Ik ging nog wat in Tobelo rondkijken, naar de pasar, naar de haven, scènes die men door de hele Molukken kan aanschouwen, steeds een beetje anders.
In de haven stonden een aantal zeer roestige gebouwen van golfplaat, die mij aan quonset-loodsen deden denken, dit soort halfronde gebouwen was door de Amerikanen aan het einde van WO II meegenomen en neergezet. Ik ken deze uit verhalen van de Deta-jongens, jonge Indo’s die eind 1949 begin 1950 werden ingehuurd en naar Hollandia op Nieuw Guinea werden gestuurd om daar te helpen een infrastructuur op te zetten. De Amerikanen hadden daar grote voorraden achtergelaten en hele dorpen bestaande uit deze Romney-loodsen opgericht. Deze dienden als verblijfplaats voor de Indische kolonisten. Toen ik terug liep langs de markt zag ik een man achter twee grote kooien vol kalongs (vliegende honden) staan, hij trok er steeds eentje uit en mepte die dood. Dat zou je dierenmishandeling kunnen noemen, maar ik zag dat de man erg hard en erg raak sloeg, de kalongs waren op slag dood. Ik keek in de kooien en zag dat de beesten heel leuke rode tongetjes hadden waarmee ze aan stukken banaan likten, terwijl boven op de kooi hun collega’s dood werden gemept, het leven is hard dacht ik. Kalongs worden gegeten, een van de omstanders vertelde mij dat kalongs het lekkerste waren, het lekkerste van wat zei hij er niet bij. Hij had een eigenaardig vlekkerige en schilferende huis op zijn gezicht, als dat door het eten van kalong kwam wist ik genoeg. In theorie moet het zeer goed voedsel wezen, want kalongs eten alleen maar fruit en zoeken daarbij alleen het beste uit, ze hebben daar een zeer fijne neus voor. In het mangoseizoen te Solo op Java leggen vrouwtjes die deze vruchten verkopen een aangevreten mango erbij, om te suggereren dat deze door een kalong is uitgezocht, het kan net zo goed een rat geweest zijn. Toen ik meer dan genoeg van de openbare moordpartij had ging ik terug naar mijn hotel. Ik vroeg me af wat ik verder nog in Tobelo te doen had. Op mijn kamer gekomen ging ik eerst even een tukje doen, maar werd daaruit ineens opgeschrikt door een hels lawaai, alsof het hard ging waaien. Ik ging mijn kamer uit het zag overal door de open ruimte van het hotel bladeren vliegen. Het stormde, de zinken golfplaten van de daken ratelden als machinegeweren, klapperbomen zwaaiden vervaarlijk heen en weer, een linke situatie want een klappernoot die in hevige wind van een boom los komt wordt een gevaarlijk projectiel. Overal gilden mensen van angst. Dat heb ik nu al vaak meegemaakt, o.a. bij aardbevingen, het volk raakt in paniek en gaat met onduidelijke bestemming gillend rennen. De wind duurde zeker een half uur, daarna ging het zwaar regenen. De elektra was inmiddels uitgevallen, doch dat was ik reeds gewend, dat gebeurde enkele malen per dag had ik sinds mijn verblijf in de Molukken kunnen constateren. Gezien de situatie nu schatte ik de uitval op langdurig.
