01 juli 2009: Fort Den Briel – Loji – Pulau Obi (III)
"Kawasi" riep Musa wijzend op een steiger in de verte, en hij voegde er het woord "Nikel" aan toe. Ik had dit woord sinds mijn aankomst op Obi vaak gehoord, het scheen voor sommigen een toverwoord,
maar Musa trok er een blik van afschuw bij. Ik kon me daarbij veel voorstellen. We hadden twee-en-een-half uur gevaren “Nog even en we zijn er”, zei Musa, “ik vaar de boot naar het strand toe en dan moet jij eraf springen, dan vaar ik terug en zoek ik een ankerplaats, daarna kom ik wel naar het strand toe zwemmen”. Ik was verbaasd om dit te horen, geloofde Musa maar half. Er kan echter op een schip maar een persoon de kapitein wezen. Ik deed mijn rugzak om en wachtte op het teken van Musa, die geconcentreerd bezig was om door de golven bij het strand te komen. De branding kwam mij heftig voor, maar ik had vertrouwen in Musa. Plots hoorde ik de boot over het zand schuren, Musa riep ‘Ya, sekarang’ en ik sprong. Ik had het gevoel alsof ik aan de landing in juni 1944 op D-day in Normandië meedeed. Het op deze manier aanlanden gaf mij een spannend gevoel, het was net of ik aan een verhaal uit een jongensboek meedeed. Ik liep vlug het strand op en zag de boot van Musa hevig heen en weer gaan in de branding. Nu ik keek kwam mij de zee heel wat woeliger voor dan toen ik op de boot zat. Ik bedacht me opeens dat het met deze hoge golven eigenlijk niet mogelijk was om te varen, maar vlug zette ik dit doemdenken uit mijn hoofd. Door de hevige deining verdween de boot af en toe uit het oog. Ik vroeg me af wat er gebeurde. Ik zocht de schaduw van een boom op om verder te kijken. Ik had er niet zo een goed gevoel bij, want ik zag Musa en zijn hulpje krachtig hozen. Dat hozen duurde een eeuwigheid, ik keek eens om me heen.Er stond hier allerlei zware machinerie en er waren op diverse plekken mensen aan het werk. Langs het strand kwam er een gezin langs, een man, vrouw, vier kinderen en een scheeflopende hond. Vreemd hoe honden diagonaal vooruit kunnen lopen, dit beest met zijn lichaam wel 45 graden gedraaid op zijn looppad, misschien was het zo gemakkelijker om achterom te kijken, wat het beestje zeer geregeld deed. Nog steeds werd er in de prauw, die voorbij de branding lag, gehoosd. Ik besloot af te wachten en een kijkje om me heen te gaan nemen. Vlak bij het strand waren mannen bezig zakken met zand te vullen en deze op een auto te laden. Een auto, behalve dan voor openbaar vervoer, had ik nog niet op Obi gezien. Ik werd opeens tegen gehouden door een man met een walkietalkie in zijn hand. “Wat doe jij hier?” schreeuwde hij mij toe. “Ik ben toerist”, zei ik, “op zoek naar een fort”. “Je mag hier helemaal niet komen”, zei hij. “Dit gebied is verboden terrein voor mensen die niet voor het nikkelbedrijf werken”. “Hoezo verboden?” vroeg ik, “dit is toch gewoon Indonesië, ik zie nergens bordjes met verboden toegang of hekken, voor heel Indonesië heb ik een stempeltje in mijn paspoort”. “Je mag hier niet komen je moet terug”, schreeuwde hij. Ik begon te lachen en wees op de boot in de branding, “Hoe kom ik daar?” Er kwamen een paar arbeiders kijken, typisch Indonesisch die nieuwsgierigheid, die zo aandringend kan zijn dat alle bezigheden plotsklaps vergeten worden, belangrijk of niet, de nieuwsgierigheid wint altijd.. De man met de walkietalkie ging in zijn apparaat staan praten. Het zeer komische van de situatie drong tot mij door. Aan alles was te zien dat er hier pas onlangs een project was begonnen, men werkte enthousiast, opeens kwam er uit het niets een blanke met een camera om zijn nek opgedoken. Iemand van de beveiliging, dat is een noodzaak in Indonesië, die hiermee werd geconfronteerd dacht natuurlijk meteen aan een mata-mata, een spion. Ik werd verzocht mij bij een kantoortje in een houten gebouwtje verderop, de ‘pos keamanan’ te melden. Ik werd gebracht door een jongeman, van het eiland afkomstig. De werkenden die ik onderweg tegenkwam waren zeer vriendelijk en maakten een praatje. Bij het kantoor werd ik ontvangen door een dikke Javaan, die heel vriendelijk was. Hij vroeg een paar zaken, onder andere, waar ik in Indonesië verbleef. Toen ik ‘Solo’ antwoordde, fleurde hij helemaal op, hij bleek ook uit Solo afkomstig te zijn. Na wat verder praten bleek zijn huis op nog geen drie kilometer van het mijne gelegen te zijn. Op zo een afstand ben je dan buren, en op Java meteen vrienden.
