09 juni 2009: Tobelo

maluku utara
Ik ben een uurtje geleden uit Jailolo teruggekomen, weg geregend kan je wel stellen, ik zit nu weer in Ternate waar het ook weer eens regent. Tussen de buien door had ik in Jailolo de ruines van

een Portugees fort ontdekt, maar vanwege de regen was het maken van foto's erg moeilijk. Het lag op een heuvel alles spekglad, ook moest ik wachten totdat de regen even ophield, al met al hoogst vervelend. Want een Portugees fort in Jailolo is toch wel een belangwekkende ontdekking. Niet dat het een echte ontdekking is natuurlijk, maar veel mensen vroegen zich af of er een Portugees fort te aldaar was. Ik liep er weer eens recht op af, info via een tukan ojeg die ik oude mensen liet opzoeken. De buurvrouw bij het fort was maar liefst 96, en klein, zelden zo een klein mensje gezien, maar ze kon nog thee zetten en deze opdienen met hartvormige koekjes, die smaakten alsof ze ook 96 jaar oud waren. Ik heb nog 1 eiland op mijn programma staan, Makian en dan kan ik naar Solo terug. Als het aan mij lag ging ik morgen al, maar ja het geld is nog niet op, heb alles weer goed gepland.

Mijn verblijf in Sidangoli duurde slechts een nacht, het stierf daar van de muggen en had ik in die plaats borden gezien waarop tegen malaria werd gewaarschuwd. Ik heb meteen van die Baygon obat anti-nyamuk spiralen om te branden gekocht, deze stonden voor Maghrib al te roken onder mijn bed. Zonsondergang is het moment waarop de malariamug het liefst zijn gemene aanvallen uitvoert. Het viel me trouwens op dat die spiralen tegenwoordig vrij makkelijk uit elkaar te trekken zijn, vroeger als je die dingen had gekocht gingen er velen de vernieling in eer je een rondje in de handen had dat ongeschonden aangestoken kon worden. Sidangoli was niet meer dan een gat gebleken waar ’s avonds grote stilte heerste. Er was nergens een plek waar gegeten kon worden, afgezonderd van een Javaan die vanuit zijn grobak mie bakso verkocht en het erg druk had. Ik kon gelukkig in de penginapan terecht voor ikan bakar met groenten en rijst, daarmee kwam ik de nacht wel door. De volgende ochtend stond ik vroeg op en na een koffie met twee zoete broodjes ging ik op pad. Ik was vroeg op de terminal maar er stonden nauwelijks taxi’s, dat zou volgens ingewonnen informatie snel veranderen. Ik moest wachten, en deed dat achter een grote koffie. Al snel kwamen er wat auto’s die klaar gingen staan om naar Tobelo te vertrekken, maar er waren geen passagiers, zes auto’s waarin 7 passagiers tegen betaling van 70.000 Rp plaats konden vinden, maar slechts 1 passagier, dat was mijn persoontje. Ik had mezelf al ingesteld op een lange wachttijd. Tijdens het wachten en het eindeloze geklets dat hiermee onvermijdelijk gepaard gaat had ik iets horen mompelen van 300.000, later werd dat 250.000 Rp om in Tobelo terecht te geraken. Ik besloot te wachten en later op dit bedrag te reageren. Nadat de gesprekjes en praatjes waren uitgestorven en ik de kale terminal niet meer kon aanzien, vroeg ik hoeveel passagiers er inmiddels verzameld waren, dat waren er 3 met mij erbij en het was al 9 uur, dat ging me te lang duren en vroeg ik hoe dat zat met die 250.000 Rp naar Tobelo. Dat bleek te kunnen, dan zouden de andere passagiers ook dat bedrag betalen, ik ging akkoord en meteen kwam er een chauffeur in actie. We gingen naar een huis waar er een gezin ingeladen moest worden, dit kostte nogal wat tijd, het hoofd van het gezin heette Bambang, een naam die mij deed vermoeden dat het een Javaan betrof, ook zijn uiterlijk wees daar op. Afijn na een minuut of 10 konden we met Pak Bambang en zijn gezin op weg. Ik zat voorin in de comfortabele auto, een nieuwe Kijang Innova. Het eerste stuk weg was dezelfde dat ik gister gezien had, schitterend, niet alleen het panorama maar ook de kwaliteit van het asfalt. De chauffeur was een doordouwer en de snelheid zat er goed in. Hij waarschuwde Pak Bambang nog even tegen wagenziekte en waar de plastic zakken lagen om in te kotsen. Ik kon Pak Bambang niet zien want hij zat pal achter me. Ik keek om me heen en zoog het landschap van Halmahera binnen. Ik zag veel vogels en vlinders, en niet alleen maar kleintjes. Ook veel visarenden, of hoe die beesten heten. Ik had zelden zoveel vogels tegelijkertijd in Indonesië gezien, ook overal fladderende vlinders, soms in groepen van 10-tallen. De weg ging over bergen en dalen langs vele bossen in een leeg landschap, met leeg bedoel ik zonder mensen. De weg was geweldig en niets hield de chauffeur tegen zoals dat op Java het geval is, af en toe een tegenligger of een vrachtauto die moest worden ingehaald. Na Kao ging het nog sneller, want de weg was daar rechter. Daar werden snelheden tot 90 km p/u behaald, bij mijn weten een zeldzaamheid in het gewone Indonesische verkeer, en dat ging achterelkaar door. De rit van Sidangoli naar Tobelo nam 3 uur in beslag. De taxichauffeur raadde mij als logeergelegenheid Wisma Mulia aan, waar ik ook incheckte.

