04 november 2009: Indische pech en gevleugeld geluk (II)

fabel
Dit laatste, “kaaskop” werd gedacht door Rik, die inmiddels in een schaars gemeubileerde pensionkamer van 2,5 bij 3 meter, nabij Gouda was gehuisvest samen met zijn zwijgende eega, en daar met een proces-verbaal in de hand zat na te denken

over zijn aan- en toekomst in het lage landje. Opeens stond hij op en ijsbeerde tussen de twee rotanstoelen en het opklapbed door en sprak toen de historische woorden: “Het was een kille ontvangst, daar krijgen Drees & Co. nog moeilijkheden mee”. Inderdaad bleek deze profetie jaren later nog veel commotie in Indische & andere Haagse kringen aan te dragen. Het was echter niet alleen de ontvangst die onze Rik dwars zat, uiteraard miste hij zijn beo’s, zeker nu hij met zijn stille echtgenote Irma zat opgescheept. Doch het ergste was dat de pensiongasten die avond, klokslag 1800 uur in de eetzaal van het pension als eten kruimige aardappels, waterige andijvie en een vette gehaktbal overgoten met jus voorgeschoteld hadden gekregen. Geen der Indische pensiongasten had meer dan een hap door de keel kunnen krijgen, iedereen dacht in stilte aan een lik sambal. Het geboden voer, plus een rammelende maag, hevig verlangend naar pedas, beloofde weinig goeds voor hun toekomst. Een toekomst zonder nasi of trassi was voor deze mensen onvoorstelbaar. Zij zouden van rijsteters tot knolleneters verworden. Rijst werd door beschaafde mensen gegeten, terwijl knollen, zo uit de aarde gegraven, het voedsel der primitieven was, tenzij men erge honger of trek in eens iets anders had.

Gerrit was niet bij de vogels weg te slaan. Eigenlijk vonden de mannen dit een beetje kinderachtig, zelfs verwijfd van zo een ouwe man en besloten een geintje met Gerrit uit te halen. Op een ochtend, voor dat Gerrit op het werk was aangekomen, hadden de mannen een nestje met 4 eitjes in de doos waarin de beo’s verbleven verstopt. Toen Gerrit aankwam, klonk het “He Gert vlug naar je jonges ze hebben gelegen of de Paashaas is langs gekomme”. “Wat, wat…”, zei Gerrit en haastte zich, het allerergste vermoedend, naar zijn kantoortje, waar hij tot zijn grote opluchting werd begroet met “Ouwe rukker, ouwe rukker”, dat was de koosnaam die de beo’tjes, zeer tot zijn genoegen, voor hem verzonnen hadden. Gerrit verstond eigenlijk “ouwe sukkel’ en dat vond ie leuk. Toen hij in de Blue Band doos, die, bij gebrek aan een kooi tot de vaste woonplaats van het beopaartje was geworden, keek, zag hij daar Moe Beo op eieren zitten en dat gaf hem een sensationeel en intens vaderlijk gevoel, hij zou grootvader worden, dat hadden zijn eigen kinderen nog niet voor mekaar gekregen. Hij ging op zijn kantoorkruk zitten, haalde eens diep adem, sloot de ogen en zag een rijke toekomst voor zijn kleinkinderen, daar zou hij persoonlijk zorg voor gaan dragen, zowaar zijn naam Gerrit, eigenlijk Gerardus, was.

beos

Op een dag werd er bij Rik een oproep om op het Gewestelijk Arbeidsbureau te verschijnen bezorgd, met daarbij het bericht dat deze instelling voor hem een passende functie had gevonden bij de overheid. Rik geraakte daarvan in een zeer opgewonden gemoedstoestand, zijn gedachten werden beheerst door het feit dat hij weldra een functionaris bij het Koninkrijk der Nederlanden zou zijn, een oud Indo-ideaal zou verwezenlijkt gaan worden. Hij moest op zoek naar geschikte kleding, de kleren die verstrekt waren, toen zijn het Suezkanaal binnen voeren, zagen er belachelijk uit. Aan iedereen in het pension werd gevraagd of ze een net kostuum te leen hadden. Via-via kon hij een pak lenen van een Ambonese hulp-pendeta, een stemmig zwart kostuum dat de man gebruikte voor de Zondagse kerkgang. Het viel behoorlijk ruim, maar met een paar veiligheidsspelden kon het enigszins op maat gemaakt worden. Toen de dag daar eenmaal was nam Rik de trein naar Rotterdam. Het was een stralende lentedag, dat stemde Rik zeer optimistisch. Wat hem wel een beetje opgelaten maakte was het gestaar van die Belanda’s toen hij in de trein zat, het maakte hem zenuwachtig, hij mocht zich dan wel op en top en in hart en in nieren Nederlander weten, hij voelde zich verre op zijn gemak tussen zijn landgenoten, ze gaven hem het gevoel dat hij niet bij hun hoorde, alsof hij vanaf een andere planeet hun wereldje was binnen gedrongen.