Inderdaad was er die avond geen elektriciteit, ik stierf van de honger, want had weinig gegeten die dag. Ik ging er in het duister op uit om iets te eten te zoeken, in warungs en eetgelegenheden bestond de verlichting uit kaarsen en olielampjes, ik neuriede ‘Stille nacht, heilige nacht" voor mij heen. Bij het eerste de beste restoran dat een aggregaat aan had stapte ik binnen, buiten stonden er op een spandoek kippen en visjes geschilderd. Ik kon een visje uitzoeken om te bakarren. Nadat ik was gaan zitten, vertoonde het aggregaat ook kuren en kreeg ik een kaarsje voor mijn neus. Ik was in een vrij vervelend tentje terecht geraakt constateerde ik toen ik het gezicht van de eigenaresse zag, een Makasaarse. Bij die chagrijnige kop droeg zij nog een soort babydoll en was enige maanden in verwachting, eigenlijk de juiste positie om achter de kassa te zitten. Ik keek naar de jongen die fanatiek mijn visje aan het bakarren was, zo fanatiek dat een Molukse vrouw binnen kwam om saté te bestellen, waarop ze een "terada" als antwoord kreeg. "Terada" is Moluks voor "tiada" oftewel "isternie". Ik zag de jongen af en toe het door mij bestelde rode snappertje met een kwast vol olie bewerken, en voelde dat mijn maaltijd niet veel smaaks zou worden. Zo werd de maaltijd dus opgediend, smakeloos, een oliebol met vissmaak, rijst en lalapan. Ik at mijn bordje plichtmatig leeg, rekende af, ging terug naar mijn kamer om vroeg te gaan slapen, er was toch niets anders te doen, omdat ik al zonder te kijken wist dat de TV mij niet zou kunnen boeien. De volgende ochtend stond ik vroeg op, het weer had zich gestabiliseerd. Ik pakte mijn bagage, nuttigde mijn chemische ontbijt, chemisch want het bestond uit coffeemix, dat is oploskoffie met melkpoeder, niet mijn favoriet, en daarbij een schaaltje Indomie met een ei. Weer at ik plichtmatig, rekende mijn kamer af en ging naar de plek waar de taxi’s in afwachting van passagiers gegroepeerd stonden, waar ik hoopte vervoer naar Jailolo te kunnen vinden. Dat vervoer bleek ’s morgens heel vroeg te vertrekken en werd uitgevoerd door microlets, kleine busjes, waarin men als een sardine tussen allerlei bagage werd vervoerd. Nee dat was niets voor mij en paste ik mijn plannen aan. Op advies van de chauffeurs zou ik naar Sofifi rijden, vandaar een speedboot naar Ternate en van Ternate weer een speedboot naar Jailolo. Dat was niet de kortste weg, maar wel de snelste. Om acht uur was ik al op weg. De auto was een Kijang Innova, het laatste lokale Indoproduct van de firma Toyota, voorin zit je voortreffelijk, ik had echter genoegen genomen met een plaatsje achterin, de derde rij, wel iets krap voor drie man. Ik zat niet echt comfortabel, maar was ermee akkoord gegaan omdat de auto snel was, de kwelling zou hoogstens drie uren duren. Helaas kwam er nog een andere ellende tevoorschijn in de vorm van een CD’tje van Oscar Harris, ik heb die twee keer moeten aanhoren, toen kwam er iets lokaals met veel door computer gegenereerde steelgitaren en dramatisch zingende Molukkers. Gelukkig stopten we om iets te eten, en waarschijnlijk echte koffie te drinken, dacht ik meteen. Toen de chauffeur mij vertelde dat er een etenspauze was, deed ik net alsof ik hem niet verstond en liet hem het herhalen en zei toe “Sorry, mijn westerse oren zitten verstopt met jouw muziek”, hij kreeg daarbij gratis mijn smile van oor tot oor cadeau.. Ik kwam een gewoon eethuis binnen, zag vis en bestelde vis en sayur, ook nog wat ajar en ging zwaaiend naar en tegen de vliegen zitten. Mijn eten werd gebracht en ik bestelde koffie. Ik keek naar de vis en zag een grote kop, dit kwam van een vis met een bijzonder grote kop en een klein lijfje. Ik had zo een kop ook al twee dagen geleden in Sidangoli op mijn bord gehad. Het zou kunnen zijn dat ze mij daarmee wilden pesten, maar ik neem echter aan dat de kop als lekkernij wordt beschouwd, het is bekend dat dit in Indonesië een delicatesse bevonden wordt. Is aan mij niet besteed en ik bracht hem terug, zei dat het eten van vissenkoppen niet tot het westerse gewoontenpakket behoorde en ruilde het schoteltje in voor het veel kleinere achterlijf. Het was natuurlijk niet zeker dat het achterlijf bij dit visje behoorde, maar zeker van een broertje of zusje. De koffie die geserveerd werd was groot en echt en ik genoot van de maaltijd en de blikken van twee jongedames die mijn ouwe kop in gedachten vergeleken met die zij op de TV hadden gezien. Wie weet zat ik er bij, doch wist bijna zeker van niet.
Boerenleven op Halmahera. Ossen kunnen goed manoeuvreren tussen de klapperbomen.
Een lunch
Quonset-loods in de haven van Tobelo
Dit gebouw uit ongeveer 1944 zou eigenlijk tot monument moeten worden gebombardeerd, er hebben er duizenden gestaan, vooral op het v/m Nederlands Nieuw Guinea. Ik heb er ooit een op Biak gezien, in Manokwari was er een tot restaurant omgebouwd en bovenstaande, de mooiste.
