Toen Rik thuiskwam vond hij zijn eega in tranen op de kamer. Toen hij binnenkwam werden de snikken onmiddellijk harder en de tranenstroom heviger. Hij zei in ergernis “Soedah dat genangis, wat ister nou weer”
Hij trok het pak dat als een harnas om zijn lijf zat uit en hees zich in het zakkerige trainingpak aan dat hij voor het invaren van het Suezkanaal van het Rode Kruis had ontvangen. Intussen luisterde hij naar het verhaal dat Irma hem tussen haar lange snikkende uithalen vertelde. Ze was die ochtend door de vrouw van de kostbaas geroepen om te helpen bij het corvee, ze was in de keuken te werk gesteld, aardappelen schillen, ze was blij geweest iets om handen te hebben en zich met een klein mesje achter de immense berg aardappelen neergezet. Ze was begonnen op de manier zoals ze gewend was, snel schrapend van zich af, woedend was de bazin op haar af gestoven en gevraagd of ze gek was geworden om zo in de eigenheimers te hakken, het duur betaalde kostelijke voedsel door den Heer geschonken. Ze had het voorgedaan, schillend naar zich toe, Irma voelde alsof het mes haar hart zocht. Maar haar handige inlandse handjes leerden snel en werkte ze zich door de berg heen. Eigenlijk vond ze het maar smerig die uit de klei getrokken knollen. Toen de bazin weer langs kwam vond die een aanleiding om weer kwaad te worden. Ze had een aardappelschil tussen de vingers genomen en liet die knakken. “Dat wil ik niet horen, je schilt ze niet, je bent aan het beeldhouwen en gooit de halve aardappel weg, ze zijn al duur genoeg”. Daarna had ze vertelt hoe ze met een puntig mesje de aardappel moest pitten zodat ze echt schoon waren. Ze had verlangd om gabah te stampen, daarna de beras op de tambir uit te zoeken op steentjes en ongerechtigheden, te wassen en in de grote koperen pan te koken op een houtvuur buiten. Ze keek naar het kolenfornuis in de keuken, dat stonk, er gingen grote vieze stukken zwarte kool in, ze werd bang als ze er naar keek, het leek wel de hel waarin zondaars verbrand werden, zwarte zondaars, zo voelde zij zich als of ze verbrand werd. Ze was blij dat het corvee erop zat en ging terug naar de kamer om te huilen, iets anders kon niet, was ze maar nooit naar Golland gekomen, wat een onvriendelijk rotland.
Rik haalde met een groots gebaar de enveloppe die hij van het arbeidsbureau had ontvangen tevoorschijn en maakte deze open. Prompt waren de tranen van Irma gedroogd en kwam zij nieuwsgierig op Rik toe, “Wat is dat”, vroeg zij. “Ik heb werk” sprak Rik plechtig en haalde de papieren die zich in de enveloppe bevonden tevoorschijn. Uit de brieven bleek dat hij een opleiding als postsorteerder zou gaan krijgen, er bedrijfskleding zou worden verstrekt, de werktijden, de salariëring, eventuele huisvesting. Rik moest zich de komende maandag op het Rotterdamse hoofdkantoor der posterijen melden voor de keuring, reiskosten zouden vergoed worden. Rik klaarde zeer op na het moeilijke begin in het lage landje, een functie bij de overheid van Nederland, wat had hij zich beter kunnen wensen, en wat zou de familie jaloers wezen als zij dit zouden vernemen. Nog nooit was het iemand van de familie gelukt om bij de overheid in dienst te treden, ze hadden de benodigde kruiwagens daar niet voor, ban eenvoudige komaf als zij waren. De meesten hadden voor de plaatselijke suikerfabriek gewerkt. Rik was daar een soort klusjesman op kantoor geweest. Hij moest de inktpotten vullen, de klok opwinden, de papiervoorraad voor de schrijvers aanvullen en de post halen en brengen op het postkantoor. Tijdens die bezoekjes deed hij ook boodschapjes voor de schrijvers op het kantoor, eten halen, roedjak, pecel, bakmi, nasi goreng, daar hield hij zelf altijd een paar centjes extra aan over. Hij had de beschikking over een dienstfiets waar hij zeer snel mee uit de voeten kon. Toen zij op de boot naar Holland allerlei formulieren had moeten invullen had hij lang nagedacht wat hij als beroep zou moeten invullen, iedereen noemde hem altijd djongos, een woord wat hij verafschuwde, want was beneden zijn stand. Het halen en brengen van de post was een vertrouwensfunctie geweest en toe hij daar aan dacht vulde hij “postbode” in. Daardoor had hij deze functie gekregen, hij gloeide van binnen bij het denken dat hij in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden zou komen, een aanstelling voor het leven, waarbij hij dacht aan de jonge Koningin Juliana, die hij zou mogen dienen, stel je voor in dienst van de mooiste vrouw ter wereld. Hij dacht aan haar blanke huid en voorname koninklijke uitstraling, die bezorgde hem kippenvel, iets dat Irma allang niet meer teweeg bracht met haar dorre schoot. Kinderen had zij hem nooit geschonken. Nee dan de familie Oranje, met hun dochters, allemaal even mooi en voornaam. Hij had altijd pal voor Oranje gestaan en zou dat altijd blijven doen, zachtjes neuriede hij het “Wilhelmus” en voelde zich op en top Nederlander, hoe snel was hij toch geaccepteerd en gewaardeerd geworden dacht hij met trots.