Mijn naam en reden tot bezoek werden in een boek opgeschreven. Mij werd de richting van het fort gewezen met de waarschuwing om voorzichtig te zijn voor de dragline die een paar honderd meter verderop stond te graven en daar een zandauto aan het vullen was. Opeens dook Musa bij het houten kantoortje op, hij droop van het water. Hij zei dat hij was komen zwemmen, dat de boot door de golven was geraakt en onder gelopen. Ik had het gezien zei ik, in stilte had ik bewondering voor hem, want ik zag dat hij moeilijke momenten had doorgemaakt. Musa en ik gingen op weg in de richting die ons was gewezen. Hij droop nog van het zeewater, maar dat was net of dat bij hem hoorde, deze Neptunes. Nadat we het hele terrein waren overgestoken zagen we een kantine en opslagplaats waar we om het fortje vroegen, er werd in een richting gewezen die we volgden. In het kantoor had ik vernomen dat hier een grote betonen steiger en opslagruimte voor het nikkelerts zou worden gebouwd. De steiger zou bestemd worden voor grote schepen uit het buitenland, Australië en China. We liepen over een gebulldozerde weg, opeens zag ik scherven van Chinees porselein, dat vindt men altijd in de buurt van forten. Vlak voor me ontwaarden zich de contouren van iets dat ooit een gebouwtje zou kunnen zijn geweest, maar het was zeer klein en overal begroeid. Ik kon nauwelijks door de begroeiing heendringen. Wat er nog over was waren een paar restanten van muren. Aan de gebruikte steensoort, koraal, was te zien dat het gebouwde uit de Portugese tijd dateerde. Ik wist niet wat ik moest denken, was ik zover gekomen, alleen maar om deze ruïne te zien? Ik liep er een paar maal omheen en keek goed, maar zag niets opwindends, behalve wat kleine scherven. Vlakbij was een riviertje, een voorwaarde voor een fort om in tijden van conflicten over voldoende water te beschikken. Hoewel de vijand kon dit water ook vergiftigen. Ik maakte wat foto’s en zei tegen Musa dat we weer terug konden gaan. Ik was nog steeds stomverbaasd over het weinige dat ik te zien had gekregen, daar had ik geen rekening mee gehouden, hoewel het waarschijnlijker is niets dan iets aan te treffen. Dit was de eerste nieuwe locatie die ik op deze reis te zien had gekregen. De forten die ik voorheen had bezocht waren allemaal als fort herkenbaar geweest. Dit leek er niet op. Onderweg terug vertelde Musa mij dat hij een probleem had, hij durfde niet met de boot naar het strand, te gevaarlijk. Hij zou vragen of de mannen van het nikkelbedrijf mij naar de steiger in Kawasi konden brengen. Ik hoorde Musa gelaten aan, ik wist dat hij de waarheid sprak en was blij dat ik hem mijn vertrouwen had gegeven, hij leek dat mij meer dan waard. We keken wat rond op het terrein, vlug want ik vertrouwde de nikkelmannen niet volledig. Er was overigens weinig meer te zien, dan wat apparatuur voor grondverzet, men verkeerde nog in het stadium van de voorbereidende werkzaamheden. We kwamen terug bij het kantoortje, waar het wat drukker was geworden en werden heel vrolijk ontvangen. We kregen koffie aangeboden en er werd gevraagd om te gaan zitten. Echt Indonesisch, niemand dacht meer aan werken, eerst met de bule ouwehoeren, dat was belangrijker. Zo vaak