Reacties
Londoh schreef:
Hier wil ik nog even aandacht geven aan een documentaire die twee dagen geleden op TV was te zien, heb je m gemist, is ook terug te zien via het internet:
Kinderverhalen uit het Jappenkamp – Het jaar 2602 - André van der Hout & Linda Lyklema, NPS, 2009 - 90 min
â€De Japanse bezetting in 1942 maakt een abrupt einde aan de idyllische jeugd van veel Nederlandse kinderen in Nederlands-Indië. De Nederlanders moeten gehoorzaamheid zweren aan de Japanse keizer en voortaan geldt de Japanse kalender: het is het jaar 2602. In deze documentaire reconstrueren de overlevenden, toen tussen 4 en 18 jaar, nauwgezet de gebeurtenissen in de Japanse interneringskampen.â€
Kinderverhalen uit het Jappenkamp – Het jaar 2602 - André van der Hout & Linda Lyklema, NPS, 2009 - 90 min
â€De Japanse bezetting in 1942 maakt een abrupt einde aan de idyllische jeugd van veel Nederlandse kinderen in Nederlands-Indië. De Nederlanders moeten gehoorzaamheid zweren aan de Japanse keizer en voortaan geldt de Japanse kalender: het is het jaar 2602. In deze documentaire reconstrueren de overlevenden, toen tussen 4 en 18 jaar, nauwgezet de gebeurtenissen in de Japanse interneringskampen.â€
15 augustus 2009 07:46:03
Ed Vos schreef:
Het is vandaag - 15 augustus 2009 - Indie-herdenking.
Ik las vanmorgen iets over de Stichting Herdenking Gevallenen en Slachtoffers in Nederlands-Indië.
Die stichting wil met de herdenking stilstaan bij de mensen die het slachtoffer werden van de Japanners tijdens de oorlog en van de Indonesische nationalisten die streden voor onafhankelijkheid in de periode daarna.
Op een andere plek (op internet) werd tevens aandacht gevraagd voor een vergeten bevolkingsgroep, die verplicht moest verhuizen en die als het ware de eigen verhuizing moest betalen.
Neem me niet kwalijk zeg, ik wil geen spelbreker zijn, maar wat gaan we nu eignlijk vieren (herdenken) op 15 augustus?
Het einde van de oorlog in Azie of het verlies van Nederlands Indie?
En gaan we dan vervolgens op de 17e augustus het glas heffen in Den Haag (Rijswijk) om de geboorte van Indonesie te vieren?
p.s.
Wanneer we tevens de slachtoffers van de oorlog tussen Nederland en het jonge Indonesie gaan herdenken (Agresi Militer Belanda volgens Indonesiers), dan wil ik ook aandacht vragen voor de Nederlandse soldaten - die verplicht werden om te strijden voor een onhaalbare zaak en sneuvelden.
In Tilburg doen we dat hier: Indië monument Tilburg
Ik las vanmorgen iets over de Stichting Herdenking Gevallenen en Slachtoffers in Nederlands-Indië.
Die stichting wil met de herdenking stilstaan bij de mensen die het slachtoffer werden van de Japanners tijdens de oorlog en van de Indonesische nationalisten die streden voor onafhankelijkheid in de periode daarna.
Op een andere plek (op internet) werd tevens aandacht gevraagd voor een vergeten bevolkingsgroep, die verplicht moest verhuizen en die als het ware de eigen verhuizing moest betalen.
Neem me niet kwalijk zeg, ik wil geen spelbreker zijn, maar wat gaan we nu eignlijk vieren (herdenken) op 15 augustus?
Het einde van de oorlog in Azie of het verlies van Nederlands Indie?
En gaan we dan vervolgens op de 17e augustus het glas heffen in Den Haag (Rijswijk) om de geboorte van Indonesie te vieren?
p.s.
Wanneer we tevens de slachtoffers van de oorlog tussen Nederland en het jonge Indonesie gaan herdenken (Agresi Militer Belanda volgens Indonesiers), dan wil ik ook aandacht vragen voor de Nederlandse soldaten - die verplicht werden om te strijden voor een onhaalbare zaak en sneuvelden.
In Tilburg doen we dat hier: Indië monument Tilburg
15 augustus 2009 08:33:09
Londoh schreef:
Hier nog een 15 augustus-artikeltje over de “buitenkampers†uit “Trouw†Hoge prijs voor loyaliteit van Indo’s
In dat artikel staat een zin die ik niet erg kan omvatten “Dat is volgens historicus Bussemaker te wijten aan het ontbreken van een Indo-schrijfcultuur en aan het moeten ’overleven’ in het naoorlogse Nederland.†Volgens mij is er juist een overvloed aan lectuur met Indo-herinneringen.
In dat artikel staat een zin die ik niet erg kan omvatten “Dat is volgens historicus Bussemaker te wijten aan het ontbreken van een Indo-schrijfcultuur en aan het moeten ’overleven’ in het naoorlogse Nederland.†Volgens mij is er juist een overvloed aan lectuur met Indo-herinneringen.
15 augustus 2009 11:09:55
Ed Vos schreef:
Het wordt mierenneuken, maar het artikel begint met indo's vervolgens wordt er gesproken van Indische-nederlanders.
Sommige indo's zijn Indische-nederlander, maar niet alle Indische Nederlanders zijn indo's. Zeg ik het goed?
"Mijn vijandbeeld en dat van vele anderen bestond niet uit Japanners, maar uit Indonesiërs. Voor hen zijn we uiteindelijk naar Nederland gevlucht.â€
Waarvan akte. Zou dat ook voor totoks gelden?
Me dunkt wanneer zo'n totok-veteraan in Indonesie is en hij een oud-TNI'er ontmoet. Wat doen ze beiden? Dan geven ze elkaar verlegen de hand. Zo werkt het nu eenmaal.
Wat indo's (in Nederland) in hetzelfde geval doen, weet ik niet. Maar mijn vader gaf hen zeker de hand. Die vond overigens niet de Japanners het wreedst maar de Koreanen.
Overigens zijn wij, integenstelling tot die anderen, niet gevlucht vanwege die pelopors (of anders de pemoeda's) maar een decade later omdat vanwege dat Soekarno-tje pesten alle Nederlanders tegen wil en dank ge-evacueerd moesten worden.
Warga negara Indonesia worden, was geen optie. immers onzekere toekomstperspectieven, slechte onderwijssysteem, e.d.
