“Di Jawa, petualangan seorang antropolog” Niels Mulder (II)
Nu heet het boek “De Stille Kracht van Java”. Ik vind de titel een beetje commercieel, Stille Kracht doet meteen aan de halfnaakte Pleunie Touw denken.
Ook de Borobudur op de voorkant van het boek maakt er een nog groter cliché van. Misschien om een grotere klantenkring te trekken. Komt nog bij dat het boek op een beetje eng papier is gedrukt, dat glanzende Libellepapier dat niet lekker omslaat. Dit is gehakketak over uiterlijkheden, op naar de inhoud.
Heel leuk is dat het boekje met fotootjes is gelardeerd, oudere fotootjes. Aan het begin staat een klassefotootje uit 1946. De meester met zijn 29 leerlingen, ik schat 5e à 6e klas, veel blond, er zit één Indisch meisje tussen dat natuurlijk heel erg opvalt. Doet me denken aan de naar terasi stinkende Wilma Meijer, die voor mij zat in de tweede klasse van het L.O., meteen verliefd natuurlijk, verleifd op het anders zijn van haar. Nee daar is geen ‘liefde’ voor Indonesie uit ontstaan, want ik ben geen Indonesialover, op zijn hoogst een hevig geïnteresseerde. Wat mij ook opvalt is dat geen der leerlingen een bril draagt. De jongens in overhemd de meisjes in jurk, geen spijkerbroek, trainingspak of T-shirt te zien. Wat bij het lezen opvalt is dat de stijl wel behoorlijk snel is, dat was me bij de Indonesische editie niet opgevallen, maar dat komt door het Indonesisch met zijn lange omschrijvingen., die je vaak nog eens over moet lezen om de bedoeling te begrijpen. Wat ook opvalt is het naïeve wereldbeeld dat Niels in zijn beginjaren als “antropoloog” had, doch hij leefde nog in de tijd dat de TV nog geen gemeengoed was. Je werd wijzer door lezen, veel te lezen en zelf te ondervinden. De constatering dat Nederlanders racistisch waren door het onderdrukken van de bruintjes in Indonesië was een schok. Niels was verbijsterd bij het zien van alle discriminatie in India, iedereen die iemand had om op neer te zien. Hetzelfde gebeurd vandaag de dag nog steeds in Indonesië. In de eerste drie hoofdstukken kom ik Indonesische plaatsnamen de oude spelling tegen, die gold nog in de jaren toen Niels daar reisde. Maar het situeren van Doemai (teg. Dumai) op 6 kilometer van Pakanbaroe is wel erg optimistisch, dat zijn er heel wat meer. Hemelsbreed misschien 120, over de weg waarschijnlijk veel meer. Echter zijn reis door Sumatra roept bij mij herinneringen op aan 1980 toen ik ook door Sumatra reisde, van Banda Aceh naar Bandar Lampung. Door 150 mensen aangestaard worden als je aan het eten was heb ik ook meegemaakt. Dat is door de invloed van de TV erg veranderd. In 1980 had je alleen zwart-wit TV, eentje per kampung, in de dagen van Niels waarschijnlijk hooguit een radio.
Zoals elke reiziger filosofeert Niels ook over het waarom van het reizen, het ondergaan van allerlei kwellingen, ja zestiger jaren en van een generatie die nog van avontuur houdt. Reizen anno 2008 is zoveel gemakkelijker geworden. Kijk alleen maar naar de rugzakken en koffers van licht materiaal, camera’s die niets wegen, mobieltjes en de verkrijgbaarheid van van alles tot in de verste uithoeken van de jungle. Veel van het bos is inmiddels gevallen door de kettingzaag, ook dat is een voordeel om sneller vooruit te komen, en je weet wat je te wachten staat want kunt vooruit kijken. Waar zijn de reizen tijdens welke je smachtte naar een biertje, maar was niet verkrijgbaar, na een week vond je in een warung een Bintang die de hele dag in de zon had gestaan, ijs moest op 5 kilometer afstand met een brommertje en tegen hoge betaling gehaald worden, dan ze kwamen terug met een klein stukje, de rest van het grote blok was gesmolten. Als je het ijs in een glas deed goot je er zo een gat in met het bier. Wat mij ook zeer trof en iets wat ik na al die jaren nog nooit zelf heb kunnen leren is het richtingsgevoel. Als je de weg vraagt gaat dit altijd gepaard met het aangeven van richtingen, je rijdt naar het Noorden, daar en daar ga je West en dan weer een stukkie Noord. Terwijl wij zeggen: Rechtdoor, bij de brug linksaf en als je dan bij een witte school komt weer rechtsaf. Op Java weten ze altijd haarfijn de windrichting, ik moet er altijd over nadenken. Soms worden de beschrijvingen van hetgeen Niels ziet mij een beetje teveel, zoals deze “…een landschap dat bepaald werd door hoge vulkanen die sterk afstaken tegen het blauw van een wolkenloze lucht. Het heldere licht spiegelde zich in het water van de rijstterrassen die zich hoog aan de hellingen naar boven klauwden tot ze verloren gingen in het verre blauw en paars van de nog hoger gelegen bossen.” Ik kan me daar moeilijk iets anders dan een kitscherig schilderij bij voorstellen.
Ik had het geloof ik al eerder over de zware Van Nelle die in het boek wordt genoemd gehad? Die in het blauwe pakje, de “Tjap Warning” die vroeger door echte Indo’s werd gerookt, met van die Modiano Club rijstevloeitje zonder plakrand. Ik vind het een leuke herinnering dat dit in het boek wordt genoemd, want wie rookt dat vandaag de dag nog?