kom je een toerist die rap Indonesisch spreekt niet tegen, zeker niet in de rimboe op Obi. Er waren diverse mensen afkomstig van Java, een Butonees. De man die mij op het strand had ‘betrapt’ bleek een Ambonees te zijn. Het waren eigenlijk allemaal mensen van ‘buiten’, slecht een paar mensen van het eiland zelf, dat mij nou niet uit leek te blinken als plek met veel werkgelegenheid. Er werd over het fort verteld dat ze bij het bulldozeren veel scherven hadden gevonden. Dat er later om de plek een hek zou komen om de locatie te beschermen, ach de bekende mooie verhalen. Ik bedacht mezelf dat als ze wat stenen nodig zouden hebben om hun steiger te versterken, dat ze rustig het hele fortje in vrachtwagens zouden laden om de stenen voor metselwerk te gebruiken. Niemand zou nooit meer iets van het gebouwtje terugzien, dáááág geschiedenis. Op dat moment zou ik de laatste westerling zijn geweest die het fort ‘Den Briel’ nog had aanschouwd, althans wat er van het fort over was. Musa ging vragen of ik naar de steiger in Kawasi gebracht kon worden, dat was geen enkel probleem want één van de mannen, een geoloog uit Jakarta zou met zijn verzamelde gegevens aanstonds vertrekken.
Er kwam een auto voorrijden, Musa ging naar zijn boot terug en ik stapte in de auto. Die rook van binnen nog nieuw, de stoelen zaten nog in het plastic verpakt. We reden over een gebulldozerde weg door de jungle. Ik sprak met de mannen over de winning van nikkel, maar ze waren nu niet meer zo spraakzaam als onder de koffie. Ik denk dat ze blij waren dat ik wegging. Afijn mijn missie was voor het belangrijkste gedeelte achter de rug. Ik zat me af te vragen of deze nou was mislukt, of hoopte ik te veel op complete forten. Om zo een puinhoop aan te treffen was toch het risico. Je ziet altijd wel iets terug, maar was dat de moeite waard? Ik voel me geen archeoloog, ik wil graag complete gebouwen zien, verwaarloosd of om op het punt in te storten deerde me niet, als ik maar een fort kon herkennen. Ik was eens in Semarang op zoek naar het VOC fort, waar ik foto’s van had en de locatie van wist, na een heel gezoek kwam ik tot de conclusie dat het was verdwenen, niet eens zo lang geleden. Er stond nog een bijgebouw, dat was het. Ik heb dat toen niet eens gefotografeerd. We kwamen inmiddels langs werkplaatsen en toen bij de steiger, die bleek speciaal gebouwd te zijn als logistieke ondersteuning van de nikkelprojecten in deze omgeving. Het was een staatsbedrijf en de gebouwen hier waren allemaal eigendom van de overheid. Wat opviel was de dikke knalrode aarde. Ik nam afscheid van de mannen en liep naar de steiger om af te wachten wat er ging gebeuren. Ook hier weer mensen die aan het vissen waren. Het wachten duurde lang, zeer lang. Ik vroeg me af of er iets met Musa gebeurd zou zijn, maar vlug zette ik die gedachten uit mijn hoofd. Dat dachten mensen ook altijd over mij als ik weer eens een tijdje verdwenen was, als ze dan zoiets zeiden, dan lachte ik en zei “doe niet zo maf”. Na zo een anderhalf uur wachten kwam Musa eindelijk aangevaren, hij maande me tot snel instappen en we gingen op weg, terug naar Laiwui.
De prauw van kapitein Musa in de golven
Het begin van de bouw van een steiger.