Maar hoe dan ook er waren ook Nederlanders cq Indische Nederlanders die nog om het land Indonesie en haar volk gaven en familiebanden hadden
Ander indo's hadden helemaal niets te kiezen, zijn achtergebleven. Daar wordt helemaal niet over gesproken. Zeker niet door hun eigen bangsa in Nederland (stel je voor dat die lui in Indonesie subsidie krijgen ook voor het in stand houden van al die historische koloniale gebouwen) en worden misschien als verraders beschouwd, hoewel ze daar in Indonesie iets in stand houden wat hier in Nederland niet eens meer bestaat: Indische cultuur.
Sommige indo's zijn Indische-nederlander, maar niet alle Indische Nederlanders zijn indo's. Zeg ik het goed?
"Mijn vijandbeeld en dat van vele anderen bestond niet uit Japanners, maar uit Indonesiërs. Voor hen zijn we uiteindelijk naar Nederland gevlucht.â€
Waarvan akte. Zou dat ook voor totoks gelden?
Me dunkt wanneer zo'n totok-veteraan in Indonesie is en hij een oud-TNI'er ontmoet. Wat doen ze beiden? Dan geven ze elkaar verlegen de hand. Zo werkt het nu eenmaal.
Wat indo's (in Nederland) in hetzelfde geval doen, weet ik niet. Maar mijn vader gaf hen zeker de hand. Die vond overigens niet de Japanners het wreedst maar de Koreanen.
Overigens zijn wij, integenstelling tot die anderen, niet gevlucht vanwege die pelopors (of anders de pemoeda's) maar een decade later omdat vanwege dat Soekarno-tje pesten alle Nederlanders tegen wil en dank ge-evacueerd moesten worden.
Warga negara Indonesia worden, was geen optie. immers onzekere toekomstperspectieven, slechte onderwijssysteem, e.d.
Maar hoe dan ook er waren ook Nederlanders cq Indische Nederlanders die nog om het land Indonesie en haar volk gaven en familiebanden hadden
Ander indo's hadden helemaal niets te kiezen, zijn achtergebleven. Daar wordt helemaal niet over gesproken. Zeker niet door hun eigen bangsa in Nederland (stel je voor dat die lui in Indonesie subsidie krijgen ook voor het in stand houden van al die historische koloniale gebouwen) en worden misschien als verraders beschouwd, hoewel ze daar in Indonesie iets in stand houden wat hier in Nederland niet eens meer bestaat: Indische cultuur.
15 augustus 2009 11:47:22
Londoh schreef:
Ik ben in Indonesië altijd erg veel Indië-veteranen tegengekomen die hun oude vijanden kwamen opzoeken. Alles was vergeven en vergeten men was zelfs vrienden geworden.
15 augustus 2009 11:54:37
Ed Vos schreef:
Wie met alle winden waait,dient te bedenken dat de wind soms draait".
Was een reactie, onder dat artikel
Ik moest opeens aan SA, denken :-))
Was een reactie, onder dat artikel
Ik moest opeens aan SA, denken :-))
15 augustus 2009 11:56:00
Ed Vos schreef:
Ik ben in Indonesië altijd erg veel Indië-veteranen tegengekomen die hun oude vijanden kwamen opzoeken. Alles was vergeven en vergeten men was zelfs vrienden geworden.
Ja, ik ga toch ook niet voortdurend zitten te denken en kwekken over wat mijn Indonesische en Duitse tak heeft veroorzaakt en aangericht? Laatstaan mijn Nederlandse..
Ja, ik ga toch ook niet voortdurend zitten te denken en kwekken over wat mijn Indonesische en Duitse tak heeft veroorzaakt en aangericht? Laatstaan mijn Nederlandse..
15 augustus 2009 12:05:10
Ed Vos schreef:
In dat artikel staat een zin die ik niet erg kan omvatten “Dat is volgens historicus Bussemaker te wijten aan het ontbreken van een Indo-schrijfcultuur en aan het moeten ’overleven’ in het naoorlogse Nederland.†Volgens mij is er juist een overvloed aan lectuur met Indo-herinneringen.
Eerlijk gezegd snap ik de strekking van het artikel ook niet.
Die H. Bussemaker is een "witte indo" die buiten het jappenkamp is gebleven omdat zijn moeder een Indisch-Nederlandse (in dit geval dus "gemengdbloedig") was.
Waarschijnlijk had hij liever in een jappenkamp willen zitten, want dan had hij zelf verhalen over ellende en van japanse wreedheid kunnen vertellen dan dat hij nu kan en was hij ook geinterviewd voor die film "Het jaar 2602".
Dus schrijft de man maar over de Bersiap en over het (even)grote leed dat buitenkampers ervoeren als de binnenkampers.
Ziehier de man die zo begaan is met het lot van de indo. Uit een koloniaal nest dat Indie als een wingewest ervoer en de bevolking als achtergrond (zoals het landschap)
Wat lees ik hier?
http://www.buitenkampkinderen.nl/?action=bkk_menu_item_action&bkk_menu_item_id=56
Hij verwijt ene Tessel Pollmann dat zij uitgebreid ingaat op de wrok die indo's zouden hebben op de Indonesier. Daar is volgens hem geen sprake van.
Maar zelf, zo schrijft hij: „Mijn vijandbeeld en dat van vele anderen bestond niet uit Japanners, maar uit Indonesiërs. Voor hen zijn we uiteindelijk naar Nederland gevlucht.â€
Juist ja.
Voorts beweert Bussemaker in het artikel in Trouw dat het ontbreken van kennis van het wel en wee van indo-buitenkampers te wijten is aan het ontbreken van een Indo-schrijfcultuur en aan het moeten ’overleven’ in het naoorlogse Nederland.
Overleven in het naoorlogse Nederland (!).
In zijn verweerschrift aan Pollman schreef hij:
Beter is het te spreken over de frustratie en woede van de Indo's over een Nederlandse gemeenschap, die niet in staat bleek te kunnen luisteren naar hun verhalen van oorlog en verlies, verdriet en verwerking.
Hoe de vork werkelijk in de steel zit mag het zeggen.
Tot slot de aap uit de mouw, een eigen kampverhaal (?) en ik citeer Trouw wederom:
Zo’n 50.000 Indo’s werden na de Japanse capitulatie deels voor hun eigen veiligheid alsnog gearresteerd en in kampen geïnterneerd. Het eten was er karig en slecht. „Rijst met een waterige soep. Met een katapult schoten we op mussen en als er een kat of hond door het kamp liep, verdween die meestal in de pan. Mijn moeder maakte sambal van slakken. We vonden het nog lekker ook.â€
Ja, wat had hij dan gedacht, dat zo'n kamp, Japans of niet, een vakantieoord was?
