar ik geen interesse in hadb uiten. Aan het einde van het straatje waar het huis dat ik bewoonde stond zag ik af en toe blikken geworpen worden, ook werd er stiekem langs gelopen. Ik deed alsof ik het erg druk had en zei af en toe "Nanti, nanti" Op een gegeven moment heb ik een jerrycan petrolie gepakt, dat over het spul gegooid en er een vuurtje bij gehouden. Men beweerde dat ik gek was geworden, "Gelo eui". Ik beschouwde het vuur als bevrijdend. Die middag kwamen er twee trucks die ik had ingehuurd, de spullen die ik nodig had werden daar ingeladen en tegen Magrib was ik op weg naar Solo om een nieuw leven te beginnen, zoals ik al zo vaak eerder had gedaan, het werd routine. Dag Garut..."Kom we gaan" zei ik tegen de chauffeur en we gingen op weg naar de alun-alun van Leles waarachter Candi Cangkuang verscholen ging.
De oerlelijke Mesjid Jami op de alun-alun van Garut
Oude bakkerij met Chinese naam
Degelijke boerenmode
Specialiteit van Garut herenringen met mooie stenen
Weinig reclame in Garut, deze viel dus wel op.
Reacties
Geen reacties
Uw reactie
Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.
07 mei 2009: Zoetzure herinneringen aan Garut
maakte tenslotte een afscheidstournee en Candi Cangkuang vond ik altijd een schitterende plek, temeer dat het het enige Hindoe bouwwerk in West Java is. Er zijn nog twee locaties Batujaya en Cibuaya bij Karawang maar die liggen voor een groot gedeelte onder de grond, geld om ze op te graven ister niet.
We reden langs Hampor, het gedeelte van Garut waar ik ooit had gewoond, ik kon het niet nalaten om mij even langs mijn oude woonplek te laten rijden, een claustrofobische perumahan. Er was zeer veel veranderd, veel bijgebouwd en verbouwd, ik maakte vlug dat ik wegkwam en was blij al zolang weg te zijn. Toen ik daar kwam wonen stonden er allemaal kleine huisjes speciaal voor ambtenaren. Er stond een groot huis, dat was eigendom van een van de hogere ambtenaren die veel te zeggen had gehad in de ontwikkeling van het project en had er een huis op een dubbele kavel grond aan overgehouden. dat had ik van hem gehuurd, het stond helemaal vrij en was nog nooit bewoond geweest. Het uitzicht was schitterend, links de hellingen van de Gunung Guntur, voor keek ik in de gele krater van de Papandayan, weliswaar op grote afstand, en achter het huis zag ik de perfecte conus van de Cikuray. Garut is de hoofdstad van een landbouwgebied, in het algemeen arme eenvoudige mensen, er is nauwelijks industrie de elite werd in die plaats door de ambtenaren gevormd, ze deden alsof ze alles te vertellen hadden. Boven dat alles heerste de Islam met strakke hand. Toch voelde ik me senang in Garut, vooral vanwege de schitterende omgeving en het zalige klimaat, omdat Garut op 900 meter hoogste ligt heeft het een heel ander klimaat dan veel plaatsen in het laagland, niet zo tropisch met koele tot koude nachten. In de maanden juni en juli heb ik daar wel kou geleden, ik sliep met sokken aan want als je uit bed op de stenen vloer stapte dan bevroren je voeten aan de plavuizen vast. Ik heb zelfs met het plan rondgelopen om een open haard te laten bouwen. Met de meeste ambtenaren in de buurt had ik wel contact maar dat verliep erg stug, de mensen in Garut zijn nogal eenkennig en moeten niet veel van een buitenlander hebben, daarbij komt nog dat ik geen moslim ben. Dat laatste is bijna een verplichting in het Sundanese. Met de huisbaas had ik een goed contact, hij had een tijdje in het buitenland gestudeerd en was ook op andere plekken in Indonesië gestationeerd geweest, dat maakte hem ruimer denkend. Ook zijn lieve en charmante vrouw was ambtenaar, deze combinatie kwam veel voor in Garut, alle ambtenaren leken ook allemaal familie van elkaar.
