De negentiende eeuw is in de geschiedenis van Europa en dat deel van de wereld dat door Europese mogendheden gekoloniseerd werd, de eeuw van het “Nationalisme”. Het begrip “natie”, gebaseerd op een bepaald grondgebied en zijn inwoners,
werd meer en meer belangrijk. Het steunt op het principe van een volk als identiteit tussen andere volkeren. De staat is eigendom van het volk. In vroegere tijden kan men ruwweg stellen dat de staat eigendom was van de heersende klasse, die niet noodzakelijker wijze dezelfde nationaliteit hadden als hun onderdanen. Ook de onderdanen kwamen dikwijls uit verschillende landen. Bekend voorbeeld is Christoffel Columbus, een Genuees die in Italië werkte, vervolgens in Portugal en daarna in Spanje. Is Christoffel nu een Italiaan, een Portugees of een Spanjaard?
Ook militairen beoefenden hun beroep voor verschillende heersers: het was logisch dat zij carrière probeerden te maken in landen, die in oorlog waren. Zo ook de “Belg” in dit stukje. (België bestond eigenlijk nog niet.)
Edouard-Guillaume, graaf ERREMBAULT de DUDZEELE et d'ORROIR : 1789-1830
Édouard werd geboren in 1789 te Grandmetz in de provincie Henegouwen. De familie Errembault, een oud adelijk geslacht was echter meer verbonden aan het graafschap Vlaanderen dan aan dat van Henegouwen. Dudzele ligt bij Brugge en was een leen van de Sint-Piertersabdij te Gent. Dat neemt niet weg dat de familie ten tijde van Édouard volledig Franstalig (Waals) was.
Édouard, de oudste zoon in de familie, werd op aanraden van zijn moeder, beroepsofficier. België was op dat ogenblik een stuk van Frankrijk. Dus volgde hij eerst een opleiding in de kadettenschool te Saint-Cyr in Frankrijk, om vervolgens dienst te nemen in het Napoleontische leger. Hij diende Napoleon in verschillende landen waaronder Pruisen, Polen, Duitsland, Portugal en Spanje. Tijdens deze veldtochten had hij de gewoonte aangenomen een dagboek bij te houden, dat echter bij de slag van Leipzig verloren geraakte.
In 1814 werd België onder Nederlands gezag geplaatst en de Napoleontische legers ontbonden. Zoals velen van zijn wapenbroeders koos hij toen voor het Nederlandse leger. Ironie van de zaak was dat Édouard te Waterloo (1815) vocht tegen zijn vroegere held en baas, Napoleon. De volgende tien jaar is het rustig in Europa en onze beroepsofficier maakt van de gelegenheid gebruik om te trouwen, twee kinderen te verwekken en zijn familiefortuin aan de goktafel te verspelen.
Omdat er geld moest binnenkomen gaf hij zich op voor het Nederlands Indisch leger. In 1825 vertrok hij dan ook naar Nederlands Indië als kapitein. Net op het goede ogenblik want Diponegoro was aan de Javaanse Oorlog begonnen (1825-1830). In Batavia kreeg hij de vijfde colonne onder zijn bevel en kon zonder dralen zijn beroep uitoefenen. Gedurende zijn verblijf op Java hield hij weer een dagboek bij en dat boek is gelukkig genoeg bewaard gebleven. Het manuscript is onuitgegeven maar wordt uitvoerig beschreven door Henri Chambert-Loir in
Le chagrin d'un Belge. Le journal de campagne du comte Edouard Errembault de Dudzeele durant la guerre de Java.
Het dagboek moet als een privé-aangelegenheid beschouwd worden en was dan ook opgedragen aan zijn broer, Charles, burgemeester van Grandmetz. Natuurlijk beschreef hij de vijandelijkheden maar nog meer zijn persoonlijke ervaringen. De oorlog tegen Diponegoro was er vooral één van het afsluiten van Diponegoro van zijn landelijke aanhangers door het systeem van redoutes (benteng). Een langzame wurging. De eigenlijke genadeslag aan Diponegoro, een overwinning te Sapuran die gewoonlijk aan Majoor Michiels wordt toegeschreven, werd mede mogelijk gemaakt door Édouard Errembourg.