Ik weet niet welke indische gemeenschap Bussemaker vertegenwoordigt, maar de mijne zal het zeker niet zijn.
Eerlijk gezegd snap ik de strekking van het artikel ook niet.
Die H. Bussemaker is een "witte indo" die buiten het jappenkamp is gebleven omdat zijn moeder een Indisch-Nederlandse (in dit geval dus "gemengdbloedig") was.
Waarschijnlijk had hij liever in een jappenkamp willen zitten, want dan had hij zelf verhalen over ellende en van japanse wreedheid kunnen vertellen dan dat hij nu kan en was hij ook geinterviewd voor die film "Het jaar 2602".
Dus schrijft de man maar over de Bersiap en over het (even)grote leed dat buitenkampers ervoeren als de binnenkampers.
Ziehier de man die zo begaan is met het lot van de indo. Uit een koloniaal nest dat Indie als een wingewest ervoer en de bevolking als achtergrond (zoals het landschap)
Wat lees ik hier?
http://www.buitenkampkinderen.nl/?action=bkk_menu_item_action&bkk_menu_item_id=56
Hij verwijt ene Tessel Pollmann dat zij uitgebreid ingaat op de wrok die indo's zouden hebben op de Indonesier. Daar is volgens hem geen sprake van.
Maar zelf, zo schrijft hij: „Mijn vijandbeeld en dat van vele anderen bestond niet uit Japanners, maar uit Indonesiërs. Voor hen zijn we uiteindelijk naar Nederland gevlucht.â€
Juist ja.
Voorts beweert Bussemaker in het artikel in Trouw dat het ontbreken van kennis van het wel en wee van indo-buitenkampers te wijten is aan het ontbreken van een Indo-schrijfcultuur en aan het moeten ’overleven’ in het naoorlogse Nederland.
Overleven in het naoorlogse Nederland (!).
In zijn verweerschrift aan Pollman schreef hij:
Beter is het te spreken over de frustratie en woede van de Indo's over een Nederlandse gemeenschap, die niet in staat bleek te kunnen luisteren naar hun verhalen van oorlog en verlies, verdriet en verwerking.
Hoe de vork werkelijk in de steel zit mag het zeggen.
Tot slot de aap uit de mouw, een eigen kampverhaal (?) en ik citeer Trouw wederom:
Zo’n 50.000 Indo’s werden na de Japanse capitulatie deels voor hun eigen veiligheid alsnog gearresteerd en in kampen geïnterneerd. Het eten was er karig en slecht. „Rijst met een waterige soep. Met een katapult schoten we op mussen en als er een kat of hond door het kamp liep, verdween die meestal in de pan. Mijn moeder maakte sambal van slakken. We vonden het nog lekker ook.â€
Ja, wat had hij dan gedacht, dat zo'n kamp, Japans of niet, een vakantieoord was?
Ik weet niet welke indische gemeenschap Bussemaker vertegenwoordigt, maar de mijne zal het zeker niet zijn.
15 augustus 2009 20:43:41
Londoh schreef:
In het NRC handelsblad van vandaag staat een artikel over de herdenking van de Japanse capitulatie in 1945, dat is hier te vinden
Het begint zo:
"Den Haag, 15 aug. In Den Haag hebben enkele honderden mensen vandaag het einde van de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië herdacht. Door de capitulatie van Japan kwam op 15 augustus 1945 een einde aan de oorlog.
De herdenking van de slachtoffers in het voormalige Nederlands-Indië vond plaats bij het Indisch Monument. Onder de aanwezigen waren premier Jan Peter Balkenende, minister Eimert van Middelkoop (Defensie) en staatssecretaris Jet Bussemaker (VWS), alsmede burgemeester Jozias van Aartsen van Den Haag."
Ik was stomverbaasd toen ik las enkele honderden mensen, als vertegenwoordigers van een gemeenschap die honderdduizenden mensen bedraagt. Als je de Indo-sites leest is er nog allerlei wrok en mankeert er van alles aan de manier van herdenken enz., enz. Dat er zo weinig aandacht voor hun is, maar wat is er met hun eigen aandacht aan de hand?
Overigens is de hierboven genoemde documentaire "Het jaar 2602" zeer de moeite waard, erg goed zelfs!
Het begint zo:
"Den Haag, 15 aug. In Den Haag hebben enkele honderden mensen vandaag het einde van de Tweede Wereldoorlog in Zuidoost-Azië herdacht. Door de capitulatie van Japan kwam op 15 augustus 1945 een einde aan de oorlog.
De herdenking van de slachtoffers in het voormalige Nederlands-Indië vond plaats bij het Indisch Monument. Onder de aanwezigen waren premier Jan Peter Balkenende, minister Eimert van Middelkoop (Defensie) en staatssecretaris Jet Bussemaker (VWS), alsmede burgemeester Jozias van Aartsen van Den Haag."
Ik was stomverbaasd toen ik las enkele honderden mensen, als vertegenwoordigers van een gemeenschap die honderdduizenden mensen bedraagt. Als je de Indo-sites leest is er nog allerlei wrok en mankeert er van alles aan de manier van herdenken enz., enz. Dat er zo weinig aandacht voor hun is, maar wat is er met hun eigen aandacht aan de hand?
Overigens is de hierboven genoemde documentaire "Het jaar 2602" zeer de moeite waard, erg goed zelfs!
15 augustus 2009 20:56:41
Ed Vos schreef:
Als je de Indo-sites leest is er nog allerlei wrok en mankeert er van alles aan de manier van herdenken enz., enz. Dat er zo weinig aandacht voor hun is, maar wat is er met hun eigen aandacht aan de hand?
Misschien dat er te weinig indo's werden uitgenodigd? Koningin Beatrix niet aanwezig?
Te weinig aandacht voor allerlei zaken die zich na WOII afspeelden (bersiap, kille ontvangst, alweer geen erkenning maar doodzwijgen), want toen begon de ellende pas?
Ik kan het niet beoordelen
Maar dat heeft natuurlijk niets te maken met de herdenking van de 15e augustus.
In die film "2602" waren welgeteld 3 (of 2?) indo's aan het woord, waarbij die meneer Vos duidelijk er eentje was.
Misschien juist door de ondervertegenwoordiging van indo's was de film voor hen niet goed genoeg en gaf het de juiste verhouding in de Japanse burgerkampen niet weer?