Op een avond kwam Pak RW in gezelschap van een buurman langs om even te praten, dat kon, ga maar zitten. Het bleek dat ik in al de tijd, bijna twee jaar, dat ik daar woonde nog nooit voor allerlei kosten had betaald. Ik zei dat mij daar nooit om was gevraagd, hoe kon ik weten dat er dan kosten waren. Vuilnis werd niet opgehaald, dat verbrande ik achter het huis, de ronda gaf ik koffie als ik nog op was en soms wat geld, hoewel dat laatste werd gebedeld. Doch als er betaald moest worden dan had ik daar geen bezwaar tegen, ook niet voor al de tijd dat ik daar reeds woonde. Als hij nou even uitrekende hoeveel het bedrag was zou ik voor betaling zorg voor dragen. Pak RW begon te rekenen, het was een klein mannetje dat zich nogal autoritair gedroeg, men had mij wel eens verteld dat hij de zoon van een vroegere lurah was en daarom voelde dat hij iets was. Pak RW vertelde dat er elke avond ronda was, dat is een nachtwacht die over het wel en wee van de slapende burgers waakt. Om van hun aanwezigheid blijk te geven sloegen ze in het voorbij komen drie maal met een steen op een ijzeren lantarenpaal ten teken dat het aman (veilig) was. Dat zou mij 50.000 Rp per maand gaan kosten. Dan was er nog een sociaal fonds, voor mensen in nood of als er iemand te overlijden kwam, om de begrafenis te verzorgen en zo, daarvoor zou ik elke maand 200.000 Rp moeten afdragen. De buurman zat steeds toe te kijken en zei op alles "ya, ya". Ik maakte vlug een rekensom, 250.000 Rp per maand zou voor 20 maanden 5 miljoen rupiah betekenen. In die dagen kreeg je nog ruim1300 Rp voor een gulden, dus dat werd bijna 4000 gulden, een ongehoord bedrag. De huishuur bedroeg 2,5 miljoen rupiah voor twee jaar. Ik voelde dat ik hier vreselijk getild dreigde te gaan worden. Ik vertelde aan Pak RW dat ik 50.000 per maand voor iemand die drie keer met een steen op en paal sloeg erg duur vond. Ook begreep ik niet dat er voor ambtenaren een sociaal fonds bestond omdat deze toch allen door de overheid verzekerd waren. De niet ambtenaren in de perumahan waren mensen met geld, die van buiten kwamen en een huis duur hadden gehuurd, die werkten bij de elektracentrales Kamojang en Darajat. Pak RW werd kwaad op mij en verhief zijn stem, hij stond bekend als een driftig mannetje. Hij nam het mij zeer kwalijk dat ik aan zijn woorden twijfelde, dat hij, die voor de belangen van de mensen in de kampong zo beledigd door een bule werd. Ik vertelde hem dat men een bule niet van alles zomaar wijsmaken kon en als hij wilde dat ik een financiële bijdrage leverde dat wel een reële moest zijn en niet zo een opgeblazen bedrag. Hij werd nu echt kwaad en begon op mij te schelden, de buurman maakte dat hij weg kwam, ik zag het tafereel aan. Hij eiste betaling, zoniet dan zou hij zorgen dat ik niet meer hier kon wonen. Ik zei zoiets van "Je doet maar, zolang je niet reëel ben betaal ik niet" Hij sloeg ineens keihard op de tafel, op de glazen plaat die daarop lag, die hevig kraakte en rammelde. Ik zei dat hij geluk had gehad dat de plaat niet gebroken was, want dat zou hem meer gekost hebben dan het bedrag dat hij van mij eiste. Ik ging verder, gooide alle remmen los, dat deed Pak RW toch ook en hield hem voor dat hij als dienaar van de overheid met de Pancasila bekend moest zijn. had hij wel eens van Sila nummer twee gehoord? "Kemanusiaan yang Adil dan Beradab" (Rechtvaardig en beschaafde menselijkheid). Ik haalde een boekje tevoorschijn waarin de Pancasila werd uitgelegd, maar ik had geen tijd om het te openen, Pak RW stond met een zeer rood aangelopen hoofd op en slingerde woorden in het Sundanees naar het hoofd, waar ik nauwelijks iets van begreep maar mooi waren ze zeker niet. Hij liep de deur uit.
