Ik besloot een wandeling te gaan maken, het was een uur of 4 en buiten werd het koeler. Meestal is dat het eerste wat ik in een plaats doe waar ik net ben aangekomen, een wandeling maken, om de sfeer
te proeven en te kijken hoe de plek van mijn keuze eruit ziet. Het was aangenaam rustig in Laiwui, echter veel mensen keken schichtig weg toen ik eraan kwam, er begon zelfs een jongetje ‘orang Arab, orang Arab’ te roepen. Het was duidelijk dat er hier nauwelijks westerlingen kwamen en dat het wegkijken te maken had met malu en niet met afkeer. Men kan op Obi zonder dure paraboolantenne geen TV ontvangen. Ik liep de weg af die ik met de ojeg gekomen was en kwam op een gegeven moment bij de haven terecht. Ik liep voorbij de haven, daar was de bebouwing snel afgelopen en eindige in de rimboe. Ik liep weer terug en ging een kijkje in de haven nemen, op de steiger. Op elke steiger in de Molukken staat men te vissen, meestal jonge jongetjes, maar ook meisjes doen hier aan mee. Het is ongelofelijk hoeveel vis er naar boven wordt gehaald. Deze visjes zien er uit als sardines en kijkt men in het water dan ziet men er grote scholen van rondzwemmen. Er worden lijnen met haken gebruikt, zonder aas, daar bijten de visjes in. De grote jongens gebruiken deze visjes als aas en halen grotere vissen binnen. Ik heb daar vaak de geep gezien, een palingachtige vis met een soort snavel, erg lekker om te eten, echter je moet wel tegen de aanblik van de kopergroene graat kunnen. Ik werd aangesproken door een man op een brommertje, hij vroeg wat ik in Obi kwam doen, ik vertelde van mijn plannen omtrent het fort in Loji en dat ik daar een boot voor nodig had. Hij zei, “Ik heb een bootâ€, ik geloofde hem niet, maar ging er toch op in. “Wat voor boot?â€, vroeg ik. Hij omschreef een boot precies zoals ik in gedachten had, met een motor, en zelfs een dak tegen de zon. “Hoeveel moet dat gaan kosten?†vroeg ik, “heen en weer naar Lojiâ€, om zeker te zijn dat hij mij goed begreep. “750.000 Rpâ€, zei hij. Ik was stomverbaasd, want dat was precies het budget dat ik al een tijd in mijn hoofd had. “700.000 ?†dong ik af, dat was OK. Ik vroeg zijn naam. “Musa†zei hij. Ik sprak af voor de volgende dag zo vroeg mogelijk, in ieder geval niet later dan 0700 uur. We namen afscheid. Ik had honger gekregen, maar er waren nauwelijks eetgelegenheden. Ik zag een restaurantje waar ik normaal gesproken niet naar binnen zou gaan. Er stonden vis en groenten in de etalage, ik bestelde hetgeen de etalage te bieden had. De vrouw die het restaurant uitbaatte liep wat van hot naar haar, na een tijdje werd duidelijk dat de rijst op bllek te zijn, dus moest ik het zonder eten stellen. Ik liep terug naar Losmen Bahari, daar aangekomen sprak ik weer met Pak Santoso over van alles en nog wat, ik hield van zijn relativerende visie over Indonesië, vaak worden Indonesiërs lyrisch als ze over hun land vertellen, ze denken dat ze dan een goede nationalist zijn. Ze vergeten helemaal dat je hebt verteld dat je al jaren in Indonesie verblijft en nog meer van het land hebt gezien dan zij ooit in hun hele leven zullen zien. Ze vergeten dat een kritische houding veel positiever voor het land kan zijn. Nu worden zaken die niet door de beugel kunnen verzwegen, bang als men is om voor niet nationalistisch te worden aangezien. Kritiek is ongewenst, wordt zelfs als gevaarlijk beschouwd, een overblijfsel van de Orba-periode (orde baru onder Soeharto). Het is veel veiliger om af te geven op het buitenland, immers daar komt al het slechte vandaan, en Indonesië als de hemel op aarde te beschouwen. Ik vroeg pak Santoso waar er gegeten kon worden. Hij zei dat er verderop een redelijk goed eettentje was en stelde voor daar samen naar toe te gaan. We liepen de tegengestelde richting uit dan vanwaar ik gekomen was. We