Ik weet het niet..
Misschien dat er te weinig indo's werden uitgenodigd? Koningin Beatrix niet aanwezig?
Te weinig aandacht voor allerlei zaken die zich na WOII afspeelden (bersiap, kille ontvangst, alweer geen erkenning maar doodzwijgen), want toen begon de ellende pas?
Ik kan het niet beoordelen
Maar dat heeft natuurlijk niets te maken met de herdenking van de 15e augustus.
In die film "2602" waren welgeteld 3 (of 2?) indo's aan het woord, waarbij die meneer Vos duidelijk er eentje was.
Misschien juist door de ondervertegenwoordiging van indo's was de film voor hen niet goed genoeg en gaf het de juiste verhouding in de Japanse burgerkampen niet weer?
Ik weet het niet..
15 augustus 2009 21:06:34
Londoh schreef:
Bij de NOS : Liveverslag van de jaarlijkse Indië Herdenking bij het Indisch Monument aan de Teldersweg in Den Haag. Daar herdenkt men dat op 15 augustus 1945 met de capitulatie van Japan een definitief einde kwam aan de Tweede Wereldoorlog.
Klik hier
ruim 90 minuten lang, erg langdradig, maar het is een herdenking. Met veel Bach, heldhaftige KNIL’ers, Indisch klokgelui, Marion Bloem in respectloze rooie jurk, Wim Willems die over Tjalie mag praten, langdurige ceremonies en kransleggingen. Volgens de NOS waren er duizenden mensen, maar waaro? Aan het eind een klein stukje Rob Nieuwenhuis in zw/w. . Presentatie: Margriet Vroomans, geen Indo maar doet dat goed.
Klik hier
ruim 90 minuten lang, erg langdradig, maar het is een herdenking. Met veel Bach, heldhaftige KNIL’ers, Indisch klokgelui, Marion Bloem in respectloze rooie jurk, Wim Willems die over Tjalie mag praten, langdurige ceremonies en kransleggingen. Volgens de NOS waren er duizenden mensen, maar waaro? Aan het eind een klein stukje Rob Nieuwenhuis in zw/w. . Presentatie: Margriet Vroomans, geen Indo maar doet dat goed.
16 augustus 2009 09:01:46
Londoh schreef:
Ik las het een en ander over de Indië herdenking afgelopen 15 auguststus bij het Indische Monument te Den Haag op de site Indo4ever. Het geklaag is niet van de lucht. Een paar citaten:
Volgens mij wordt er hier iets behoorlijk opgeklopt, moet er nou echt een lid van het Koninklijk Huis die paar mensen een “hart onder de riem†steken, hebben die mensen toch helemaal geen tijd voor. Altijd dat niet afhoudende geklaag. Toen Nederlands Indië nog van ons was heeft er ooit slechts 1 lid van het Koninklijk Huis Indië bezocht, dat was prins Willem Frederik Hendrik, kleinzoon van koning Willem I, adelborst bij de Marine. Hij reisde omstreeks 1837 maar liefst 7 maanden in de archipel rond. Wilhelmina vond het daar te heet, wat wil je met die dooie vos altijd om. Volgens jaar is er een lustrum dus misschien komt Bea dan. Ze zal dan wel vast wel weer iets fout doen of zeggen.
Nee het gaat ook om heel andere aantallen. Laat het eerst meer bekendheid onder de Indo’s krijgen, zodat de jongeren de schamele aantallen die er in Den haag te zien waren kunnen aanvullen. De oorlog die Nippon voerde lag en zeker ligt te ver weg.
Ik leg dit maar af bij het eeuwige Indo-geklaag, perpelend dese.
De link naar het stuk op Indo4ever
Het blijft steeds een heikel punt, binnen de Indische gemeenschap, dat er geen leden van de Koninklijke familie aanwezig zijn bij de Nationale Herdenking, niet eens één van die vele prinsen of prinsessen...Vraag mij eigenlijk af of het uberhaupt wel leeft binnen 'ons" Koninklijk Huis. Alleen bij een lustrum geven zij acte de présence. Dat blijft toch behoorlijk knagen bij velen. Volgens mij wordt er hier iets behoorlijk opgeklopt, moet er nou echt een lid van het Koninklijk Huis die paar mensen een “hart onder de riem†steken, hebben die mensen toch helemaal geen tijd voor. Altijd dat niet afhoudende geklaag. Toen Nederlands Indië nog van ons was heeft er ooit slechts 1 lid van het Koninklijk Huis Indië bezocht, dat was prins Willem Frederik Hendrik, kleinzoon van koning Willem I, adelborst bij de Marine. Hij reisde omstreeks 1837 maar liefst 7 maanden in de archipel rond. Wilhelmina vond het daar te heet, wat wil je met die dooie vos altijd om. Volgens jaar is er een lustrum dus misschien komt Bea dan. Ze zal dan wel vast wel weer iets fout doen of zeggen.
De capitulatie van japan, de Nationale Indië Herdenking op 15 augustus, zal zo nooit die status en landelijke bekendheid genieten als 4 en 5 Mei. Nee het gaat ook om heel andere aantallen. Laat het eerst meer bekendheid onder de Indo’s krijgen, zodat de jongeren de schamele aantallen die er in Den haag te zien waren kunnen aanvullen. De oorlog die Nippon voerde lag en zeker ligt te ver weg.
Kan mij goed voorstellen dat vele Indischen zich nog steeds achtergesteld voelen op deze manier, en nog steeds vinden dat zij als 2e rangs burgers worden behandeld. Vanuit de overheid moet daarom hier ook meer aandacht aan besteed worden!! Ik leg dit maar af bij het eeuwige Indo-geklaag, perpelend dese.
De link naar het stuk op Indo4ever
17 augustus 2009 10:07:32
René schreef:
Hr. Vos:
U geeft aan dat U Indonesie moest verlaten vanwege het Soekarno-tje pesten. Waar bestond dit pesten concreet uit?
Ik vraag dat omdat ik altijd begrepen heb dat de kwestie West-Irian/Nieuw-Guinea een van de hoofdoorzaken was dat Nederlanders Indonesie moesten verlaten. Eerst werden Nederlandse bedrijven genationaliseerd en daarna moesten de Nederlanders gedwongen opkrassen.
U geeft aan dat U Indonesie moest verlaten vanwege het Soekarno-tje pesten. Waar bestond dit pesten concreet uit?