Het viel me in de dagen die het incident volgden op dat de buren schichtig naar me keken, zelfs het hoofd omdraaiden of zich snel uit de voeten maakte. Ik hoorde dat Pak RW de bewoners van de perumahan verboden had zich met mij te bemoeien of met mij te spreken. Ik vertelde aan hen die wel "stiekem" met mij spraken dat ik dit wel lekker vond, ik hoefde niet meer altijd dezelfde vragen te beantwoorden zoals "Waar kom je vandaan?", "Waar ga je naar toe?" of "Wat heb je gekocht?" De maatregel had weinig effect op mijn doen en laten, de middenstanders bleven ook gewoon de zaken die ik nodig had verkopen en woonden de meeste mensen die ik vertrouwde buiten de wijk, want Indonesische ambtenaren.... Op een zondag liep ik naar de grote weg en zag ik op de toegangsweg naar de wijk Pak RW met een 15-tal huisvaders werken aan de berm, de huisvaders waren met patjols de rand van de weg aan het opknappen. Aan hun gezichten was te zien dat de arbeid hun zwaar viel, Pak RW stond er in een camouflagepak met een gevechtspet op het hoofd op afstand naar te kijken, ik barste in lachen uit en zei dat ik het net een film met romusha en hun hei-ho vond en liep daarna door. Pak RW liep weer eens rood aan. Niet lang daarna moest ik naar Nederland, toen ik na 2 maanden terugkwam liep het contract van mijn huis bijna af. Ook was het met het werk dat ik deed slecht gesteld, de koers van de Rupiah was in een vrije val geraakt, het was eind 1997. De productiekosten voor handicraft liepen de spuigaten uit, dure verf en andere materialen, de rotanmarkt in Nederland was door het overvoeren van de markt volledig ingestort, de rotan tuinstoelen stonden zelfs te koop bij benzinepompstations. Ik overwoog naar Nederland terug te gaan. De huisbaas wilde het huurcontract niet meer verlengen, Pak RW en zijn hulpjes hadden uitgemaakt dat mijn buurman, die een huis naast mij huurde bij de centrale Kamojang werkte en zijn gezin uit Palembang had laten overkomen, te klein woonde en beter in het huis waar ik verbleef kon gaan zitten. Ik begreep dat er zich achter mijn rug zich van alles afspeelde en dat ik een beslissing moest nemen, dat was terug naar Nederland, maar ik kreeg ook steeds meer Rupiah voor mijn gulden, daarvan kocht ik munten bij Eko in Solo, ik spoorde hem aan om zoveel mogelijk munten voor mij te pakken zien te krijgen. Dat deed hij, ik kocht al twee jaar van hem, tegen lage prijzen, ik verzamelde maar omdat ik zoveel munten had verkocht ik al een tijd aan allerlei verzamelaars over de gehele wereld. Toen Eko voorstelde om samen te gaan werken, heb ik ja gezegd, hij kwam met zoveel goed materiaal aan en verkocht dat aan mij tegen zulke lage prijzen dat daar best op te verdienen viel. Ik sprak met hem af dat we zouden gaan samenwerken, ik zou naar Solo verhuizen om het een en ander in betere banen te gaan leiden. Hij moest wel beloven alles wat hij vond aan mij te verkopen, ik zou alles kopen. Door de stijgende koers van buitenlandse valuta durfde ik dit risico wel aan, want binnenlands werden de prijzen niet verhoogd. Ik probeerde zoveel mogelijk om te zetten, het mooiste materiaal behield ik, twee keuze ging naar bevriende verzamelaars en de rest naar de handel. Ik zat meer in Solo dan in Garut. In Solo huurde ik daarom een mooi huis in een stille perumahan 5 kilometer buiten de stad. Aan Garut kwam langzamerhand een einde, men werd ineens erg nieuwsgierig naar wat ik in de nabije toekomst ging doen. Ik vertelde dat ik terug naar Nederland zou gaan, ik doeg materiaal aan voor hun isu. Het huis in Garut stond vol meubilair, veel rotan dat ik bij leveranciers als monster had gekregen of als afkir goedkoop had aangeschaft. In veel van dat spul zaten borende insecten. Vaak lagen onder de meubels hoopjes zaagsel dat de beesten er uit hadden gewerkt als ze bezig waren de boel uit te hollen. Het mooiste gedeelte van het meubilair gaf ik aan Han, mijn jarenlange zakenpartner. In 1997 waren er onlusten in Tasikmalaya geweest, waarbij zijn huis met inboedel en al in de fik gestoken was. Hij was bezig de boel weer op te bouwen. Het huis was afgebrand door ex-personeelsleden die waren ontslagen, wegens diefstal en van de onlusten gebruik maakten om wraak te nemen. In de kampung had zich het gerucht verspreid dat ik al mijn meubilair en inhoud van het huis weg zou gaan geven. Ik dikte dit aan dat ik dat inderdaad op een bepaalde datum zou gaan doen, op een zondag als iedereen vrij zou zijn. Die dag zette ik de spullen waar ik geen interesse in hadb uiten. Aan het einde van het straatje waar het huis dat ik bewoonde stond zag ik af en toe blikken geworpen worden, ook werd er stiekem langs gelopen. Ik deed alsof ik het erg druk had en zei af en toe "Nanti, nanti" Op een gegeven moment heb ik een jerrycan petrolie gepakt, dat over het spul gegooid en er een vuurtje bij gehouden. Men beweerde dat ik gek was geworden, "Gelo eui". Ik beschouwde het vuur als bevrijdend. Die middag kwamen er twee trucks die ik had ingehuurd, de spullen die ik nodig had werden daar ingeladen en tegen Magrib was ik op weg naar Solo om een nieuw leven te beginnen, zoals ik al zo vaak eerder had gedaan, het werd routine. Dag Garut..."Kom we gaan" zei ik tegen de chauffeur en we gingen op weg naar de alun-alun van Leles waarachter Candi Cangkuang verscholen ging.
De oerlelijke Mesjid Jami op de alun-alun van Garut
Oude bakkerij met Chinese naam
Degelijke boerenmode
Specialiteit van Garut herenringen met mooie stenen
Weinig reclame in Garut, deze viel dus wel op.