De gratis taxi
De steiger in Kawasi
Nogmaals de zelfde steiger, rood van de aarde, het lijkt wel menie
01 juli 2009: Fort Den Briel – Loji – Pulau Obi (III)
maar Musa trok er een blik van afschuw bij. Ik kon me daarbij veel voorstellen. We hadden twee-en-een-half uur gevaren “Nog even en we zijn er”, zei Musa, “ik vaar de boot naar het strand toe en dan moet jij eraf springen, dan vaar ik terug en zoek ik een ankerplaats, daarna kom ik wel naar het strand toe zwemmen”. Ik was verbaasd om dit te horen, geloofde Musa maar half. Er kan echter op een schip maar een persoon de kapitein wezen. Ik deed mijn rugzak om en wachtte op het teken van Musa, die geconcentreerd bezig was om door de golven bij het strand te komen. De branding kwam mij heftig voor, maar ik had vertrouwen in Musa. Plots hoorde ik de boot over het zand schuren, Musa riep ‘Ya, sekarang’ en ik sprong. Ik had het gevoel alsof ik aan de landing in juni 1944 op D-day in Normandië meedeed. Het op deze manier aanlanden gaf mij een spannend gevoel, het was net of ik aan een verhaal uit een jongensboek meedeed. Ik liep vlug het strand op en zag de boot van Musa hevig heen en weer gaan in de branding. Nu ik keek kwam mij de zee heel wat woeliger voor dan toen ik op de boot zat. Ik bedacht me opeens dat het met deze hoge golven eigenlijk niet mogelijk was om te varen, maar vlug zette ik dit doemdenken uit mijn hoofd. Door de hevige deining verdween de boot af en toe uit het oog. Ik vroeg me af wat er gebeurde. Ik zocht de schaduw van een boom op om verder te kijken. Ik had er niet zo een goed gevoel bij, want ik zag Musa en zijn hulpje krachtig hozen. Dat hozen duurde een eeuwigheid, ik keek eens om me heen.Er stond hier allerlei zware machinerie en er waren op diverse plekken mensen aan het werk. Langs het strand kwam er een gezin langs, een man, vrouw, vier kinderen en een scheeflopende hond. Vreemd hoe honden diagonaal vooruit kunnen lopen, dit beest met zijn lichaam wel 45 graden gedraaid op zijn looppad, misschien was het zo gemakkelijker om achterom te kijken, wat het beestje zeer geregeld deed. Nog steeds werd er in de prauw, die voorbij de branding lag, gehoosd. Ik besloot af te wachten en een kijkje om me heen te gaan nemen. Vlak bij het strand waren mannen bezig zakken met zand te vullen en deze op een auto te laden. Een auto, behalve dan voor openbaar vervoer, had ik nog niet op Obi gezien. Ik werd opeens tegen gehouden door een man met een walkietalkie in zijn hand. “Wat doe jij hier?” schreeuwde hij mij toe. “Ik ben toerist”, zei ik, “op zoek naar een fort”. “Je mag hier helemaal niet komen”, zei hij. “Dit gebied is verboden terrein voor mensen die niet voor het nikkelbedrijf werken”. “Hoezo verboden?” vroeg ik, “dit is toch gewoon Indonesië, ik zie nergens bordjes met verboden toegang of hekken, voor heel Indonesië heb ik een stempeltje in mijn paspoort”. “Je mag hier niet komen je moet terug”, schreeuwde hij. Ik begon te lachen en wees op de boot in de branding, “Hoe kom ik daar?” Er kwamen een paar arbeiders kijken, typisch Indonesisch die nieuwsgierigheid, die zo aandringend kan zijn dat alle bezigheden plotsklaps vergeten worden, belangrijk of niet, de nieuwsgierigheid wint altijd.. De man met de walkietalkie ging in zijn apparaat staan praten. Het zeer komische van de situatie drong tot mij door. Aan alles was te zien dat er hier pas onlangs een project was begonnen, men werkte enthousiast, opeens kwam er uit het niets een blanke met een camera om zijn nek opgedoken. Iemand van de beveiliging, dat is een noodzaak in Indonesië, die hiermee werd geconfronteerd dacht natuurlijk meteen aan een mata-mata, een spion. Ik werd verzocht mij bij een kantoortje in een houten gebouwtje verderop, de ‘pos keamanan’ te melden. Ik werd gebracht door een jongeman, van het eiland afkomstig. De werkenden die ik onderweg tegenkwam waren zeer vriendelijk en maakten een praatje. Bij het kantoor werd ik ontvangen door een dikke Javaan, die heel vriendelijk was. Hij vroeg een paar zaken, onder andere, waar ik in Indonesië verbleef. Toen ik ‘Solo’ antwoordde, fleurde hij helemaal op, hij bleek ook uit Solo afkomstig te zijn. Na wat verder praten bleek zijn huis op nog geen drie kilometer van het mijne gelegen te zijn. Op zo een afstand ben je dan buren, en op Java meteen vrienden.