Ik vraag dat omdat ik altijd begrepen heb dat de kwestie West-Irian/Nieuw-Guinea een van de hoofdoorzaken was dat Nederlanders Indonesie moesten verlaten. Eerst werden Nederlandse bedrijven genationaliseerd en daarna moesten de Nederlanders gedwongen opkrassen.
17 augustus 2009 15:32:46
Ed Vos schreef:
Dat Soekarno pesten is wellicht wat ruim door de bocht.
Zonder in te gaan op de wel ingewikkelde (politieke) gebeurtenissen, en acties over en weer om elkaar het leven zuur te maken:
Nieuw-Guinea was voor Nederland natuurlijk een blinde vlek tot na WOII. Toen dat gebied door Soekarno werd opge-eist, de redenen daarvoor zijn mij ook niet helemaal duidelijk, kon Nederland dit natuurlijk niet toelaten. Enerzijds zou dat het totale verlies van Indie betekenen, anderzijds was NG een middel om enigszins nog wat invloed in de regio uit te oefenen.
Dan, met een collaborateur met de Japanners wilde men ook niet onderhandelen.
Het idee dat NG een thuisland voor indo-europeanen zou worden moest men later ook laten varen en NNG was slechts van belang als een soort buffer tegen het communisme.
Om het maar eerlijk te zeggen, ook nu vraag ik me nog steeds af, wat Nederland in NG toen nog te zoeken had zo ver van huis, behalve dan om te bewijzen dat het kolonialisme nog levensvatbaarheid had, voor de zending en evt voor de wetenschap.
Na de nationalisatie van de nederlandse bedrijven e.d moesten wij inderdaad weg. Toen kwam nog de dreigende oorlog met indonesie, waarvan ik als kind toch veel over me heb moeten laten gaan. Je weet wel, wat doe je hier in Nederland, ga toch naar je eigen land terug. Gelukkig was ik in die tijd zeer weerbaar en liet alles maar langs me heengaan. Ook tijdens de kwestie met de Molukkers in Beilen e.d. heb ik heel veel over me heen moeten laten gaan. Uiteindelijk vernam ik zo-even, dat er - door de Molukse regering in ballingschap - ook afgeweken gaat worden van het streven naar een zelfstandig RMS.
Zonder in te gaan op de wel ingewikkelde (politieke) gebeurtenissen, en acties over en weer om elkaar het leven zuur te maken:
Nieuw-Guinea was voor Nederland natuurlijk een blinde vlek tot na WOII. Toen dat gebied door Soekarno werd opge-eist, de redenen daarvoor zijn mij ook niet helemaal duidelijk, kon Nederland dit natuurlijk niet toelaten. Enerzijds zou dat het totale verlies van Indie betekenen, anderzijds was NG een middel om enigszins nog wat invloed in de regio uit te oefenen.
Dan, met een collaborateur met de Japanners wilde men ook niet onderhandelen.
Het idee dat NG een thuisland voor indo-europeanen zou worden moest men later ook laten varen en NNG was slechts van belang als een soort buffer tegen het communisme.
Om het maar eerlijk te zeggen, ook nu vraag ik me nog steeds af, wat Nederland in NG toen nog te zoeken had zo ver van huis, behalve dan om te bewijzen dat het kolonialisme nog levensvatbaarheid had, voor de zending en evt voor de wetenschap.
Na de nationalisatie van de nederlandse bedrijven e.d moesten wij inderdaad weg. Toen kwam nog de dreigende oorlog met indonesie, waarvan ik als kind toch veel over me heb moeten laten gaan. Je weet wel, wat doe je hier in Nederland, ga toch naar je eigen land terug. Gelukkig was ik in die tijd zeer weerbaar en liet alles maar langs me heengaan. Ook tijdens de kwestie met de Molukkers in Beilen e.d. heb ik heel veel over me heen moeten laten gaan. Uiteindelijk vernam ik zo-even, dat er - door de Molukse regering in ballingschap - ook afgeweken gaat worden van het streven naar een zelfstandig RMS.
17 augustus 2009 21:47:05
Startpagina
Admin-login
RSS
Fan worden
Het verzet in de Vogelkop (IX)
Meity en Roy Kneefel
De interneringskampen aan de Prafirivier in het achterland van Manokwari.
Zondagmorgen 12 april 1942 werden de bewoners van Manokwari onaangenaam verrast toen zij ongeveer 40 Japanse schepen in de Dorehbaai zagen verschijnen. De bevolking kon weinig verzet bieden tegen deze overmacht. Binnen een vloek en een zucht marcheerden de Japanners door het centrum van het stadje. Het Keizerlijke Leger vestigde in Manokwari het hoofdkwartier voor hun oorlogsactiviteiten in Nieuw-Guinea en wie weet, misschien later wel Australië. Het wegennet bestond voor de inval uit paden, geschikt voor voetgangers, paarden, karren en fietsen. Onder leiding van de Japanners onderging Manokwari een facelift en werden deze paden door dwangarbeiders verbreed tot 6 meter en halfverhard gemaakt. Gemotoriseerde voertuigen deden hun intrede. In de heuvels rond de stad, onder andere bij de tennisbaan, werd een gangenstelsel gegraven met daarbinnen een ruimte voor zo'n 30 trucks. Vanaf Bakaroo tot voorbij Andai verrezen verdedigingswerken, inclusief op de eilanden. Het aantal Japanse manschappen bedroeg op het hoogtepunt van de bezetting zo'n 10.000 militairen. Ondertussen waren de bezetters begonnen met het gevangen nemen van de bevolking. Speciale aandacht hadden ze voor de familieleden en vrienden van verzetsstrijders van de groep Kokkelink - de Kock. Guus de Mey had zich o.a. bij deze guerrillastrijders gevoegd. Aan het eind van 1942 werd de familie De Mey opgepakt en ondergebracht voor verhoor. Zij werden 30 dagen vastgehouden in de bibliotheek van het stadje. Na deze periode keerden ze terug naar hun terrein in Fanindi. Later in 1943 werd Opa Willem de Mey opnieuw gevangen genomen en ondergebracht in de Maleise School. De reden waarom Opa in hechtenis werd genomen was de onderschepping van een boodschap van Guus de Mey aan zijn familie. Tegenover deze school had de Japanse politie een gebouw ingericht waar de mensen bij verhoor eventueel ook gemarteld konden worden. Opa de Mey verbleef ongeveer 3 maanden in het schoolgebouw. Moeder ging eens stiekem bij de school kijken en zag door het raam Opa Willem geketend vast zitten aan twee Papoea's. Bijna dagelijks brachten de Japanners hem naar het gebouw tegenover de school, om bekentenissen uit hem te krijgen. De politie maakte hierbij gebruik van elektriciteit. Toen Opa de Mey vrij kwam was hij niet meer in staat om viool te spelen. Zijn vingers waren als gevolg van de martelingen stijf geworden.
