30 oktober 2009: De Twee Kwartjes Jongens

twee kwartjes jongens
In 2002 heb ik het verhaal over de DETA-jongens op mijn site verteld. Ik zal in december dit verhaal weer in zijn geheel op dit blog neerzetten want er is veel vraag naar. Hier alvast een voorproefje.

De DETA-Jongens waren jonge jongens die vlak voor de soevereiniteitsoverdracht van de Nederlandse regering aan de Republik Indonesië geronseld werden om op Nieuw Guinea een infrastructuur aan te leggen. Ze tekenden een contract voor een dagloon van f 1,50 waarbij vrije voeding en huisvesting. Vaak zijn deze contracten koeliecontracten genoemd, maar het kon nog erger, in dit verhaal van Guus Ramaekers wordt verteld dat er in 1949 jongens zelfs bereid waren om voor een dagloon van 2 kwartjes dat zijn 50 centen naar Nieuw Guinea te vertrekken.

DE TWEE KWARTJES JONGENS

door : Guus Ramaekers

Ik kan mij nog goed herinneren dat ik begin november 1949 van een collega te horen kreeg, dat er een mogelijkheid was om gratis naar Nieuw Guinea te gaan. Indonesië met uitzondering van Nieuw Guinea zou op 27 december 1949 aan de Indonesiërs worden overgedragen. De Indo Europeanen die in Indonesië wilden blijven en werken, werd aangeraden om Indonesiër (WNI – Warga Negara Indonesia) te worden. En zij die niet in Indonesië wilden blijven konden eventueel naar Nederland repatriëren ,indien zij aan alle voorwaarden die daarvoor gesteld werden voldeden. Die collega, Henk Kimmel kon het zo mooi brengen dat enkele jongens, waaronder ik erg nieuwsgierig werden. Hij vertelde dat wij Indo’s dat land mochten hebben omdat Indonesië Nieuw Guinea niet hoefde. Soekarno wou het land niet hebben omdat het een onontwikkeld land is. Het land bestond hoofdzakelijk uit bos en de oorspronkelijke bevolking leefde nog in een stenen tijdperk. Het overgrote deel van hen liep nog halfnaakt rond, ook koppen werden in de binnenlanden nog gesneld. Spannend genoeg om dat allemaal mee te mogen maken. Toen wij hem vroegen hoe wij die kant op konden gaan gaf hij ons het adres van Dhr. van Houten. Hij verzekerde ons dat hij in elk geval naar Nieuw Guinea zou gaan om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Bij het horen van dat verhaal waren wij nog niet echt overtuigd of wij dat wel zouden doen. Pas op het laatste moment bezochten wij die bijeenkomst bij Dhr.van Houten thuis.

Dhr. Van Houten had in Batavia een aannemers en bouwbedrijf en die wierf jongens voor de Fa. Veer, een aannemers en bouwbedrijf in Manokwari. Toen wij bij de Heer van Houten thuis bijeen kwamen werd ons het volgende verteld: Nw.Guinea is nog een ruig ongerept eiland. Indo Europeanen die niet naar negri koud willen en ook geen Indonesiër willen worden kunnen liever die richting op. Nw. Guinea kan dan in de toekomst een land voor de Indo’s worden. Maar om dat te bereiken moeten de jongens bereid zijn pionierswerk te verrichten. Het leven zal zwaar en niet makkelijk zijn. Als wij bereid zijn naar Nw. Guinea te gaan, zal de reis door de firma worden betaald. Daarbij zouden wij dan gratis huisvesting en kost krijgen. Daar tegenover staat wel, dat wij voor de firma moeten werken tegen een vergoeding van 50 centen per dag. De bedoeling was dat wij daar huizen zouden gaan bouwen voor gezinnen die daar een nieuw bestaan wilden opbouwen. Zo ook konden wij in de toekomst onze familieleden naar Nw. Guinea over laten komen.