Het belang van het dagboek ligt m.i. meer in de persoonlijke beschouwingen van Édouard tijdens deze campagne, waarvan hier enkele voorbeelden volgen:
- Tijdens de overtocht van Nederland naar Batavia probeerde hij een lexicon te maken van Maleise woorden (pasarmaleis?) en uitdrukkingen met hun Franse vertaling:
Descendez = pigie toeron (Kom naar beneden)
Oui, j’ai grand faim=iya, goewa baay baay lapar (Ik heb veel honger)
Pourquoi ne mangez-vous pas=apa korang kwee trada makan apa-apa (Waarom eet je niet)
Il a tort=dia poenya bietjara korang betoel (hij heeft ongelijk)
- Hij onderscheidt zich en de slag bij Kota Gede, waar 900 “Nederlanders” 7.000 Javanen tot aftocht dwingen. Édouard schrijft: "Indien een Javaan nog maar ¼ van de moed van een Europeaan had, zouden we allen reeds vernietigd zijn."
- Europeanen stierven bij bosjes tijdens deze campagne. Niet door vijandelijke wapens maar door ziekte: “Men zegt dat van de tien officieren die naar mijn post gestuurd worden, er hooguit één terugkomt. Hopen dus maar dat, door de voorzienigheid Gods, ik die ene zal zijn. Van de eerste t/m de achtste van deze maaand stierven 7 officieren te Djocjokarta en een evenredig aantal soldaten.” Zijn gezondheid ging ook steeds meer achteruit: dysentrie, cholera…
- Als echte veldsoldaat spuit hij zijn grieven over officieren die samen met hun vrouw in het land zijn. “Hij had zijn vrouw bij zich en vond het gemakkelijker zich te amuseren met wandelingetjes ipv oorlog te voeren” schreef hij over een collega. Ook de salonofficieren moesten het ontgelden, vooral de inspecteurs: “ Ik heb eigenlijk een aantal dagen nodig om de administratie van de colonne op orde te brengen, want het volstaat niet enkel te vechten, maar we moeten ook afrekenen met een vijand, die meer te duchten is dan de rebellen: de heren Inspecteurs, Onderinspecteurs, adjuncten etc. Heel die kliek van ‘guerriers à coups de plumes’, die met hun zitvlak veilig op een stoel te Semarang en te Batavia zitten en die ons continu bezighouden. Ze vinden het een succes als ze weer eens van een arme commandant geld kunnen terugeisen omdat die commandant niet zo goed is in administratie”
- Over Indo’s en Chinezen geeft hij ook zijn mening: “ Het eiland is vol van dat uitschot, dat elk jaar groter wordt en die niets anders doen als de plaatselijke bevolking bedriegen en zich meester maken van de handel. Alle eilanden van Indië zijn er door besmet. Hier, in de kleinste dessa, vindt men er minstens één die zich van de handel meester maakt; het is nog erger dan de Joden in Polen of Amsterdam” en even verder “Je hebt 10 Europese Joden nodig om één Chinees te maken” (sic)
- Als officier is hij zeer gesteld op punctualiteit, orde en decorum. De dag dat hij commandant werd (1827), omschrijft hij als één der mooiste in zijn leven. Dit herhaalt hij wanneer hij luitenant-kolonel werd (1830) Met spanning leest hij de lijsten met namen van officieren die de Willemsorde gekregen hebben en heeft hij naderhand kritiek op velen die de orde kregen. Hemzelf werd die eer niet gegund. Tijdens de veldtocht hammert hij op het belang van status: een officier is het zijn rang verplicht om steeds goed eten en goede wijn te presenteren aan de oversten die op bezoek komen. De wijnen, waarvan sommige “grand crus”, zou je echt niet verwachten in Javaanse kampungs. Ook moet zijn gedrag een voorbeeld zijn voor zijn manschappen: an officer, a gentleman.
- Édouard is een beroepsoficier. Het interesseert hem helemaal niet waarom hij daar is, wie de vijand is of wat de politiek achter de oorlog is. Het executeren van zijn vijanden noemt hij laconiek “raccourcir de quelques pouces”, vrij vertaald: enkele centimeters korter maken. Hij doet dit op bevel en stelt zich geen moment de vraag of het moreel juist is. Als Diponegoro collaborateurs laat executeren noemt hij het wel “gedrag dat men van een Oosters despoot mag verwachten.”
Uiteindelijk loopt het verhaal tragisch af voor Édouard Errembourg de Dudezeele et d’Orroir. Op 17 mei 1830, eekel maanden na zijn bevordering tot luitenant-kilonel en tevens na het einde van de Javaanse Oorlog, scheepte hij in op het schip "Maria" en vatte de terugreis aan.Onderweg bezocht hij op Ste Helena het graf van zijn grote idool Napoleon. Na aankomst te Hellevloetsluis werd hij bewusteloos van boord gedragen en stierf hij enkele uren later. (1830) Zijn gestel was volledig ondermijnd door cholera.
Zijn dagboek geeft ons een goed beeld van een beroepsofficier in dienst van verschillende Europese legers. Hij streeft een carrière na waarbij het totaal onbelangrijk is waarom hij vecht, voor wie hij vecht of tegen wie hij vecht. In bijna alles het tegendeel van zijn opponent Diponegoro.