kwamen aan bij iets dat meer op een ‘stad’ leek dan dat ik had gezien, Laiwui is immers de hoofdplaats van Obi, een eiland van 3900 km². Er was een hoofdstraat, met winkels, velen nog met een inrichting die aan het einde van de zestiger jaren als zeer modern beschouwd werd. Het soort interieurs, houten vitrinekasten, die op Java al jarenlang geleden zijn opgekocht door antiekhandelaren. We stopten bij een pleintje met een paar restaurantjes en gingen er bij eentje binnen, die volgens Santoso schoon was. Er stond kip, ei en vis op het menu. Ik ging voor de vis en bestelde er es teh manis bij. De vis was wat men hier ‘ikan dalam’ noemt, dat zijn vissen die tussen het koraal zwemmen, het is maar goed dat als deze gebakken zijn men de prachtige kleuren niet ziet, ken je die, dan zou de eetlust wel eens grondig bedorven kunnen wezen. Het smaakte mij geweldig want ik had al sinds uren geleden erge honger. Na het eten gingen we een lokale supermarkt binnen, uiteraard uitgebaat door een Chinees. Het was verbazingwekkend hoeveel soorten goederen er daar werden verkocht, hetgeen wat opviel was de grote make-up en andere smeerseltjes afdeling, met tevens een grote collectie van diverse merken shampoo. Dat laatste is zeer belangrijk in Indonesië, want haar wordt beschouwd als de ‘kroon der mensheid’ (mahkota manusia). In een supermarkt is er meestal een hele gang aan shampoo gewijd. Ik vroeg om een grote fles Aqua, die was niet in voorraad. Door de onzekere situatie op Ternate ontstonden er al tekorten in het gebied dat afhankelijk was van Ternate. Chinese handelaren worden altijd heel voorzichtig als er een instabiele politieke situatie dreigt. Zo een toestand kan heel snel omslaan in rellen en de daarbij gepaarde plunderingen, waarvoor altijd Chinezen worden uitgezocht. Toen ik terug in het losmen kwam, zat Musa op mij te wachten, ik vroeg wat er aan de hand was. Hij zei dat hij een man extra nodig had om op de boot te letten als wij aan land waren, de zee was nogal ruw om deze tijd van het jaar. Ik achtte zijn verhaal aannemelijk en vroeg hoeveel hij nodig had. “100.000†was zijn antwoord, we maakten het op 50.000 Rp af.
De volgende ochtend ging ik vroeg op pad om te ontbijten, op mijn weg kwam ik een tukang ojeg tegen die zei dat hij in opdracht van Musa kwam om mij op te halen. Het was net half zeven terwijl ik om ongeveer 0700 uur had afgesproken. Ik stond voor het blok, ontbijten of meegaan. Ik woog de mogelijkheden, de tocht was zwaarder, ik moest rekening houden met het weer. En natuurlijk dat ik met een Indonesiër te maken had die van klok kijken hield. Om twee uur in de middag zou het zo hard waaien dat de golven witte schuimkoppen zouden vertonen, als teken dat kleine bootjes zich niet op zee moeten wagen. Ik liet me terug naar het losmen rijden, pakte mijn rugzakje met daarin mijn camera en andere essentiële behoeften en ging op pad. Onderweg kocht ik een fles Aqua, ik had nog een zak Kopiko snoepjes in voorraad, daar zou ik het mee moeten doen. In mijn maag zaten twee kleine zoete broodjes die ik bij de ochtendkoffie had verorberd. We kwamen bij een steiger aan en daar lag het bootje van Musa. Het zag er zeer goed uit, het had een dak van zeildoek, dat is voor dit soort trips over zee zeer belangrijk. Door de weerschijn van de zon op het zeewater kan men levend verbranden, door de spiegeling. De zon raakte je overal en dat voel je dagen. Zelfs het dragen van een petje kan niet voorkomen dat het gezicht verbrand, meestal zo erg dat er na een paar dagen de vellen er bij hangen. Dat is letterlijk en figuurlijk geen gezicht. Het bootje werd met de punt bij het strand gebracht en ik werd verzocht in te stappen, ik kroop diep bukkend onder het dak door en zocht een plaatsje. Heerlijk zo een boot helemaal voor jezelf, Musa