Het avondmaal werd wederom een verschrikking, ze hadden weer aardappelen voorgeschoteld gekregen, die Irma had helpen schillen, daarbij was er koolraap, wat vond iedereen dat smerig, men fluisterde over varkensvoer, daarbij kwam er een halve plak gebakken boterhamworst, die alleen maar naar vet smaakte. Hij zag dat zijn disgenoten net zoals hij aan sambal dachten. Hij bedacht dat hij sambal zou gaan zoeken, maar zou er in dit land cabe zijn? Hij vroeg zich af of ze ooit nog eens rijst zouden eten, zou er wel rijst in Nederland zijn. Het goede humeur dat die middag van hem bezit had genomen verdween zienderogen. Als hij om zich heen keek was dat het geval met alle gasten in het pension. Iedereen keek zwijgend voor zich uit, de vrolijkheid die hen onder alle omstandigheden zo typeerde leek bij de aankomst in Holland op het schip achtergebleven. Je kon aan de gezichten aflezen dat alleen een lik sambal hen nog gelukkig zou kunnen maken. Als toetje was er pap van karnemelk, de bazin had er zelf stroop bij gedaan, alsof zij dat niet zelf konden, de stroop was lekker maar die pap, zo zuur, hoe konden die Hollanders dat eten. Vele borden gingen die avond half of nog meer gevuld terug naar de keuken. De kostbazin was ziedend dat men het kostelijke voedsel dat zij op tafel bracht niet gegeten werd. Zulke ondankbare gasten had zij nog nooit gehad.
Wordt vervolgd >>

Reacties
Geen reacties
Uw reactie
Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.
Indische pech en gevleugeld geluk (III)
Hij trok het pak dat als een harnas om zijn lijf zat uit en hees zich in het zakkerige trainingpak aan dat hij voor het invaren van het Suezkanaal van het Rode Kruis had ontvangen. Intussen luisterde hij naar het verhaal dat Irma hem tussen haar lange snikkende uithalen vertelde. Ze was die ochtend door de vrouw van de kostbaas geroepen om te helpen bij het corvee, ze was in de keuken te werk gesteld, aardappelen schillen, ze was blij geweest iets om handen te hebben en zich met een klein mesje achter de immense berg aardappelen neergezet. Ze was begonnen op de manier zoals ze gewend was, snel schrapend van zich af, woedend was de bazin op haar af gestoven en gevraagd of ze gek was geworden om zo in de eigenheimers te hakken, het duur betaalde kostelijke voedsel door den Heer geschonken. Ze had het voorgedaan, schillend naar zich toe, Irma voelde alsof het mes haar hart zocht. Maar haar handige inlandse handjes leerden snel en werkte ze zich door de berg heen. Eigenlijk vond ze het maar smerig die uit de klei getrokken knollen. Toen de bazin weer langs kwam vond die een aanleiding om weer kwaad te worden. Ze had een aardappelschil tussen de vingers genomen en liet die knakken. “Dat wil ik niet horen, je schilt ze niet, je bent aan het beeldhouwen en gooit de halve aardappel weg, ze zijn al duur genoeg”. Daarna had ze vertelt hoe ze met een puntig mesje de aardappel moest pitten zodat ze echt schoon waren. Ze had verlangd om gabah te stampen, daarna de beras op de tambir uit te zoeken op steentjes en ongerechtigheden, te wassen en in de grote koperen pan te koken op een houtvuur buiten. Ze keek naar het kolenfornuis in de keuken, dat stonk, er gingen grote vieze stukken zwarte kool in, ze werd bang als ze er naar keek, het leek wel de hel waarin zondaars verbrand werden, zwarte zondaars, zo voelde zij zich als of ze verbrand werd. Ze was blij dat het corvee erop zat en ging terug naar de kamer om te huilen, iets anders kon niet, was ze maar nooit naar Golland gekomen, wat een onvriendelijk rotland.