01 november 2009: Een “Belg” op Java
werd meer en meer belangrijk. Het steunt op het principe van een volk als identiteit tussen andere volkeren. De staat is eigendom van het volk. In vroegere tijden kan men ruwweg stellen dat de staat eigendom was van de heersende klasse, die niet noodzakelijker wijze dezelfde nationaliteit hadden als hun onderdanen. Ook de onderdanen kwamen dikwijls uit verschillende landen. Bekend voorbeeld is Christoffel Columbus, een Genuees die in Italië werkte, vervolgens in Portugal en daarna in Spanje. Is Christoffel nu een Italiaan, een Portugees of een Spanjaard?
Ook militairen beoefenden hun beroep voor verschillende heersers: het was logisch dat zij carrière probeerden te maken in landen, die in oorlog waren. Zo ook de “Belg” in dit stukje. (België bestond eigenlijk nog niet.)
Edouard-Guillaume, graaf ERREMBAULT de DUDZEELE et d'ORROIR : 1789-1830
Édouard werd geboren in 1789 te Grandmetz in de provincie Henegouwen. De familie Errembault, een oud adelijk geslacht was echter meer verbonden aan het graafschap Vlaanderen dan aan dat van Henegouwen. Dudzele ligt bij Brugge en was een leen van de Sint-Piertersabdij te Gent. Dat neemt niet weg dat de familie ten tijde van Édouard volledig Franstalig (Waals) was.
Édouard, de oudste zoon in de familie, werd op aanraden van zijn moeder, beroepsofficier. België was op dat ogenblik een stuk van Frankrijk. Dus volgde hij eerst een opleiding in de kadettenschool te Saint-Cyr in Frankrijk, om vervolgens dienst te nemen in het Napoleontische leger. Hij diende Napoleon in verschillende landen waaronder Pruisen, Polen, Duitsland, Portugal en Spanje. Tijdens deze veldtochten had hij de gewoonte aangenomen een dagboek bij te houden, dat echter bij de slag van Leipzig verloren geraakte.
In 1814 werd België onder Nederlands gezag geplaatst en de Napoleontische legers ontbonden. Zoals velen van zijn wapenbroeders koos hij toen voor het Nederlandse leger. Ironie van de zaak was dat Édouard te Waterloo (1815) vocht tegen zijn vroegere held en baas, Napoleon. De volgende tien jaar is het rustig in Europa en onze beroepsofficier maakt van de gelegenheid gebruik om te trouwen, twee kinderen te verwekken en zijn familiefortuin aan de goktafel te verspelen.
Omdat er geld moest binnenkomen gaf hij zich op voor het Nederlands Indisch leger. In 1825 vertrok hij dan ook naar Nederlands Indië als kapitein. Net op het goede ogenblik want Diponegoro was aan de Javaanse Oorlog begonnen (1825-1830). In Batavia kreeg hij de vijfde colonne onder zijn bevel en kon zonder dralen zijn beroep uitoefenen. Gedurende zijn verblijf op Java hield hij weer een dagboek bij en dat boek is gelukkig genoeg bewaard gebleven. Het manuscript is onuitgegeven maar wordt uitvoerig beschreven door Henri Chambert-Loir in
Le chagrin d'un Belge. Le journal de campagne du comte Edouard Errembault de Dudzeele durant la guerre de Java.
Het dagboek moet als een privé-aangelegenheid beschouwd worden en was dan ook opgedragen aan zijn broer, Charles, burgemeester van Grandmetz. Natuurlijk beschreef hij de vijandelijkheden maar nog meer zijn persoonlijke ervaringen. De oorlog tegen Diponegoro was er vooral één van het afsluiten van Diponegoro van zijn landelijke aanhangers door het systeem van redoutes (benteng). Een langzame wurging. De eigenlijke genadeslag aan Diponegoro, een overwinning te Sapuran die gewoonlijk aan Majoor Michiels wordt toegeschreven, werd mede mogelijk gemaakt door Édouard Errembourg.
Het belang van het dagboek ligt m.i. meer in de persoonlijke beschouwingen van Édouard tijdens deze campagne, waarvan hier enkele voorbeelden volgen:
- Tijdens de overtocht van Nederland naar Batavia probeerde hij een lexicon te maken van Maleise woorden (pasarmaleis?) en uitdrukkingen met hun Franse vertaling:
Descendez = pigie toeron (Kom naar beneden)
Oui, j’ai grand faim=iya, goewa baay baay lapar (Ik heb veel honger)
Pourquoi ne mangez-vous pas=apa korang kwee trada makan apa-apa (Waarom eet je niet)
Il a tort=dia poenya bietjara korang betoel (hij heeft ongelijk)
- Hij onderscheidt zich en de slag bij Kota Gede, waar 900 “Nederlanders” 7.000 Javanen tot aftocht dwingen. Édouard schrijft: "Indien een Javaan nog maar ¼ van de moed van een Europeaan had, zouden we allen reeds vernietigd zijn."