startte de motor en we gingen op weg. Hij had een jochie mee die hem hielp. We voeren de baai uit en kon ik zien dat Laiwui vrij uitgestrekt was, aan het strand lagen vissersboten en ook werden er stenen en zand verzameld, voor de bouw. De baai werd aan de overzijde afgesloten door een groot eiland, daar had de boot uit Bacan aangemeerd toen ik aankwam, echter aan de andere kant. Na Laiwui zag ik nog een kampung, en toen werd het leeg, geen huis of sterveling meer te bekennen. Het landschap was in mijn ogen saai, vaak kaal, af en toe bos. Ik lette meer op het water, omdat je om een eiland heen aan het varen bent, door baaien en langs kapen veranderd het water voortdurend van kleur en van golfslag, een boeiend schouwspel. Musa had er stevig de vaart in, af en toe vroeg ik iets. Ik vernam onder andere dat hij van Buginese afkomst was, dat gaf me een extra veilig gevoel, want Buginezen zijn de zeevaarders van Indonesië, veel van hen zijn op een schip geboren. Het varen zit de Buginees in het bloed. Ook de handel, dat was wel gebleken uit de snelle transactie die ik met hem had gemaakt, en waar hij aan het einde precies had gekregen wat hij wilde. We kwamen langs het eiland Belangbelang, althans dat zag ik vanuit de verte. Op dat eiland waren er nog de restanten van een huis te zien dat ooit door een Nederlander werd bewoond, vertelde Musa. Die Belanda had er koeien gehouden en een klappertuin geëxploiteerd. Hij is er dood gegaan en ligt er begraven. Het eiland was vlak en er leefde allerlei wild, zoals herten, wilde runderen. Misschien waren de laatste wel verwilderd. Ook zouden er veel vogels rondvliegen, het klonk heel erg aantrekkelijk om te bezoeken, echter ik had daar geen tijd voor, mijn bestemming was Loji en dat was nog een eind weg. Ook op zee waren af en toe vogels te zien, boven scholen vis of rustend op een stuk hout. Heel grappig om een stuk bijna gezonken boomstam te zien waarop een tiental vogels die zich op en neer door de golfslag laten gaan. Ze zijn dan aan het uitrusten, althans dat leek mij zo. Het soort vogels was me onbekend, ze waren wit, maar geen meeuwen. Ook zag ik diverse visarenden. Ik hoorde van Musa dat dit gebied van Obi allemaal nikkel was en ontwikkeld zou worden voor exploitatie. Op de boot naar Obi was ik een groep van Javaanse geologen tegengekomen die op Obi ging werken om op zoek te gaan naar metalen, vooral nikkel en de mogelijkheid van exploitatie. Het eiland Latu, tegenover Obi bleek ook helemaal uit nikkel te bestaan. Ik probeerde me voor te stellen hoe dit gebied er na de exploitatie van et nikkel uit zou zien, dan zou het waarschijnlijk op de maan gelijken. Ik herinner me dat ik jaren geleden eens over het tineiland Bangka ben gevlogen, dat zag er uit als een maanlandschap. Honderden ronde putten gevuld met water die overgebleven waren na de tinwinning. Er omheen groeide niets want de grond was onvruchtbaar. Het zou toch een verplichting moeten zijn dat de bedrijven die de mijnwerkzaamheden uitvoerden de boel netjes achterlaten. Nou was de exploitatie van tin op Bangka al eeuwen oud, en dat gebeurde in het verleden handmatig en kleinschalig. Echter voor mijnbouw vandaag de dag worden grote machines ingezet die de grond per kilometer opvreten, deze laten gigantische gaten achter in het landschap. Nou zal niemand dat snel opvallen op een zeer dun bevolkt eiland als Obi. Dat is echter een reden temeer om de bedrijven die hier werken en gaan werken extra in de gaten te houden. Tegen een relatief kleine betaling kan in Indonesië de wetgeving buitenspel worden gezet. Milieurampen in gebieden waar mijnbouw plaatsvindt komen met de regelmaat van de klok voor. Obi lijkt bij uitstek een gebied waar de bedrijven hun eigen wetten kunnen maken, omdat ze over het geld beschikken om deze af te kopen.