Verderop in de heuvels van de stad Manokwari werd een interneringskamp ingericht. Dat kamp strekte zich uit vanaf de naoorlogse kazerne tot nabij Manggoapi, en werd Kampong Indonesia genoemd. Binnen dit complex waren huisjes van gabah-gabah en bamboe gebouwd, bij elk huisje hoorde een klein erfje. Later in 1943 brachten de Japanners hier alle familieleden van de verzetsstrijders plus hun vermeende aanhangers bij elkaar. Enkele namen van deze families zijn: De Mey, Werdmüller von Elgg, Goldbach, Goossens, Groeneveld, Ipsen, Kraaienoord, Lapre, Steigenga, Koch, Jaspers, Vercauteren, Ros, Van Buren, Van Gelderen, Tuinenberg, Jaquard, Kapteyn, Oeler, Maass.
© 2009 Roy Kneefel
De kaart wordt geopend in een nieuw venster.
Begin 1944 namen de geallieerde luchtaanvallen op de noordkust van Nieuw Guinea toe, Manokwari lag nu in de frontlinie en werd regelmatig gebombardeerd. Bij zo'n aanval zat er voor de bevolking en de Japanners niets anders op dan de loopgraven op te zoeken. Voor de ingang van deze schuilplaatsen konden waaghalzen de luchtaanvallen volgen, evenals de pogingen van het Japanse afweergeschut om de vijandelijke vliegtuigen uit de lucht te schieten. Vooral 's avonds, bij maanlicht, boden de gevechten een fascinerende aanblik. Het beeld van kleine zilverachtige voorwerpen die afstaken tegen een maanverlichte hemel, achtervolgd door Japanse zoeklichten was bijna sprookjesachtig. Het was een overweldigend vuurwerk van lichten en donderende knallen. Een schouwspel zo boeiend, dat men de bittere ernst van de situatie haast zou vergeten. Het geronk van vliegtuigmotoren en de explosies, om de schuilende kijkers heen, werkten daarentegen weer ontnuchterend.
Op 9 mei 1944 vond er een zwaar bombardement door de geallieerden op de stad plaats, zeker 90% van de stadsbebouwing werd hierdoor beschadigd. Alleen het waterleidingnet en de Elektriciteit Centrale bleven in tact. Tot op 2 km afstand van de bominslagen werden bomscherven aangetroffen. De grootste onder de vliegtuigen waren bommenwerpers van het type B-29, het zelfde type dat gebruikt is om de atoombommen op Japan te werpen. Door het bombardement waren de Japanners genoodzaakt om Kampong Indonesië te ontruimen en de geïnterneerden te verhuizen naar het bosrijke achterland van Manokwari, bij de rivier Prafi. De kans dat verkenningsvliegtuigen de geïnterneerden daar zouden ontdekken was kleiner. In het Prafi-dal hadden de Japanners 3 interneringskampen opgezet, een kamp aan de monding van de rivier, vervolgens was er een kamp dichtbij een zijtak van de rivier en de laatste was verderop in een hoger gelegen deel aan de bron van de Prafi. De Prafi-kampen waren via 2 verschillende bospaden te bereiken, de noordelijkste via de monding van de Pami-rivier en de andere bij de Wosirivier. De groep waar onze ouders deel van uitmaakten telde plusminus 50 personen. Tegelijkertijd vertrok een groep, waaronder de familie van Moeder, richting Wasirawa, een kamp nog verder westwaarts van Manokwari. Ma zou haar familie nooit meer terugzien. Pa Kneefel werd door de Japanners aangewezen als transportleider, een soort tussenpersoon. Ze gaven hem een geweer en een Japanse legerpet. De bevelhebber was een militair, Saito, een naamgenoot van die andere Japanner die jaren eerder in Manokwari woonde.
In de jungle kon je een scala van geluiden horen, zowel overdag als 's avonds, afkomstig van insecten en vogels. Er werd in marstempo gelopen om zo snel mogelijk bij de Prafi-rivier aan te komen. Het werd een barre tocht door het nauwelijks begaanbare oerwoud, het gebied was zogezegd ontoegankelijk, zeker voor stadsbewoners. Vaak door dichtbegroeid gebied, waarbij het zicht niet verder reikte dan 5 meter, dan weer een open plek met scherpe rotsblokken. Als men eindelijk op een bergtop aangekomen was, kon je een ravijn verwachten en dan maar kijken hoe je zonder kleerscheuren en valpartijen beneden arriveerde. Stel je voor, brandende hitte, afgewisseld door stromende regenbuien met gevolg dat men zich door de modder moest voortbewegen. Ook moest men oppassen voor bloedzuigers, zelfs mensen die een lange broek en schoeisel droegen waren niet veilig voor deze beestjes. Eenmaal op de benen gekropen nestelden ze zich in de huid vast. Voeg daarbij toe dat de mensen ondervoed en soms ernstig ziek waren. Ondertussen diende men ook rekening te houden met luchtaanvallen van de Geallieerden. Bij zonsondergang hield men halt om een bivak in te richten. Van takken werd er een afdakje gemaakt, bedekt door bladeren en dan maar proberen te slapen.