Tobelo is een lange straat die druk is, de rest stelt weinig voor, er is een haven, een pasar veel hotelletjes en eethuisjes. In de winkelstraat, tevens hoofdweg heerst nog twijfel. Er is veel van vroeger te zien, speciaal in de interieurs van de winkels, maar men staat op het punt dit er allemaal uit te gooien om echt modern te gaan doen. Er heerst een provinciale gemoedelijke sfeer, het straatbeeld wordt beheerst door de ‘bentor’ een kruising tussen een beca en sepeda motor. Een ritje in de “stad’ kost 3000 Rp. Ik at Padangs, een visje, tongkol, met rijst, daun singkong en es teh manis voor 12.000, was lekker. Het eethuis was van binnen beschilderd met landschappen die mij aan Bukittinggi deden denken, de uitvoerende artiest had vast dezelfde plaats voor ogen. Maar zeven watervallen naast elkaar leek me sterk. Ook de schildering van Donald Duck die een kippenboutje opkluift viel mij heel erg op, maar is nog altijd beter dan DD die een telor asin eet, dan had ik echt gaan twijfelen. In het hotel was me een warnet aanbevolen, ik kon die met moeite vinden, maar eenmaal binnen werd ik met voor Indonesië supersonische internetsnelheden geconfronteerd. Dat deed mij besluiten de verdere middag te gaan schrijven om dit ’s avonds up te loaden. De volgende dag ging ik mijn programma afwerken, daar stonden twee Portugese forten op, één ten noorden van Tobelo in Mede en één ten zuiden te Gamhoku. Ik hield een ojeg aan en vroeg hem of hij de bestemmingen kende, dat bleek het geval te zijn. Toen vroeg ik naar de prijs kon hij die niet bepalen en liet dat werkje aan mij over. We reden eerst naar het noorden naar Mede, uitkijkend op een paar bergen die vulkanen zijn. Dat dit gebied vulkanisch is, is te zien aan het pikzwarte en heel fijne zand dat in Tobelo als bouwmateriaal wordt gebruikt. Langs de weg zag ik nog de skeletten van huizen die tijdens de burgeroorlog van 1999 – 2002 waren platgebrand, dat werd bevestigd door mijn tukan ojeg die uit deze buurt afkomstig was. Zo te zien was er geen huis gespaard gebleven want de huizen die er stonden waren of nieuw of opgeknapte oudere huizen. Ook waren er veel huizen geïmproviseerd bewoond. Het was duidelijk dat men hier vreselijk tekeer gegaan moest zijn. We kwamen aan een riviertje waar naar zeggen de Portugezen ooit een fort hebben gebouwd. We deden navraag, bij een oude man. Voor dit soort informatie moet men in Indonesië altijd bij oudere mannen terecht, de jeugd weet hier weinig en is in dit soort zaken niet geïnteresseerd, die weten alles over artiesten, HP’tjes en sepeda motor. Het bleek dat de plek van het fort een steengroeve was geworden en dat het fort allang was verdwenen. Onverrichter zake keerde ik terug.

halmahera
De terminal te Sidangoli

halmahera
Kopra, het hoofdproduct van Kao en Tobelo

halmahera
Bentor, op de achtergrond een voormalige bioscoop

halmahera
Yes we have no bananas

halmahera
De rivier te Mede, waar de klapperbomen staan was ooit de locatie van een Portugees fort.