Bij het arbeidsbureau aangekomen, dat hij na veel gezoek had gevonden, een ieder aan wie hij de weg vroeg zweeg nors of maakte zich uit de voeten. Hij vervoegde zich bij de portier, die hem lang en taxerend opnam en zei: “U komt zeker net van een begrafenis”. “Nee”, zei Rik ik kom bij de overheid werken en zeker niet als oppas “Bij loket 8 plaats nemen, uw naam wordt afgeroepen” zei de portier afgemeten, nadat hij een blik in de papieren die Rik hem aanreikte had geworpen. Rik ging op de harde lange houten bank bij het nummertje 8 zitten, er zaten een paar slonzig geklede mannen stinkende zware sjekkies te roken. Rik keek eens om zich heen, hij vond het gebouw naargeestig. Achter draadglas werden er gesprekken gevoerd. Bij loket 10 was het een drukte van belang, ‘Emigratie’ vermeldde het bordje op de deur. De houten banken zaten vol met en overal stonden jonge mensen. Dat bevreemde Rik, zou het soms niet goed gaan in Nederland? Meneer Remrev klonk het. “Dat ben ik, ‘nir” zei Rik, hij sprong op en stelde zich voor aan de man die zijn naam had geroepen, die iets onverstaanbaars terug mompelde, hem daarna met zachte drang het kantoortje binnen duwde en zei: “Neemt U plaats. Spreekt U Nederlands?”. Rik viel bijna van zijn stoel van verbazing. Ja natuurlijk, ik ben toch Nederlander. “Volgens mijn gegevens bent U een maand geleden uit Indonesië aangekomen, dus U bent van daar, dat is iets anders dan een Nederlander, wij zijn blank. U zult zich aan moeten passen, het leven is hier heel anders. Wij wonen hier in huizen en wij weten wat werken is, de hele dag in de zon liggen te lanterfanten is er niet bij, nee de handjes moeten de mouwen uit en gaan wapperen.” Rik barstte inwendig van woede en had de man wel aan kunnen vliegen, wat dacht die kaaskop wel. “Menir” sprak Rik, “wij in Indië zijn altijd trouw aan Oranje geweest. Ik ben zelfs van adel, mijn moeder was een Raden”. De ambtenaar grijnsde en zei: “Bij ons adelt alleen de arbeid en bewaart Uw praatjes maar voor moeder de vrouw thuis, bij een lekker bakkie thee en wat pinda’s. U kunt zich maandagochtend op dit adres melden om half acht precies en trek wat minder belachelijke kleding aan. Hier zijn de formulieren, leest U ze goed door en vult alles in. Ik neem aan dat U kunt lezen en schrijven? Dank U”. Voordat hij er goed en wel erg in had stond Rik weer buiten de deur van het kantoor. Hij voelde zich diep beledigd en gekleineerd en hij had geen woord kunnen zeggen. Stel je voor, hij afkomstig van een hoogstaande familie, die in Indië alle respect van de gewone bevolking had gehad, want de familie had een groot aanzien bij de Inlanders, kwamen zij ergens dan werd er gebogen en hormat bewezen, maar hier, zo ging je alleen met je eigen personeel om, hij voelde zich nog minder dan een djongos behandeld.

Wordt vervolgd >>

Reacties

He Lon, een novelle-schrijver geworden?
Ik zal tzt reageren op dit verhaal, nadat ik het volledig heb gelezen :-)

Even iets anders er tussen door.
In het dagblad spits

http://hirespdf.spitsnieuws.nl/2009-11-04/SPI20091104.pdf

Las ik een nieuwe benaming voor ons : gebleekte halfbloed, in een ingezonden artikel over "Geert Wilders.

Ja, dat krijg je nu wanneer je jezelf al te nadrukkelijk wilt profileren.
Deze benaming doet mij ook denken aan al die zalfjes die te koop zijn om maar er uit te zien als de witman (wong Londo) en in de smaak te vallen. Modieus of niet.
04 november 2009 19:21:49

Uw reactie



Toegelaten BBCode:
[b] [i] [u] [s] [color=] [size=] [quote] [code] [email] [img] [youtube]

Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.