Omdat ik verschrikkelijke kampervaringen in de bersiapperiode heb doorgemaakt, wilde ik absoluut geen Indonesiër worden. Dan maar naar Nederland dacht ik. Maar toen mij de mogelijkheid werd geboden om naar Nw. Guinea te gaan, heb die kans aangegrepen. Ik denk dat het ook de reden was van de andere 15 jongens die samen met mij op 25 december 1949 met het MS “Waibalong” naar Manokwari gingen. Over andere mogelijk- heden om naar Nw.Guinea te komen had ik nog nooit gehoord. Als ik dat geweten had dan had ik zeker een DETA-contract verkozen in plaats van de verbintenis met Dhr.van Houten. De bijeenkomst die wij toen bij Dhr. van Houten bijwoonden was druk bezocht. Daarna hadden wij: Lorenzo, Brinkman, Bruins, Toorop, Kimmel en ik besloten om de stap te wagen. De volgende ochtend hadden wij ons ontslag bij de Politie, waar wij in dienst waren, aangevraagd. Wij waren toen bij Sectie 7 te Meester Cornelis ingedeeld. Ik zat bij de verkeerspolitie en de rest bij de surveillance op het bureau, op 20 december 1949 kregen wij eervol ontslag.

24 December 1949 gingen wij ons op de “Waibalong” inschepen. De meeste gezinnen kregen een hut toegewezen en de rest mocht zich elders in de gangen nestelen. Van Tandjoeng Priok voeren wij naar Semarang. Op de rede aldaar gingen wij voor anker. Daar kwamen passagiers en goederen met bestemming Nw .Guinea bij. De laatste haven die wij op Java aandeden was Soerabaja. Daar kwamen er weer veel mensen en goederen bij. Het leek wel of het eeuwen duurde voordat wij de haven uit gingen. Omdat het niks doen mij verveelde ging ik aan wal en bezocht daar een Chinees restaurant. Mijn laatste 5 guldens heb ik daar op geconsumeerd. De jongens die op kosten van de firma aan boord waren lagen overal verspreid. Ruud Toorop en ik lagen bij elkaar. In de gang nabij de keuken hadden wij ons tempatje gevonden. Tot vervelens toe hingen de meeste jongens overdag aan de reling naar het water te staren. Wat moet je anders doen. De boot was tjok- en tjokvol. Nee, leuk is anders.

Op 31 december 1949 om ca. 16.00 uur, ging de “Waibalong” op de rede van Manokwari voor anker. Met sloepen werden de bagage en de mensen van boord naar het strand overgebracht. Op het strand werden wij door de heren Attinger en Butter opgewacht. Beiden waren bij de fa. Veer werkzaam, Attinger als voorwerker en Butter als chauffeur. Tijdens de gehele reis van Batavia tot Manokwari wist ik helemaal niet dat de heren Mulder en Mensing onze begeleiders waren. Pas bij aankomst in Manokwari stelden beide heren zich aan ons voor. Toen wij onze bagage bij elkaar hadden werden wij met een oude Japanse vrachtwagen naar Saowi gereden. Enkelen van ons moesten in Manokwari achterblijven voor de ontvangst en het checken van de goederen die wij vanuit Batavia hadden meegenomen. Die goederen bestonden uit behoorlijk veel bouwmaterialen, zoals cement, glas, balken, planken en voeding.

twee kwartjes jongens
1952 Brinkman en Ramaekers in de bush achter de
Motorpool richting Sky-line
NB Dit waren bekende locaties
in Hollandia de hoofdstad van v/m Nieuw Guinea
(foto G. Ramaekers)