halmahera
Een kerk te Mede

We reden naar het zuiden, ik keek goed om me heen, want dit was een nieuw gedeelte van Indonesië voor mij. Het landschap begon te lijken op hetgeen ik op de Vogelkop in de provincie Papua had gezien, vrij spectaculair en erg groen. Op Halmahera worden koeien en ossen als trekdier gebruikt, die dieren werden voor wagens gespannen, maar ik zag ook dat men sleden gebruikte. Hoewel het nog vroeg in de ochtend was, hoogstens 8.00 uur, zaten er veel mensen al vrolijk kletsend voor hun huizen. Op de Molukken wordt niet hard gewerkt, dat is historisch bepaald. Op deze eilanden eet men sago, om voor een maand voedsel te hebben hoeft men maar het bos in te gaan een boom te kappen en het merg te wassen en op te slaan en heeft men voor een maand te eten. De boertjes op Java moeten sawa’s omploegen, met de hand of met een karbouw, padi planten en wachten op de oogst, die door allerlei rampen van buitenaf, zoals insecten, muizen, overstromingen en plantenziektes kan mislukken. Dat maakt dat de Javanen een zoveel ijveriger volk zijn dan de inwoners van de Molukken en veel andere gebieden in Oost Indonesië. We kwamen bij Gamhoku aan, we hielden stil bij de eerste de beste oude man, en vroegen naar de Benteng Portugis, hij wist alleen maar een richting aan te wijzen, de tweede oude was al duidelijker en weer bij een riviertje moesten we stoppen.. Hier moest ergens het fort zijn, Portugese forten zijn altijd dichtbij een riviertje gevestigd. Ik werd door een man van middelbare leeftijd naar de plek gebracht waar ooit het fort gestaan moest hebben, ik zag onmiddellijk dat er weinig van over was. De plek was een vlak stuk op een heuvel achter een aantal huizen, met uitzicht op zee. Er stond een graf maar verder zag ik weinig meer dan wat stenen. Toen ik vroeg waar ik iets kon vinden, wees mijn gids op de stenen. Dat was het fort geweest. Ik zag wat koraalstenen die een muur gevormd zouden kunnen hebben. De plek was echter een perfecte locatie, vlak met uitzicht op zee. Ik liep verder langs de stukken steen die een muur hadden gevormd, door een klapperboomplantage. Inderdaad zag ik steeds meer stukken fundering meer was het niet, moeilijk zichtbaar tussen de begroeiing. De begroeiing op de plekken waar de muur zou hebben gestaan was anders. Uit het verhaal van mijn gids bleek dat hier een stenen borstwering gestaan moest hebben. In de loop van de jaren, en al heel lang terug had men de stenen weggehaald en gebruikt bij de bouw van huizen. Dat was niet gemakkelijk gegaan. Ten eerste was men bang van deze plek, er heersten geesten. Ook werd er iedere keer als men hier stenen weghaalde een kind ziek. Maar toch werd men aangetrokken door het bouwmateriaal dat voor het oprapen lag. Op een dag toen er een aantal mannen uit de kampung een karrenvracht stenen hadden weggehaald was er een overleden tante van een der mannen verschenen. Zij had hen in het Portugees toegesproken, niemand begreep iets van wat zij had te vertellen, maar de angst was zeer groot geweest. Lang na dat voorval was het gemakkelijker geworden om stenen weg te halen, want hoe minder stenen er overbleven hoe geringer de vreemde gebeurtenissen voorkwamen. Nu waren alle stenen weg en tevens waren de Portugese geesten verdwenen. Geschiedenis waarvan nauwelijks meer tastbare bewijzen aanwezig waren. Hoewel als ik de inwoners van Tobelo en omgeving eens goed aankeek zaten daar toch wel veel Zuid Europese types tussen, de laatste sporen van herkenning.

halmahera
Vage restanten van een muur

halmahera
Een eeuwenoud pad, dat door de muur heen loopt, in de richting van de kali

halmahera
Hier zijn de restanten van de muur nog vrij duidelijk te zien.

halmahera
Het pad dat omhoog naar het fort leidt.



Vervolg >>

Reacties

Geen reacties

Uw reactie



Toegelaten BBCode:
[b] [i] [u] [s] [color=] [size=] [quote] [code] [email] [img] [youtube]

Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.