Fort Den Briel – Loji – Pulau Obi (II)
te proeven en te kijken hoe de plek van mijn keuze eruit ziet. Het was aangenaam rustig in Laiwui, echter veel mensen keken schichtig weg toen ik eraan kwam, er begon zelfs een jongetje ‘orang Arab, orang Arab’ te roepen. Het was duidelijk dat er hier nauwelijks westerlingen kwamen en dat het wegkijken te maken had met malu en niet met afkeer. Men kan op Obi zonder dure paraboolantenne geen TV ontvangen. Ik liep de weg af die ik met de ojeg gekomen was en kwam op een gegeven moment bij de haven terecht. Ik liep voorbij de haven, daar was de bebouwing snel afgelopen en eindige in de rimboe. Ik liep weer terug en ging een kijkje in de haven nemen, op de steiger. Op elke steiger in de Molukken staat men te vissen, meestal jonge jongetjes, maar ook meisjes doen hier aan mee. Het is ongelofelijk hoeveel vis er naar boven wordt gehaald. Deze visjes zien er uit als sardines en kijkt men in het water dan ziet men er grote scholen van rondzwemmen. Er worden lijnen met haken gebruikt, zonder aas, daar bijten de visjes in. De grote jongens gebruiken deze visjes als aas en halen grotere vissen binnen. Ik heb daar vaak de geep gezien, een palingachtige vis met een soort snavel, erg lekker om te eten, echter je moet wel tegen de aanblik van de kopergroene graat kunnen. Ik werd aangesproken door een man op een brommertje, hij vroeg wat ik in Obi kwam doen, ik vertelde van mijn plannen omtrent het fort in Loji en dat ik daar een boot voor nodig had. Hij zei, “Ik heb een bootâ€, ik geloofde hem niet, maar ging er toch op in. “Wat voor boot?â€, vroeg ik. Hij omschreef een boot precies zoals ik in gedachten had, met een motor, en zelfs een dak tegen de zon. “Hoeveel moet dat gaan kosten?†vroeg ik, “heen en weer naar Lojiâ€, om zeker te zijn dat hij mij goed begreep. “750.000 Rpâ€, zei hij. Ik was stomverbaasd, want dat was precies het budget dat ik al een tijd in mijn hoofd had. “700.000 ?†dong ik af, dat was OK. Ik vroeg zijn naam. “Musa†zei hij. Ik sprak af voor de volgende dag zo vroeg mogelijk, in ieder geval niet later dan 0700 uur. We namen afscheid. Ik had honger gekregen, maar er waren nauwelijks eetgelegenheden. Ik zag een restaurantje waar ik normaal gesproken niet naar binnen zou gaan. Er stonden vis en groenten in de etalage, ik bestelde hetgeen de etalage te bieden had. De vrouw die het restaurant uitbaatte liep wat van hot naar haar, na een tijdje werd duidelijk dat de rijst op bllek te zijn, dus moest ik het zonder eten stellen. Ik liep terug naar Losmen Bahari, daar aangekomen sprak ik weer met Pak Santoso over van alles en nog wat, ik hield van zijn relativerende visie over Indonesië, vaak worden Indonesiërs lyrisch als ze over hun land vertellen, ze denken dat ze dan een goede nationalist zijn. Ze vergeten helemaal dat je hebt verteld dat je al jaren in Indonesie verblijft en nog meer van het land hebt gezien dan zij ooit in hun hele leven zullen zien. Ze vergeten dat een kritische houding veel positiever voor het land kan zijn. Nu worden zaken die niet door de beugel kunnen verzwegen, bang als men is om voor niet nationalistisch te worden aangezien. Kritiek is ongewenst, wordt zelfs als gevaarlijk beschouwd, een overblijfsel van de Orba-periode (orde baru onder Soeharto). Het is veel veiliger om af te geven op het buitenland, immers daar komt al het slechte vandaan, en Indonesië als de hemel op aarde te beschouwen. Ik vroeg pak Santoso waar er gegeten kon worden. Hij zei dat er verderop een redelijk goed eettentje was en stelde voor daar samen naar toe te gaan. We liepen de tegengestelde richting uit dan vanwaar ik gekomen was. We kwamen aan bij iets dat meer op een ‘stad’ leek dan dat ik had gezien, Laiwui is immers de hoofdplaats van Obi, een eiland