De rit van Manokwari naar Saowi ging niet vlot, de weg was smal en er zaten veel kuilen in. Als één van de wielen van de vrachtwagen in een modderpoel vast kwam te zitten, moesten wij de wagen los duwen. Dat vonden wij zeer boeiend, want zoiets hadden wij nog nooit meegemaakt. Toen wij in Saowi arriveerden was het intussen schemerig geworden, toch keken wij onze ogen uit. Op het terrein stonden een huis en twee barakken. Het huis van de familie Veer, een nieuwe loods en een van rondhout opgetrokken barak. Nadat wij de vrachtwagen hadden afgeladen werden wij door Dhr. Mentel naar de barak gedirigeerd. Hij vertelde ons terloops dat de rechterhelft van de barak ons toekomstige verblijfplaats zou zijn. Toen wij de barak binnen gingen schrokken wij ons rot, het was een kale ruimte, de wanden waren van Amerikaans dumpmateriaal gemaakt. Voor de onderzijde had men katoen gebruikt en voor de bovenzijde muskieten= gaas, de dakbedekking bestond uit oude golfplaten. De vloer waarop wij moesten slapen konden bestond uit grof gestampte karang. Toen wij dat gezien hadden liepen wij de nieuwe opslagloods binnen, van daaruit haalden wij planken, die wij in de barak op de grond legden om er op te slapen. Omdat de avond intussen was gevallen konden wij verder niets doen. Verlichting was niet aanwezig behalve een paar staaflantaarns die wij zelf hadden meegenomen. We werden helemaal aan ons lot overgelaten. Onze begeleiders en Dhr.Veer kwamen niet eens naar ons kijken. Wassen konden wij ons niet, waar het toilet was wisten wij ook niet. Gelukkig was het strand op ca. 50 meter van onze barak verwijderd, daar hadden wij ons die avond een beetje kunnen wassen. Ook een geluk was dat wij aan boord ons avondeten die middag nog genuttigd hadden, want bij aankomst in Saowi kregen wij niets. Zelfs geen water om te drinken en dan te bedenken dat het die avond oudejaarsavond was. Omdat wij moe waren van de reis en het gesjouw vielen wij gelukkig snel in slaap.

In de ochtend kregen wij geen ontbijt, als smoes werd verteld dat al het eten nog aan boord of op het strand opgeslagen lag. Enkele jongens moesten met de truck naar Manokwari om de voeding en de bouwmaterialen op te halen. Toen een deel daarvan binnen was kregen wij pas ons middageten. Dhr. Mensing had zich als kok opgeworpen. Het eten dat ons werd voorgeschoteld deed mij in elk geval terug denken aan het kampleven en zo ging het de eerste paar dagen, elke dag rijst met kangkung. Als wij Dhr. Mensing vroegen wat voor sajoer is het, zei hij “Ik weet niet.” De sajoer kangkung is waterig en smaakt naar niets. Toen daar geen verandering in kwam gingen wij natuurlijk morren. Intussen kwamen wij tot de ontdekking dat de andere groep van 10 jongens, die eerder dan wij was aangekomen beter gehuisvest was en bij de familie Veer thuis aten. Allemaal hadden zij een veldbed en een klamboe, terwijl wij helemaal niets hadden. Hun excuus was, dat zij de veldbedden en klamboes zelf uit Indonesië hadden meegenomen. Uitgepraat zijn wij dan. In de dagen daarna hadden wij onze slaapgelegenheden verbeterd door slaapbanken te maken. Want om laag op de grond te slapen is ook niks. Het mocht eigenlijk niet, maar van die waarschuwingen trokken wij ons weinig aan. De voedselvoorraad die vanuit Batavia was meegenomen, werd in een legertent voor op het erf van de familie Veer opgeslagen. Die tent was tot de nok gevuld met balen rijst, suiker, zout, blikken vlees en noodrantsoenen van het leger. Toen wij merkten dat de andere groep jongens chocoladerepen kregen, deden wij ’s avonds onze boodschappen in de tent. Natuurlijk bleef het niet bij chocolade alleen. Ook blikken corned beef en vis moeten eraan geloven. Maar eerlijk is eerlijk wij maakten van die mogelijkheid slechts gebruik, geen misbruik. Zolang die tent voor het huis gestaan heeft, hebben wij er zeker 2 keer in de week gebruik van gemaakt en als ik mij niet vergis heeft die tent daar twee-en-een-halve maand gestaan.