10 juni 2009: Tobelo - Ternate
In de haven stonden een aantal zeer roestige gebouwen van golfplaat, die mij aan quonset-loodsen deden denken, dit soort halfronde gebouwen was door de Amerikanen aan het einde van WO II meegenomen en neergezet. Ik ken deze uit verhalen van de Deta-jongens, jonge Indo’s die eind 1949 begin 1950 werden ingehuurd en naar Hollandia op Nieuw Guinea werden gestuurd om daar te helpen een infrastructuur op te zetten. De Amerikanen hadden daar grote voorraden achtergelaten en hele dorpen bestaande uit deze Romney-loodsen opgericht. Deze dienden als verblijfplaats voor de Indische kolonisten. Toen ik terug liep langs de markt zag ik een man achter twee grote kooien vol kalongs (vliegende honden) staan, hij trok er steeds eentje uit en mepte die dood. Dat zou je dierenmishandeling kunnen noemen, maar ik zag dat de man erg hard en erg raak sloeg, de kalongs waren op slag dood. Ik keek in de kooien en zag dat de beesten heel leuke rode tongetjes hadden waarmee ze aan stukken banaan likten, terwijl boven op de kooi hun collega’s dood werden gemept, het leven is hard dacht ik. Kalongs worden gegeten, een van de omstanders vertelde mij dat kalongs het lekkerste waren, het lekkerste van wat zei hij er niet bij. Hij had een eigenaardig vlekkerige en schilferende huis op zijn gezicht, als dat door het eten van kalong kwam wist ik genoeg. In theorie moet het zeer goed voedsel wezen, want kalongs eten alleen maar fruit en zoeken daarbij alleen het beste uit, ze hebben daar een zeer fijne neus voor. In het mangoseizoen te Solo op Java leggen vrouwtjes die deze vruchten verkopen een aangevreten mango erbij, om te suggereren dat deze door een kalong is uitgezocht, het kan net zo goed een rat geweest zijn. Toen ik meer dan genoeg van de openbare moordpartij had ging ik terug naar mijn hotel. Ik vroeg me af wat ik verder nog in Tobelo te doen had. Op mijn kamer gekomen ging ik eerst even een tukje doen, maar werd daaruit ineens opgeschrikt door een hels lawaai, alsof het hard ging waaien. Ik ging mijn kamer uit het zag overal door de open ruimte van het hotel bladeren vliegen. Het stormde, de zinken golfplaten van de daken ratelden als machinegeweren, klapperbomen zwaaiden vervaarlijk heen en weer, een linke situatie want een klappernoot die in hevige wind van een boom los komt wordt een gevaarlijk projectiel. Overal gilden mensen van angst. Dat heb ik nu al vaak meegemaakt, o.a. bij aardbevingen, het volk raakt in paniek en gaat met onduidelijke bestemming gillend rennen. De wind duurde zeker een half uur, daarna ging het zwaar regenen. De elektra was inmiddels uitgevallen, doch dat was ik reeds gewend, dat gebeurde enkele malen per dag had ik sinds mijn verblijf in de Molukken kunnen constateren. Gezien de situatie nu schatte ik de uitval op langdurig.