van 3900 km². Er was een hoofdstraat, met winkels, velen nog met een inrichting die aan het einde van de zestiger jaren als zeer modern beschouwd werd. Het soort interieurs, houten vitrinekasten, die op Java al jarenlang geleden zijn opgekocht door antiekhandelaren. We stopten bij een pleintje met een paar restaurantjes en gingen er bij eentje binnen, die volgens Santoso schoon was. Er stond kip, ei en vis op het menu. Ik ging voor de vis en bestelde er es teh manis bij. De vis was wat men hier ‘ikan dalam’ noemt, dat zijn vissen die tussen het koraal zwemmen, het is maar goed dat als deze gebakken zijn men de prachtige kleuren niet ziet, ken je die, dan zou de eetlust wel eens grondig bedorven kunnen wezen. Het smaakte mij geweldig want ik had al sinds uren geleden erge honger. Na het eten gingen we een lokale supermarkt binnen, uiteraard uitgebaat door een Chinees. Het was verbazingwekkend hoeveel soorten goederen er daar werden verkocht, hetgeen wat opviel was de grote make-up en andere smeerseltjes afdeling, met tevens een grote collectie van diverse merken shampoo. Dat laatste is zeer belangrijk in Indonesië, want haar wordt beschouwd als de ‘kroon der mensheid’ (mahkota manusia). In een supermarkt is er meestal een hele gang aan shampoo gewijd. Ik vroeg om een grote fles Aqua, die was niet in voorraad. Door de onzekere situatie op Ternate ontstonden er al tekorten in het gebied dat afhankelijk was van Ternate. Chinese handelaren worden altijd heel voorzichtig als er een instabiele politieke situatie dreigt. Zo een toestand kan heel snel omslaan in rellen en de daarbij gepaarde plunderingen, waarvoor altijd Chinezen worden uitgezocht. Toen ik terug in het losmen kwam, zat Musa op mij te wachten, ik vroeg wat er aan de hand was. Hij zei dat hij een man extra nodig had om op de boot te letten als wij aan land waren, de zee was nogal ruw om deze tijd van het jaar. Ik achtte zijn verhaal aannemelijk en vroeg hoeveel hij nodig had. “100.000†was zijn antwoord, we maakten het op 50.000 Rp af.
De volgende ochtend ging ik vroeg op pad om te ontbijten, op mijn weg kwam ik een tukang ojeg tegen die zei dat hij in opdracht van Musa kwam om mij op te halen. Het was net half zeven terwijl ik om ongeveer 0700 uur had afgesproken. Ik stond voor het blok, ontbijten of meegaan. Ik woog de mogelijkheden, de tocht was zwaarder, ik moest rekening houden met het weer. En natuurlijk dat ik met een Indonesiër te maken had die van klok kijken hield. Om twee uur in de middag zou het zo hard waaien dat de golven witte schuimkoppen zouden vertonen, als teken dat kleine bootjes zich niet op zee moeten wagen. Ik liet me terug naar het losmen rijden, pakte mijn rugzakje met daarin mijn camera en andere essentiële behoeften en ging op pad. Onderweg kocht ik een fles Aqua, ik had nog een zak Kopiko snoepjes in voorraad, daar zou ik het mee moeten doen. In mijn maag zaten twee kleine zoete broodjes die ik bij de ochtendkoffie had verorberd. We kwamen bij een steiger aan en daar lag het bootje van Musa. Het zag er zeer goed uit, het had een dak van zeildoek, dat is voor dit soort trips over zee zeer belangrijk. Door de weerschijn van de zon op het zeewater kan men levend verbranden, door de spiegeling. De zon raakte je overal en dat voel je dagen. Zelfs het dragen van een petje kan niet voorkomen dat het gezicht verbrand, meestal zo erg dat er na een paar dagen de vellen er bij hangen. Dat is letterlijk en figuurlijk geen gezicht. Het bootje werd met de punt bij het strand gebracht en ik werd verzocht in te stappen, ik kroop diep bukkend onder het dak door en zocht een plaatsje. Heerlijk zo een boot helemaal voor jezelf, Musa startte de motor en we gingen op weg. Hij had een jochie mee die hem hielp. We voeren de baai