Mijn naam en reden tot bezoek werden in een boek opgeschreven. Mij werd de richting van het fort gewezen met de waarschuwing om voorzichtig te zijn voor de dragline die een paar honderd meter verderop stond te graven en daar een zandauto aan het vullen was. Opeens dook Musa bij het houten kantoortje op, hij droop van het water. Hij zei dat hij was komen zwemmen, dat de boot door de golven was geraakt en onder gelopen. Ik had het gezien zei ik, in stilte had ik bewondering voor hem, want ik zag dat hij moeilijke momenten had doorgemaakt. Musa en ik gingen op weg in de richting die ons was gewezen. Hij droop nog van het zeewater, maar dat was net of dat bij hem hoorde, deze Neptunes. Nadat we het hele terrein waren overgestoken zagen we een kantine en opslagplaats waar we om het fortje vroegen, er werd in een richting gewezen die we volgden. In het kantoor had ik vernomen dat hier een grote betonen steiger en opslagruimte voor het nikkelerts zou worden gebouwd. De steiger zou bestemd worden voor grote schepen uit het buitenland, Australië en China. We liepen over een gebulldozerde weg, opeens zag ik scherven van Chinees porselein, dat vindt men altijd in de buurt van forten. Vlak voor me ontwaarden zich de contouren van iets dat ooit een gebouwtje zou kunnen zijn geweest, maar het was zeer klein en overal begroeid. Ik kon nauwelijks door de begroeiing heendringen. Wat er nog over was waren een paar restanten van muren. Aan de gebruikte steensoort, koraal, was te zien dat het gebouwde uit de Portugese tijd dateerde. Ik wist niet wat ik moest denken, was ik zover gekomen, alleen maar om deze ruïne te zien? Ik liep er een paar maal omheen en keek goed, maar zag niets opwindends, behalve wat kleine scherven. Vlakbij was een riviertje, een voorwaarde voor een fort om in tijden van conflicten over voldoende water te beschikken. Hoewel de vijand kon dit water ook vergiftigen. Ik maakte wat foto’s en zei tegen Musa dat we weer terug konden gaan. Ik was nog steeds stomverbaasd over het weinige dat ik te zien had gekregen, daar had ik geen rekening mee gehouden, hoewel het waarschijnlijker is niets dan iets aan te treffen. Dit was de eerste nieuwe locatie die ik op deze reis te zien had gekregen. De forten die ik voorheen had bezocht waren allemaal als fort herkenbaar geweest. Dit leek er niet op. Onderweg terug vertelde Musa mij dat hij een probleem had, hij durfde niet met de boot naar het strand, te gevaarlijk. Hij zou vragen of de mannen van het nikkelbedrijf mij naar de steiger in Kawasi konden brengen. Ik hoorde Musa gelaten aan, ik wist dat hij de waarheid sprak en was blij dat ik hem mijn vertrouwen had gegeven, hij leek dat mij meer dan waard. We keken wat rond op het terrein, vlug want ik vertrouwde de nikkelmannen niet volledig. Er was overigens weinig meer te zien, dan wat apparatuur voor grondverzet, men verkeerde nog in het stadium van de voorbereidende werkzaamheden. We kwamen terug bij het kantoortje, waar het wat drukker was geworden en werden heel vrolijk ontvangen. We kregen koffie aangeboden en er werd gevraagd om te gaan zitten. Echt Indonesisch, niemand dacht meer aan werken, eerst met de bule ouwehoeren, dat was belangrijker. Zo vaak kom je een toerist die rap Indonesisch spreekt niet