>>>wordt vervolgd>>>
Reacties
Geen reacties
Uw reactie
Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.
“Di Jawa, petualangan seorang antropolog” Niels Mulder (II)
Ook de Borobudur op de voorkant van het boek maakt er een nog groter cliché van. Misschien om een grotere klantenkring te trekken. Komt nog bij dat het boek op een beetje eng papier is gedrukt, dat glanzende Libellepapier dat niet lekker omslaat. Dit is gehakketak over uiterlijkheden, op naar de inhoud.
Heel leuk is dat het boekje met fotootjes is gelardeerd, oudere fotootjes. Aan het begin staat een klassefotootje uit 1946. De meester met zijn 29 leerlingen, ik schat 5e à 6e klas, veel blond, er zit één Indisch meisje tussen dat natuurlijk heel erg opvalt. Doet me denken aan de naar terasi stinkende Wilma Meijer, die voor mij zat in de tweede klasse van het L.O., meteen verliefd natuurlijk, verleifd op het anders zijn van haar. Nee daar is geen ‘liefde’ voor Indonesie uit ontstaan, want ik ben geen Indonesialover, op zijn hoogst een hevig geïnteresseerde. Wat mij ook opvalt is dat geen der leerlingen een bril draagt. De jongens in overhemd de meisjes in jurk, geen spijkerbroek, trainingspak of T-shirt te zien. Wat bij het lezen opvalt is dat de stijl wel behoorlijk snel is, dat was me bij de Indonesische editie niet opgevallen, maar dat komt door het Indonesisch met zijn lange omschrijvingen., die je vaak nog eens over moet lezen om de bedoeling te begrijpen. Wat ook opvalt is het naïeve wereldbeeld dat Niels in zijn beginjaren als “antropoloog” had, doch hij leefde nog in de tijd dat de TV nog geen gemeengoed was. Je werd wijzer door lezen, veel te lezen en zelf te ondervinden. De constatering dat Nederlanders racistisch waren door het onderdrukken van de bruintjes in Indonesië was een schok. Niels was verbijsterd bij het zien van alle discriminatie in India, iedereen die iemand had om op neer te zien. Hetzelfde gebeurd vandaag de dag nog steeds in Indonesië. In de eerste drie hoofdstukken kom ik Indonesische plaatsnamen de oude spelling tegen, die gold nog in de jaren toen Niels daar reisde. Maar het situeren van Doemai (teg. Dumai) op 6 kilometer van Pakanbaroe is wel erg optimistisch, dat zijn er heel wat meer. Hemelsbreed misschien 120, over de weg waarschijnlijk veel meer. Echter zijn reis door Sumatra roept bij mij herinneringen op aan 1980 toen ik ook door Sumatra reisde, van Banda Aceh naar Bandar Lampung. Door 150 mensen aangestaard worden als je aan het eten was heb ik ook meegemaakt. Dat is door de invloed van de TV erg veranderd. In 1980 had je alleen zwart-wit TV, eentje per kampung, in de dagen van Niels waarschijnlijk hooguit een radio.
Zoals elke reiziger filosofeert Niels ook over het waarom van het reizen, het ondergaan van allerlei kwellingen, ja zestiger jaren en van een generatie die nog van avontuur houdt. Reizen anno 2008 is zoveel gemakkelijker geworden. Kijk alleen maar naar de rugzakken en koffers van licht materiaal, camera’s die niets wegen, mobieltjes en de verkrijgbaarheid van van alles tot in de verste uithoeken van de jungle. Veel van het bos is inmiddels gevallen door de kettingzaag, ook dat is een voordeel om sneller vooruit te komen, en je weet wat je te wachten staat want kunt vooruit kijken. Waar zijn de reizen tijdens welke je smachtte naar een biertje, maar was niet verkrijgbaar, na een week vond je in een warung een Bintang die de hele dag in de zon had gestaan, ijs moest op 5 kilometer afstand met een brommertje en tegen hoge betaling gehaald worden, dan ze kwamen terug met een klein stukje, de rest van het grote blok was gesmolten. Als je het ijs in een glas deed goot je er zo een gat in met het bier. Wat mij ook zeer trof en iets wat ik na al die jaren nog nooit zelf heb kunnen leren is het richtingsgevoel. Als je de weg vraagt gaat dit altijd gepaard met het aangeven van richtingen, je rijdt naar het Noorden, daar en daar ga je West en dan weer een stukkie Noord. Terwijl wij zeggen: Rechtdoor, bij de brug linksaf en als je dan bij een witte school komt weer rechtsaf. Op Java weten ze altijd haarfijn de windrichting, ik moet er altijd over nadenken. Soms worden de beschrijvingen van hetgeen Niels ziet mij een beetje teveel, zoals deze “…een landschap dat bepaald werd door hoge vulkanen die sterk afstaken tegen het blauw van een wolkenloze lucht. Het heldere licht spiegelde zich in het water van de rijstterrassen die zich hoog aan de hellingen naar boven klauwden tot ze verloren gingen in het verre blauw en paars van de nog hoger gelegen bossen.” Ik kan me daar moeilijk iets anders dan een kitscherig schilderij bij voorstellen.
Ik had het geloof ik al eerder over de zware Van Nelle die in het boek wordt genoemd gehad? Die in het blauwe pakje, de “Tjap Warning” die vroeger door echte Indo’s werd gerookt, met van die Modiano Club rijstevloeitje zonder plakrand. Ik vind het een leuke herinnering dat dit in het boek wordt genoemd, want wie rookt dat vandaag de dag nog?
>>>wordt vervolgd>>>