uit en kon ik zien dat Laiwui vrij uitgestrekt was, aan het strand lagen vissersboten en ook werden er stenen en zand verzameld, voor de bouw. De baai werd aan de overzijde afgesloten door een groot eiland, daar had de boot uit Bacan aangemeerd toen ik aankwam, echter aan de andere kant. Na Laiwui zag ik nog een kampung, en toen werd het leeg, geen huis of sterveling meer te bekennen. Het landschap was in mijn ogen saai, vaak kaal, af en toe bos. Ik lette meer op het water, omdat je om een eiland heen aan het varen bent, door baaien en langs kapen veranderd het water voortdurend van kleur en van golfslag, een boeiend schouwspel. Musa had er stevig de vaart in, af en toe vroeg ik iets. Ik vernam onder andere dat hij van Buginese afkomst was, dat gaf me een extra veilig gevoel, want Buginezen zijn de zeevaarders van Indonesië, veel van hen zijn op een schip geboren. Het varen zit de Buginees in het bloed. Ook de handel, dat was wel gebleken uit de snelle transactie die ik met hem had gemaakt, en waar hij aan het einde precies had gekregen wat hij wilde. We kwamen langs het eiland Belangbelang, althans dat zag ik vanuit de verte. Op dat eiland waren er nog de restanten van een huis te zien dat ooit door een Nederlander werd bewoond, vertelde Musa. Die Belanda had er koeien gehouden en een klappertuin geëxploiteerd. Hij is er dood gegaan en ligt er begraven. Het eiland was vlak en er leefde allerlei wild, zoals herten, wilde runderen. Misschien waren de laatste wel verwilderd. Ook zouden er veel vogels rondvliegen, het klonk heel erg aantrekkelijk om te bezoeken, echter ik had daar geen tijd voor, mijn bestemming was Loji en dat was nog een eind weg. Ook op zee waren af en toe vogels te zien, boven scholen vis of rustend op een stuk hout. Heel grappig om een stuk bijna gezonken boomstam te zien waarop een tiental vogels die zich op en neer door de golfslag laten gaan. Ze zijn dan aan het uitrusten, althans dat leek mij zo. Het soort vogels was me onbekend, ze waren wit, maar geen meeuwen. Ook zag ik diverse visarenden. Ik hoorde van Musa dat dit gebied van Obi allemaal nikkel was en ontwikkeld zou worden voor exploitatie. Op de boot naar Obi was ik een groep van Javaanse geologen tegengekomen die op Obi ging werken om op zoek te gaan naar metalen, vooral nikkel en de mogelijkheid van exploitatie. Het eiland Latu, tegenover Obi bleek ook helemaal uit nikkel te bestaan. Ik probeerde me voor te stellen hoe dit gebied er na de exploitatie van et nikkel uit zou zien, dan zou het waarschijnlijk op de maan gelijken. Ik herinner me dat ik jaren geleden eens over het tineiland Bangka ben gevlogen, dat zag er uit als een maanlandschap. Honderden ronde putten gevuld met water die overgebleven waren na de tinwinning. Er omheen groeide niets want de grond was onvruchtbaar. Het zou toch een verplichting moeten zijn dat de bedrijven die de mijnwerkzaamheden uitvoerden de boel netjes achterlaten. Nou was de exploitatie van tin op Bangka al eeuwen oud, en dat gebeurde in het verleden handmatig en kleinschalig. Echter voor mijnbouw vandaag de dag worden grote machines ingezet die de grond per kilometer opvreten, deze laten gigantische gaten achter in het landschap. Nou zal niemand dat snel opvallen op een zeer dun bevolkt eiland als Obi. Dat is echter een reden temeer om de bedrijven die hier werken en gaan werken extra in de gaten te houden. Tegen een relatief kleine betaling kan in Indonesië de wetgeving buitenspel worden gezet. Milieurampen in gebieden waar mijnbouw plaatsvindt komen met de regelmaat van de klok voor. Obi lijkt bij uitstek een gebied waar de bedrijven hun eigen wetten kunnen maken, omdat ze over het geld beschikken om deze af te kopen.
Hier de kaart van Obi met de locatie van Loji
vervolg>>