Rik haalde met een groots gebaar de enveloppe die hij van het arbeidsbureau had ontvangen tevoorschijn en maakte deze open. Prompt waren de tranen van Irma gedroogd en kwam zij nieuwsgierig op Rik toe, “Wat is dat”, vroeg zij. “Ik heb werk” sprak Rik plechtig en haalde de papieren die zich in de enveloppe bevonden tevoorschijn. Uit de brieven bleek dat hij een opleiding als postsorteerder zou gaan krijgen, er bedrijfskleding zou worden verstrekt, de werktijden, de salariëring, eventuele huisvesting. Rik moest zich de komende maandag op het Rotterdamse hoofdkantoor der posterijen melden voor de keuring, reiskosten zouden vergoed worden. Rik klaarde zeer op na het moeilijke begin in het lage landje, een functie bij de overheid van Nederland, wat had hij zich beter kunnen wensen, en wat zou de familie jaloers wezen als zij dit zouden vernemen. Nog nooit was het iemand van de familie gelukt om bij de overheid in dienst te treden, ze hadden de benodigde kruiwagens daar niet voor, ban eenvoudige komaf als zij waren. De meesten hadden voor de plaatselijke suikerfabriek gewerkt. Rik was daar een soort klusjesman op kantoor geweest. Hij moest de inktpotten vullen, de klok opwinden, de papiervoorraad voor de schrijvers aanvullen en de post halen en brengen op het postkantoor. Tijdens die bezoekjes deed hij ook boodschapjes voor de schrijvers op het kantoor, eten halen, roedjak, pecel, bakmi, nasi goreng, daar hield hij zelf altijd een paar centjes extra aan over. Hij had de beschikking over een dienstfiets waar hij zeer snel mee uit de voeten kon. Toen zij op de boot naar Holland allerlei formulieren had moeten invullen had hij lang nagedacht wat hij als beroep zou moeten invullen, iedereen noemde hem altijd djongos, een woord wat hij verafschuwde, want was beneden zijn stand. Het halen en brengen van de post was een vertrouwensfunctie geweest en toe hij daar aan dacht vulde hij “postbode” in. Daardoor had hij deze functie gekregen, hij gloeide van binnen bij het denken dat hij in dienst van het Koninkrijk der Nederlanden zou komen, een aanstelling voor het leven, waarbij hij dacht aan de jonge Koningin Juliana, die hij zou mogen dienen, stel je voor in dienst van de mooiste vrouw ter wereld. Hij dacht aan haar blanke huid en voorname koninklijke uitstraling, die bezorgde hem kippenvel, iets dat Irma allang niet meer teweeg bracht met haar dorre schoot. Kinderen had zij hem nooit geschonken. Nee dan de familie Oranje, met hun dochters, allemaal even mooi en voornaam. Hij had altijd pal voor Oranje gestaan en zou dat altijd blijven doen, zachtjes neuriede hij het “Wilhelmus” en voelde zich op en top Nederlander, hoe snel was hij toch geaccepteerd en gewaardeerd geworden dacht hij met trots.
Het avondmaal werd wederom een verschrikking, ze hadden weer aardappelen voorgeschoteld gekregen, die Irma had helpen schillen, daarbij was er koolraap, wat vond iedereen dat smerig, men fluisterde over varkensvoer, daarbij kwam er een halve plak gebakken boterhamworst, die alleen maar naar vet smaakte. Hij zag dat zijn disgenoten net zoals hij aan sambal dachten. Hij bedacht dat hij sambal zou gaan zoeken, maar zou er in dit land cabe zijn? Hij vroeg zich af of ze ooit nog eens rijst zouden eten, zou er wel rijst in Nederland zijn. Het goede humeur dat die middag van hem bezit had genomen verdween zienderogen. Als hij om zich heen keek was dat het geval met alle gasten in het pension. Iedereen keek zwijgend voor zich uit, de vrolijkheid die hen onder alle omstandigheden zo typeerde leek bij de aankomst in Holland op het schip achtergebleven. Je kon aan de gezichten aflezen dat alleen een lik sambal hen nog gelukkig zou kunnen maken. Als toetje was er pap van karnemelk, de bazin had er zelf stroop bij gedaan, alsof zij dat niet zelf konden, de stroop was lekker maar die pap, zo zuur, hoe konden die Hollanders dat eten. Vele borden gingen die avond half of nog meer gevuld terug naar de keuken. De kostbazin was ziedend dat men het kostelijke voedsel dat zij op tafel bracht niet gegeten werd. Zulke ondankbare gasten had zij nog nooit gehad.
Wordt vervolgd >>