Wij werkten van 07.00 uur tot 12.00 uur en van 13.00 uur tot 17.00 uur. Baden deden wij in een beekje onder de pancuran op ongeveer 1 km afstand van onze barak. Aan het strand hadden wij een toilet boven het water gebouwd. Op vrijwillige basis gingen Brinkman en ik bos ontginnen, om grond bouwrijp voor woningen te maken, de rest van de jongens werd bij de huizenbouw ingedeeld. Tien van ons moesten in Manokwari werken. Zij gingen ’s maandags weg en kwamen zaterdagmiddag weer naar Saowi terug. Om het bos te ontginnen kreeg ieder van ons een bijl, een machete een arrit en een pacòl. Dat was ons gereedschap. Het werk was zwaar maar leuk. Als wij de bomen en struiken hadden omgekapt dan brandden wij de boel af. Omdat wij zulk werk nog nooit hadden gedaan kregen wij last van spierpijn, maar op den duur wen je daar wel aan. Soms moesten wij tussen door cassave en andere knolgewassen planten en oogsten. Deze knollen kregen wij als ontbijt voorgeschoteld. Maar omdat wij beiden in de vrije natuur werkten konden wij tijdens ons werk die knollen zelf poffen (bakàr). In onze vrije tijd gingen Brinkman en ik meestal bij Dhr. Mentel beunen. Voor die paar uurtjes werk kregen wij dan ieder fl.2.50, dat is dan vlug verdiend. Zijn huis was op een heuvel gelegen. Het terrein erom heen glooide alle kanten op en dat moesten wij vlak trekken. Dhr. Mentel was architect bij de fa. Veer, met deze man kon ik goed overweg. Hij was niet zo’n iemand die op andere mensen neerkeek.

Dat beunwerk deden wij soms ook bij andere kolonisten in de buurt. Als je wat geld wou verdienen dan moet je wel werken. Het voornaamste was als het maar meer opleverde dan die twee kwartjes per dag. Indien er geen werk was dan gingen wij de bush verkennen. Ik moet eerlijk bekennen dat de ongerepte natuur mij zeer boeide. Alles is daar nog echt ruig en mooi en dat ruige spreekt mij aan. Tijdens die wandelingen kwamen wij een oude verlaten tuin tegen. Dat het een oude verlaten tuin moest zijn was zeker, want de cassave en kladieplanten die we daar aantroffen waren door struiken en slingerplanten overwoekerd. Tussen de struiken door hingen kecipir vruchten. De kecipir is een slingerplant en die gedijt daar goed. De vruchten gegeten als groenten zijn lekker, vooral met sambel trassi. Wie die tuinen toen hadden aangelegd wisten wij niet, misschien de Japanners of kolonisten. Een beekje dat daar door die tuin stroomde bracht mij op het idee om fuiken te plaatsen. Als anak Magelang had ik geleerd hoe je in de kali garnalen kunt vangen. Nou en dat heb ik daar ook in praktijk gebracht. Elke dag sajoer kangkung eten hoefde nu niet meer, af en toe kecipir met sambel mag er best ook wel zijn. In de bush en directe omgeving van ons barak groeide er genoeg cabè rawit. Van de garnaaltjes die wij bij onze strooptochten uit de fuiken haalden maken wij nep trassi. Restanten rijst gebruikten wij als bindmiddel om de trassi te maken. Als wij geluk hadden en vis vingen dan rookten wij hem. Wij konden de vis wel roosteren maar gerookte vis is lekkerder. In plaats van stro gebruikte ik sèpet en bàtok kelapa, dat was gemakkelijk op het strand te vinden. Een beetje variatie in de voeding mag heus wel toch.