Op de tweede dag van de mars lieten veel mensen hun bagage achter, dat scheelde veel gesjouw. Moeder gooide ook haar schoenen weg, wat een spijt kreeg ze daarvan toen ze later over karang moest lopen. De groep werd ingehaald door Formosanen en Koreanen, die in dienst van het Japanse leger waren. Deze mensen hadden als bestemming Sorong. Dat was wel een maand door de jungle lopen. Deze groep soldaten stond binnen de Japanse krijgshiërarchie onderaan. Ze gingen, bij bevel van hogerhand, met tomeloze inzet tekeer tegen krijgsgevangenen, hoe meer bloed bij de afstraffing vloeide, hoe meer voldoening ze hadden. De Japanners zelf hadden nog wel normbesef. Hoewel gezichtsverlies het ergste was wat de Japanse krijgslieden kon overkomen. De Formosanen waren berucht vanwege het stelen van voedsel. Ze hadden de gewoonte om hun rijst te bewaren in sokken. De geïnterneerden hielden hen extra in de gaten. Tijdens de mars passeerden ze af en toe de lijken van Japanse soldaten, die aan hun laarzen te herkennen waren. De stank was van een behoorlijke afstand te ruiken en dan maar met een grote boog om het lichaam lopen. Als Saito zo'n lijk zag, barstte hij in woede uit, want het was een kameraad die daar lag. De groep bleef dan een tijdje stilzwijgend doorlopen, bang geworden dat Saito als wraak een van hun zou gaan executeren. Het bonkende geluid van Amerikaanse duikboten was tot in het oerwoud te horen. De groep geïnterneerden liep tot nu toe niet ver van de kust af. Bij een open ruimte tussen de bomen zag men op een keer een Amerikaans vliegtuig laag over de zeespiegel vliegen. 's Nachts waren de bundels van zoeklichten aan de hemel te zien. Het moet voor de geïnterneerden bijzonder wrang geweest zijn om te weten dat hun bevrijders zo dichtbij waren. Na vier en een halve dag lopen bereikte de groep van onze ouders het Prafi-dal. Het kamp was aan beide oevers van de rivier gevestigd. Ze troffen daar bekende mensen, die reeds eerder op deze plek aangekomen waren. Onder hen bevond zich o.a. een arts uit Manokwari, Dr. Suparto, deze man was voor de onafhankelijkheid van Indonesië. Hij besteedde daarom weinig aandacht aan de verwondingen van de geïnterneerden. Als de mensen bij hem kwamen voor pleisters bijv., gaf hij hun deze niet. Ma gebruikte boombladeren, die zij net zolang wreef dat ze week werden en legde deze vervolgens op de wond. Of er tijdens de omschreven tocht slachtoffers, door uitputting en dergelijke vielen, is niet bekend. Wel waren enkele geïnterneerden terug gelopen naar Manokwari, onderweg misschien tegengehouden door de Jap. De Prafirivier kon zonder noemenswaardige problemen overgestoken worden. Het water reikte hier tot kniehoogte, en moest men goed uitkijken voor gladde keien. Er lag wel een prauw op de oever die als veerpont gebruikt werd als de rivier in de regentijd te snel stroomde. De prauw zelf was met talie-idjoek verbonden met een dikker touw. Dat touw was gespannen over de breedte van de rivier en vastgezet aan een constructie van houten palen die op beide oevers stonden. Op de plek van bestemming aangekomen trof men barakken aan die bestonden uit een dak van gevochten palmbladeren, ondersteund door houten balken. De inrichting bestond uit britsen (baleh-baleh), waar men op kon liggen. Het aanbrengen van wanden werd aan de gevangen zelf overgelaten. Het verzamelen van bouwmateriaal was een helse toer, in de omgeving was er weinig stevig materiaal om wanden van te maken. Een raamwerk van aaneengevlochten bladnerven was het enige dat een beetje op een wand leek. Tijdens regenbuien had men nauwelijks beschutting tegen het hemelwater. De eerste slachtoffers door uitputting en ziekte waren reeds gevallen. De mars naar Prafi was voor de mensen een zware beproeving geweest, waarbij de zwaksten onder hen bij aankomst in het kamp het loodje legden. Op een afgelegen gedeelte van het te ontginnen terrein had men een grafveld aangelegd. Hier stuitte men op weer een probleem, het grondwaterpeil was hoog, een halve meter onder de aarde. Dit had tot gevolg dat de botten van sommige lijken boven de grond uitstaken.
Aan de oostelijke oever van de rivier was het kamp van de Japanse politie gevestigd. Dat complex bestond uit houten huisjes afgewisseld met loodsen waaronder zich een voorraadschuur bevond. In deze schuur lagen balen rijst die voor de inval door het KNIL in een depot te Manokwari verzameld waren. Onder de kampbewoners waren er mensen die klusjes deden in de huizen van de politie, zoals het inrichten en gordijnen maken. Weer naaiden uniformen. Afgezien van de Japanse politie waren er een stel agenten van het Nederlandse Politie korps te Manokwari en een hele groep Papoea's, voorzien van geweren, om de geïnterneerden te bewaken. De jongste van deze Papoea's was niet ouder dan 12 jaar. Een van de Nederlandse agenten was gepromoveerd tot kampbeul met als specialiteit het onthoofden van mensen. Het werk bestond uit het vrij maken van de grond tussen de bomen. Dit vond plaats door het verwijderen van struiken, lianen en andere soorten junglevegetatie. Vervolgens gebruikte men een kapmes om de grond om te ploegen. En als klap op de vuurpijl moest men nog met vereende krachten de bomen vellen. De boomwortels waren bruikbaar als etenswaar. Elke dag was men bezig met akkeraanleg, het werktempo lag laag, vanwege het primitieve gereedschap en de lichamelijke conditie van de geïnterneerden. Er bevonden zich niet alleen Nederlanders in de groep, maar ook Biakkers en Arfakkers, de autochtone bewoners van Manokwari. Een groep van 6 Arfakkers weigerde op zondag te werken, want verklaarden zij: "Wij zijn Christenen en ons is door de Heer opgedragen op zondag te rusten". Ze gingen met de Jap hierover in discussie met als resultaat dat ze terechtgesteld werden. Deze groep werd meteen een kopje kleiner gemaakt, als afschrikwekkend voorbeeld voor de rest van de kampbewoners.