tegen, zeker niet in de rimboe op Obi. Er waren diverse mensen afkomstig van Java, een Butonees. De man die mij op het strand had ‘betrapt’ bleek een Ambonees te zijn. Het waren eigenlijk allemaal mensen van ‘buiten’, slecht een paar mensen van het eiland zelf, dat mij nou niet uit leek te blinken als plek met veel werkgelegenheid. Er werd over het fort verteld dat ze bij het bulldozeren veel scherven hadden gevonden. Dat er later om de plek een hek zou komen om de locatie te beschermen, ach de bekende mooie verhalen. Ik bedacht mezelf dat als ze wat stenen nodig zouden hebben om hun steiger te versterken, dat ze rustig het hele fortje in vrachtwagens zouden laden om de stenen voor metselwerk te gebruiken. Niemand zou nooit meer iets van het gebouwtje terugzien, dáááág geschiedenis. Op dat moment zou ik de laatste westerling zijn geweest die het fort ‘Den Briel’ nog had aanschouwd, althans wat er van het fort over was. Musa ging vragen of ik naar de steiger in Kawasi gebracht kon worden, dat was geen enkel probleem want één van de mannen, een geoloog uit Jakarta zou met zijn verzamelde gegevens aanstonds vertrekken.
Er kwam een auto voorrijden, Musa ging naar zijn boot terug en ik stapte in de auto. Die rook van binnen nog nieuw, de stoelen zaten nog in het plastic verpakt. We reden over een gebulldozerde weg door de jungle. Ik sprak met de mannen over de winning van nikkel, maar ze waren nu niet meer zo spraakzaam als onder de koffie. Ik denk dat ze blij waren dat ik wegging. Afijn mijn missie was voor het belangrijkste gedeelte achter de rug. Ik zat me af te vragen of deze nou was mislukt, of hoopte ik te veel op complete forten. Om zo een puinhoop aan te treffen was toch het risico. Je ziet altijd wel iets terug, maar was dat de moeite waard? Ik voel me geen archeoloog, ik wil graag complete gebouwen zien, verwaarloosd of om op het punt in te storten deerde me niet, als ik maar een fort kon herkennen. Ik was eens in Semarang op zoek naar het VOC fort, waar ik foto’s van had en de locatie van wist, na een heel gezoek kwam ik tot de conclusie dat het was verdwenen, niet eens zo lang geleden. Er stond nog een bijgebouw, dat was het. Ik heb dat toen niet eens gefotografeerd. We kwamen inmiddels langs werkplaatsen en toen bij de steiger, die bleek speciaal gebouwd te zijn als logistieke ondersteuning van de nikkelprojecten in deze omgeving. Het was een staatsbedrijf en de gebouwen hier waren allemaal eigendom van de overheid. Wat opviel was de dikke knalrode aarde. Ik nam afscheid van de mannen en liep naar de steiger om af te wachten wat er ging gebeuren. Ook hier weer mensen die aan het vissen waren. Het wachten duurde lang, zeer lang. Ik vroeg me af of er iets met Musa gebeurd zou zijn, maar vlug zette ik die gedachten uit mijn hoofd. Dat dachten mensen ook altijd over mij als ik weer eens een tijdje verdwenen was, als ze dan zoiets zeiden, dan lachte ik en zei “doe niet zo maf”. Na zo een anderhalf uur wachten kwam Musa eindelijk aangevaren, hij maande me tot snel instappen en we gingen op weg, terug naar Laiwui.
De prauw van kapitein Musa in de golven
Het begin van de bouw van een steiger.
De gratis taxi
De steiger in Kawasi
Nogmaals de zelfde steiger, rood van de aarde, het lijkt wel menie
vervolg>>