twee kwartjes jongens
kecipir

Tijn Pikheart, een neefje van Dhr.Veer, was degene die elke dag kangkung voor Dhr. Mensing moet plukken in de plas nabij de kali. Deze jongen was naast waterdrager ook geitenhoeder en daarnaast moest hij ander corveewerk bij de familie thuis verrichten. Altijd moest hij zorgen dat er voldoende drinkwater was en genoeg water voor de badkamer, wel zielig eigenlijk. Hij was ook de enigste jongen van de andere groep met wie wij contact hadden. De andere jongens hielden zich afzijdig en wij bemoeiden ons ook niet met hen en wij werkten ook afzonderlijk. Daarom moest onze groep ook in Manokwari werken en niet in Saowi. Overigens was het leven voor ons in Saowi eentonig en saai, radio is er niet. Maud, de dochter van Dhr. Mulder was het enigste meisje in Soawi waar wij alleen maar naar mochten kijken. Gelijk had ze, welk meisje wil nou met een jongen omgaan die maar 50 centen per dag verdient. Het was haar goed recht, maar de wijze waarop dat gebeurde was niet leuk. Voor zover ik weet is ze later met Bob Attinger getrouwd. Verder viel er voor ons ’s avonds niets te beleven. Als wij nog niet konden slapen dan zaten wij in ons bouwvallig keukentje na te praten. Het houtvuur dat daar brandde gaf wat licht en een intieme sfeer. Daar wisselden van gedachten over wat wij van het leven in Nw.Guinea vonden en verwachtten. In ieder geval wilden velen de fa. Veer zo snel mogelijk de rug toe keren. De eerste was H. Kimmel en drie weken later waren er 2 jongens die op eigen kosten naar Indonesië terug keerden. Je moest maar geld hebben om dat te kunnen doen, de meeste jongens hadden dat niet. Ik was maar met fl.5 op zak naar Nw.Guinea vertrokken, in Soerabaja heb ik dat aan lekker eten opgemaakt. Henk Kimmel had tijdens de reis van Batavia naar Manokwari een vriendin gevonden. Wanneer hij in Manokwari werkte ging hij na werktijd vaak naar het huis van haar familie. Haar familie waren als kolonisten naar Nw.Guinea gegaan en hadden zich in Wosi gevestigd. Na een week bij de fa. Veer gewerkt te hebben is Henk bij die familie ingetrokken. Als je toen iets wilde beleven dan moest je naar Manokwari gaan. Daar was een Javaanse warong, en twee kleine toko’s. In die warong kon je voor 50 centen, een dagloon, lekker eten. Dat was heel wat anders dan wat wij elke dag in de barak voorgeschoteld kregen. In Manokwari konden wij ook andere mensen ontmoeten Bij de toko kon je shag kopen, alleen sigarettenpapier moest je zelf zien te versieren, meestal gebruikte ik dun briefpapier, of klòbot, het dekblad van de maïskolf. In moeilijke tijden wordt een mens vaak vindingrijk, als je ooit in het kamp hebt gezeten weet je ook hoe je kan overleven. Op de heen- en de terugweg als wij Wosi passeerden dan zagen we de meisjes Beijnon voor hun huis, zulke dingen deden ons in elk geval goed. Alleen met het mogen zien waren wij al tevreden en als zij naar ons terug zwaaiden waren we heel gelukkig.