In het Japanse gedeelte was er voldoende voedsel aanwezig, waaronder veel vis want Japanners zijn dol op het consumeren van (rauwe) vis. De gevangenen moesten zich tevreden stellen met een karige rantsoen. Een beetje rijstepap en af en wat pisangs. Hun voedselvoorziening was niet toereikend om in een dag de maag te vullen. Natuurlijk waren er gevangenen die, door honger gedreven stiekem naar de Japanse voorraadschuren slopen en daar wat eetbaars stalen. Onder de Japanners waren er ook mensen die de gevangenen soms wat extra te eten gaven. Dit gebeurde uiteraard in het geniep, je kon niemand vertrouwen. Tussen de geïnterneerden waren er ook verklikkers die op deze manier bij de Japanse politie in een goed blaadje probeerden te komen staan. Een Papoea verpleegster gaf Ma wat extra voedsel, uiteraard als er niemand anders bij was. Ruilhandel was wel toegestaan, bijvoorbeeld sieraden ruilen tegen voedsel. Na zonsondergang was het ten strengste verboden om vuur te maken, de Japanners waren bang dat verkenningsvliegtuigen de kampen zouden ontdekken. Soms hoorden ze op korte afstand van het kamp schermutselingen en vuurgevechten. Dat zullen vast de guerrillastrijders zijn, dacht men meteen. Voordat men uitgestrekt op de britsen ging liggen, was het zaak om eerst het lichaam en de kleren te onderzoeken op aanwezigheid van bloedzuigers en luizen. Veel hielp dit niet want het kon zijn dat degene die naast je lag, zo apathisch was geworden dat het niets meer voor deze stakkers uitmaakte. Dan maar hopen dat je zelf 's nachts gevrijwaard bleef van overspringende luizen. Sommige vrouwen knipten hun hoofdhaar af vanwege de luizenplaag. Tijdens het werk overdag had je, als je te dicht bij een vermolmde boom kwam, kans op een invasie van boomluizen (koetoe Maleo) die zich ook goed thuis voelen in de huid van mensen. Wat doe je dan? Je gaat krabben omdat de luizen jeuk veroorzaken, de huid gaat zweren en bulten vertonen als gevolg hiervan. Pa had een keer spiritus uit de voorraadschuur van de bezetter gehaald. Hiermee smeerde hij Ma in om de koetoe Maleo te vernietigen. Moeder schreeuwde moord en brand vanwege de bijtende werking (perih) van spiritus. Maar het resultaat was dat ze voorlopig geen last van de beestjes had. In het donker slopen er ook mensen tussen de britsen rond, op zoek naar etensresten die misschien bij anderen in de potten en pannen achtergebleven waren. Als er iemand onthoofd werd, wisten de geïnterneerden vaak niet voor welk misdrijf het slachtoffer de doodstraf kreeg. Ook deze factor speelde mee in het onzekere lot van de gevangenen. Niemand van hun was zijn of haar leven zeker. Op een dag fluisterde een vertrouweling van Ma in haar oor: "Nolly, niet omkijken, ze gaan een paar mensen onthoofden". Ma Kneefel liep terstond naar de oever van het water, om maar geen getuige van de executies te hoeven zijn. Een andere keer zag een van de vrouwen een hoofd in de rivier drijven. Ze waarschuwde andere werksters in de tuinen. "Hé, dat is het hoofd van Nana!" Dat was een vrouw die getrouwd was met een van de kolonisten uit Manokwari.
Om het voedsel aan te vullen, ging een groep mannen eens in de zoveel tijd op zoek naar wilde sagopalmen, die ze onderweg naar de kampen waren tegengekomen. De helft van de opbrengst was bestemd voor de Japanners. Het omhakken van zo'n sagopalm had nogal wat voeten in de aarde. Het gebied waar de bomen groeiden werd door de plaatselijke bevolking beschouwd als hun territorium. Deze mensen hadden niet geheel ongelijk, tenslotte woonden ze hier al sinds mensenheugenis. Iedere keer was het uitkijken of er niet toevallig iemand van de plaatselijke bevolking in de buurt van de palmen was. Wat bij het uitzoeken van sagopalmen ook meespeelde was de onervarenheid van de mannen. De Papoea's wisten precies uit welke boomstam hij de meeste hoeveelheid sago kon bemachtigen. Wilde sagopalmen geven relatief weinig meel, maar een kenner herkent meteen de boom waaruit net iets meer meel te halen valt dan bij de andere palmen. Door je oor tegen de stam te plaatsen, kon je een geroezemoes horen. Binnenin de palm verblijven kolonies larven van een tor die eitjes in de schors van de sagopalm legt, deze beestjes zijn ook eetbaar. Het winnen van sagomeel was een arbeidsintensieve bezigheid. Eerst de palm omkappen, daarna de stam open hakken. De vezels die vrijkwamen werden uit alle macht fijngeslagen. Dat "kloppen" was een afmattende bezigheid, zeker als het lichaam al zodanig zwak was geworden door de onmenselijke omstandigheden. Het vochtige meel dat uit de vezels gewonnen werd, had een paar dagen nodig om in de zon droog te worden. Tijdens deze periode konden de mannen wat rusten. Als ze geluk hadden onderweg een slang of leguaan tegen te komen werd deze zonder aarzeling gedood, in moten gehakt en geroosterd . Eenmaal in het kamp teruggekomen maakte men van het deeg van de sagomeel harde droge broodjes en die werden dan gebakken. Jammer genoeg verdroegen de kinderen dit voedsel niet, ze werden er hardlijvig van.
Door de honger, maar ook door het gemis van haar familie, werd Ma Kneefel na verloop van tijd erg ziek. Een paar keer had ze haar benen tijdens ontginningswerkzaamheden behoorlijk opengehaald aan dorens en andere stekelige planten. Bovendien leed ze aan dysenterie, wat haar toestand er niet beter op maakte. De kans op herstel was gering door gebrek aan medicijnen. Op den duur raakten de wonden dermate geïnfecteerd, dat Ma bijna niet meer kon lopen. Alles wat ze aan voedsel binnenkreeg, raakte ze vrijwel meteen kwijt. Ma had een keer 4 dagen achterelkaar niet gegeten, alleen water gedronken. Op een dag had Ma Kneefel boombladeren gepoft en niet helemaal gaar laten worden. Dit had gevolgen voor de kinderen die dit te eten kregen. Hun buiken raakten opgezwollen, hongeroedeem zogezegd. De voedingswaarde van de bladeren was nul komma nul, maar dit voedsel onderdrukte voor korte tijd het hongergevoel. Energie had ze helemaal niet meer. Het was op een bepaald moment zodanig slecht met haar gesteld, dat Pa in zijn wanhoop stiekem naar de voorraadschuur van de bezetter sloop op zoek naar een geneesmiddel voor zijn vrouw. Alles was beter dan lijdzaam toe te zien hoe slecht het met haar ging. Het enige wat hij toen kon vinden waren enkele rijstkorrels die tussen afval, stof en kaf op de grond lagen. In een opwelling heeft hij de korrels bij elkaar geveegd, zo goed als hij kon gewassen en daarna geroosterd. Een geneesmiddel kan het nauwelijks genoemd worden, maar het heeft Moeder wel degelijk geholpen. Binnen een paar dagen was de dysenterie verdwenen. Het is ongelooflijk dat Pa uit afval iets voor Ma heeft kunnen brouwen, dat haar de nodige redding heeft gebracht.
De splitsing in de Prafi rivier.
Geschilderd door Maurits Kokkelink
(Collectie Roy Kneefel)
Vervolg >>