Inderdaad was er die avond geen elektriciteit, ik stierf van de honger, want had weinig gegeten die dag. Ik ging er in het duister op uit om iets te eten te zoeken, in warungs en eetgelegenheden bestond de verlichting uit kaarsen en olielampjes, ik neuriede ‘Stille nacht, heilige nacht" voor mij heen. Bij het eerste de beste restoran dat een aggregaat aan had stapte ik binnen, buiten stonden er op een spandoek kippen en visjes geschilderd. Ik kon een visje uitzoeken om te bakarren. Nadat ik was gaan zitten, vertoonde het aggregaat ook kuren en kreeg ik een kaarsje voor mijn neus. Ik was in een vrij vervelend tentje terecht geraakt constateerde ik toen ik het gezicht van de eigenaresse zag, een Makasaarse. Bij die chagrijnige kop droeg zij nog een soort babydoll en was enige maanden in verwachting, eigenlijk de juiste positie om achter de kassa te zitten. Ik keek naar de jongen die fanatiek mijn visje aan het bakarren was, zo fanatiek dat een Molukse vrouw binnen kwam om saté te bestellen, waarop ze een "terada" als antwoord kreeg. "Terada" is Moluks voor "tiada" oftewel "isternie". Ik zag de jongen af en toe het door mij bestelde rode snappertje met een kwast vol olie bewerken, en voelde dat mijn maaltijd niet veel smaaks zou worden. Zo werd de maaltijd dus opgediend, smakeloos, een oliebol met vissmaak, rijst en lalapan. Ik at mijn bordje plichtmatig leeg, rekende af, ging terug naar mijn kamer om vroeg te gaan slapen, er was toch niets anders te doen, omdat ik al zonder te kijken wist dat de TV mij niet zou kunnen boeien. De volgende ochtend stond ik vroeg op, het weer had zich gestabiliseerd. Ik pakte mijn bagage, nuttigde mijn chemische ontbijt, chemisch want het bestond uit coffeemix, dat is oploskoffie met melkpoeder, niet mijn favoriet, en daarbij een schaaltje Indomie met een ei. Weer at ik plichtmatig, rekende mijn kamer af en ging naar de plek waar de taxi’s in afwachting van passagiers gegroepeerd stonden, waar ik hoopte vervoer naar Jailolo te kunnen vinden. Dat vervoer bleek ’s morgens heel vroeg te vertrekken en werd uitgevoerd door microlets, kleine busjes, waarin men als een sardine tussen allerlei bagage werd vervoerd. Nee dat was niets voor mij en paste ik mijn plannen aan. Op advies van de chauffeurs zou ik naar Sofifi rijden, vandaar een speedboot naar Ternate en van Ternate weer een speedboot naar Jailolo. Dat was niet de kortste weg, maar wel de snelste. Om acht uur was ik al op weg. De auto was een Kijang Innova, het laatste lokale Indoproduct van de firma Toyota, voorin zit je voortreffelijk, ik had echter genoegen genomen met een plaatsje achterin, de derde rij, wel iets krap voor drie man. Ik zat niet echt comfortabel, maar was ermee akkoord gegaan omdat de auto snel was, de kwelling zou hoogstens drie uren duren. Helaas kwam er nog een andere ellende tevoorschijn in de vorm van een CD’tje van Oscar Harris, ik heb die twee keer moeten aanhoren, toen kwam er iets lokaals met veel door computer gegenereerde steelgitaren en dramatisch zingende Molukkers. Gelukkig stopten we om iets te eten, en waarschijnlijk echte koffie te drinken, dacht ik meteen. Toen de chauffeur mij vertelde dat er een etenspauze was, deed ik net alsof ik hem niet verstond en liet hem het herhalen en zei toe “Sorry, mijn westerse oren zitten verstopt met jouw muziek”, hij kreeg daarbij gratis mijn smile van oor tot oor cadeau.. Ik kwam een gewoon eethuis binnen, zag vis en bestelde vis en sayur, ook nog wat ajar en ging zwaaiend naar en tegen de vliegen zitten. Mijn eten werd gebracht en ik bestelde koffie. Ik keek naar de vis en zag een grote kop, dit kwam van een vis met een bijzonder grote kop en een klein lijfje. Ik had zo een kop ook al twee dagen geleden in Sidangoli op mijn bord gehad. Het zou kunnen zijn dat ze mij daarmee wilden pesten, maar ik neem echter aan dat de kop als lekkernij wordt beschouwd, het is bekend dat dit in Indonesië een delicatesse bevonden wordt. Is aan mij niet besteed en ik bracht hem terug, zei dat het eten van vissenkoppen niet tot het westerse gewoontenpakket behoorde en ruilde het schoteltje in voor het veel kleinere achterlijf. Het was natuurlijk niet zeker dat het achterlijf bij dit visje behoorde, maar zeker van een broertje of zusje. De koffie die geserveerd werd was groot en echt en ik genoot van de maaltijd en de blikken van twee jongedames die mijn ouwe kop in gedachten vergeleken met die zij op de TV hadden gezien. Wie weet zat ik er bij, doch wist bijna zeker van niet.
Boerenleven op Halmahera. Ossen kunnen goed manoeuvreren tussen de klapperbomen.
Een lunch
Quonset-loods in de haven van Tobelo
Dit gebouw uit ongeveer 1944 zou eigenlijk tot monument moeten worden gebombardeerd, er hebben er duizenden gestaan, vooral op het v/m Nederlands Nieuw Guinea. Ik heb er ooit een op Biak gezien, in Manokwari was er een tot restaurant omgebouwd en bovenstaande, de mooiste.
Wielenmakerij
Het doodmeppen van kalongs
Sprakeloos
Vervolg >>