- Europeanen stierven bij bosjes tijdens deze campagne. Niet door vijandelijke wapens maar door ziekte: “Men zegt dat van de tien officieren die naar mijn post gestuurd worden, er hooguit één terugkomt. Hopen dus maar dat, door de voorzienigheid Gods, ik die ene zal zijn. Van de eerste t/m de achtste van deze maaand stierven 7 officieren te Djocjokarta en een evenredig aantal soldaten.” Zijn gezondheid ging ook steeds meer achteruit: dysentrie, cholera…
- Als echte veldsoldaat spuit hij zijn grieven over officieren die samen met hun vrouw in het land zijn. “Hij had zijn vrouw bij zich en vond het gemakkelijker zich te amuseren met wandelingetjes ipv oorlog te voeren” schreef hij over een collega. Ook de salonofficieren moesten het ontgelden, vooral de inspecteurs: “ Ik heb eigenlijk een aantal dagen nodig om de administratie van de colonne op orde te brengen, want het volstaat niet enkel te vechten, maar we moeten ook afrekenen met een vijand, die meer te duchten is dan de rebellen: de heren Inspecteurs, Onderinspecteurs, adjuncten etc. Heel die kliek van ‘guerriers à coups de plumes’, die met hun zitvlak veilig op een stoel te Semarang en te Batavia zitten en die ons continu bezighouden. Ze vinden het een succes als ze weer eens van een arme commandant geld kunnen terugeisen omdat die commandant niet zo goed is in administratie”
- Over Indo’s en Chinezen geeft hij ook zijn mening: “ Het eiland is vol van dat uitschot, dat elk jaar groter wordt en die niets anders doen als de plaatselijke bevolking bedriegen en zich meester maken van de handel. Alle eilanden van Indië zijn er door besmet. Hier, in de kleinste dessa, vindt men er minstens één die zich van de handel meester maakt; het is nog erger dan de Joden in Polen of Amsterdam” en even verder “Je hebt 10 Europese Joden nodig om één Chinees te maken” (sic)
- Als officier is hij zeer gesteld op punctualiteit, orde en decorum. De dag dat hij commandant werd (1827), omschrijft hij als één der mooiste in zijn leven. Dit herhaalt hij wanneer hij luitenant-kolonel werd (1830) Met spanning leest hij de lijsten met namen van officieren die de Willemsorde gekregen hebben en heeft hij naderhand kritiek op velen die de orde kregen. Hemzelf werd die eer niet gegund. Tijdens de veldtocht hammert hij op het belang van status: een officier is het zijn rang verplicht om steeds goed eten en goede wijn te presenteren aan de oversten die op bezoek komen. De wijnen, waarvan sommige “grand crus”, zou je echt niet verwachten in Javaanse kampungs. Ook moet zijn gedrag een voorbeeld zijn voor zijn manschappen: an officer, a gentleman.
- Édouard is een beroepsoficier. Het interesseert hem helemaal niet waarom hij daar is, wie de vijand is of wat de politiek achter de oorlog is. Het executeren van zijn vijanden noemt hij laconiek “raccourcir de quelques pouces”, vrij vertaald: enkele centimeters korter maken. Hij doet dit op bevel en stelt zich geen moment de vraag of het moreel juist is. Als Diponegoro collaborateurs laat executeren noemt hij het wel “gedrag dat men van een Oosters despoot mag verwachten.”
Uiteindelijk loopt het verhaal tragisch af voor Édouard Errembourg de Dudezeele et d’Orroir. Op 17 mei 1830, eekel maanden na zijn bevordering tot luitenant-kilonel en tevens na het einde van de Javaanse Oorlog, scheepte hij in op het schip "Maria" en vatte de terugreis aan.Onderweg bezocht hij op Ste Helena het graf van zijn grote idool Napoleon. Na aankomst te Hellevloetsluis werd hij bewusteloos van boord gedragen en stierf hij enkele uren later. (1830) Zijn gestel was volledig ondermijnd door cholera.
Zijn dagboek geeft ons een goed beeld van een beroepsofficier in dienst van verschillende Europese legers. Hij streeft een carrière na waarbij het totaal onbelangrijk is waarom hij vecht, voor wie hij vecht of tegen wie hij vecht. In bijna alles het tegendeel van zijn opponent Diponegoro.