Achter op het terrein van de fa. Veer stond een rumah pasanggrahan, die was daar neergezet om gezinnen uit Indonesië tijdelijk onderdak te geven. Deze gezinnen konden daar blijven wonen totdat hun huizen afgeleverd werden door de firma. Voor zover ik mij nog kan herinneren konden daar 6 gezinnen onderdak vinden. In die tijd waren twee blokken bewoond, en vier stonden er leeg. Omdat wij daar achter met het terrein bezig waren installeerden Brinkman en ik ons in één van die blokken. Het was daar beter dan in de barak. Één van de andere groep jongens zeiden dat het niet mocht, maar ik antwoordde dat diegene die mij eruit durfde te gooien een knappe vent zou zijn. Sindsdien hadden wij van niemand meer last of commentaar gekregen. Ik moet wel bekennen dat ik niet de liefste was van alle jongens daar. Dhr Mensing had het zelf geweten toen hij eens een lelijke opmerking maakte, gelukkig kon Brinkman mij kalmeren. De ruzie ontstond omdat ik tegen hem zei dat de rijst nog niet gaar is, toen hij die vervelende opmerking maakte werd ik pisnijdig.

Toen ik na vier maanden genoeg kreeg van de firma, had ik Brinkman, Bruins en Toorop benaderd. Ik kwam met een voorstel om aanneemwerk (bòronganwerk) bij kolonisten te gaan doen. Op die manier waren wij vrij en niet meer ondergeschikt aan de grillen van Dhr.Veer. Het nadeel was, dat wij geen vrije kost en onderdak zouden hebben. Dat was toen de enigste struikelblok, geen onderdak. Het geluk wou dat toen wij in Manokwari waren Bruins met een idee kwam om naar de Detachementcommandant van de Politie te stappen en daar om hulp vroeg, van het één op het ander moment konden wij van Dhr. Bruinsma zo heet die goede man een woning betrekken precies boven de tennisbaan. Het was een soort tijdelijk huis voor Politieambtenaren die op doorreis waren. Wij mochten dat huis betrekken op voorwaarde dat wij de boel goed zouden onderhouden. Na die deal met Inspecteur Bruinsma namen wij per direct ontslag bij de firma Veer. Van Dhr. Bruinsma kregen wij een primus en pannen te leen en naast dat kregen wij ook nog eten voor een week in natura. Voor ons was het een hele belevenis om in een goed huis te wonen met licht en water. Ondanks alle ellende hadden wij toch nog geluk. Ongeveer twee maanden hadden wij voor ons zelf gezorgd, het bòronganwerk leverde ons genoeg inkomen. Bovenal mochten wij blij zijn dat wij al die tijd dat wij in Saowi en Manokwari werkten gelukkig gezond bleven. Na die twee maanden beleefden wij met ons vieren een ander avontuur, want wij namen bij de Politie dienst. Tijn Pikheart, Broer Claasse, De Pauw, Krauss en een zekere Carels namen eveneens dienst bij de Politie. Tijn heb ik overgehaald om dat ook te doen en die andere door mij genoemd zijn jongens uit het jongenskamp van Manokwari, een tehuis voor jongens van de missie. Dit waren in het kort de belevenissen van de twee kwartjes jongens.

© 2003 - 2009 Guus Ramaekers


Verklaring vreemde woorden en afkortingen

WNI – Warga Negara Indonesia = Indonesisch staatsburger
negri = land
tempatje = (slaap)plaats
karang = koraal
sajoer kangkung = waterspinazie
sajoer = groente
pancuran = water dat uit een bamboe “pijpje” stroomt
arrit = sikkel
pacòl = hakschop
cabè rawit = kleine hete peper
trassi = gefermenteerde garnalenpasta
kladie = knolgewas
rumah pasanggrahan = logeer huis
sèpet en bàtok kelepa = het buitenste en binnenste omhulsel van de kokosnoot.


twee kwartjes jongens
Kangkun


Reacties

Very interesting story.
I was 8 years old when we came on the same boat to Manokwari in December 1949.
We lived in Manokwari for @ a year, and went to Holland for 1 year, then moved back to Hollandia till 1955.
I remember that there were some DETA- Boys in Hollandia

I would love to read more about Nieuw Guinea.
29 november 2009 03:46:24

Uw reactie



Toegelaten BBCode:
[b] [i] [u] [s] [color=] [size=] [quote] [code] [email] [img] [youtube]

Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.