29 november 2009

De zeven reizen van de Jonge Lieve

jonge lieve
Is een boek dat ik laatst 2e hands aanschafte voor € 9,95 bij Kok in de Oude Hoogstraat hier ter stede. De ondertitel van het boek luidt: “Een biografie van een VOC-schip, 1760-1781.”



Het boek zag er als nieuw uit en even bladeren beloofde veel dus de aankoop was snel beslist.

Toen ik aan het boekje begon bleek mij meteen dat ik een werkje onder handen had waar echt van gesmuld kon worden, echt het soort informatie waar ik al jaren naar zoek. Het boek is in twee delen geschreven. In het eerste wordt heel diep ingegaan op de organisatie van de VOC in alle details in het tweede deel worden de reizen omschreven met het leven aan boord tot in de fijnste finesses.. Het boek moet zeer aandachtig gelezen worden, iedere zin zit vol informatie. Het lijkt wel alsof het oorspronkelijke manuscript 500 pagina’s besloeg en dat de schrijver het heeft “ingedikt” tot de 223 die het boek telt, echt heerlijk om te lezen

jonge lieve
De zeven reizen van de Jonge Lieve door Hans Bonke
Uitg. SUN Nijmegen 1999. ISBN: 9789061686590
Paperback, geïllustreerd. 224 blz.

We kunnen wel stellen dat de schepen voor de VOC het belangrijkst waren, het waren in die tijd de allermodernste en meest geavanceerde schepen die er bestonden, de VOC was de grootste rederij ter wereld. Een Oost-Indiëvaarder was 140 -150 voet lang en ging 20 jaar mee, de bouwkosten bedroegen 200.000 gulden in die tijd. De onderhoudskosten waren hoog, omdat de tochten door de tropische wateren het hout waar het schip van gemaakt was aantastte. Slechtere schepen die de lange reis naar Patria niet meer konden volbrengen werden voor de vaart in Azië gebruikt. Iedere VOC kamer bouwde zijn eigen schepen dat was goed voor de werkgelegenheid in de plaatsen met en VOC-kamer. De Zeeuwen bouwden de grootste en beste schepen. In het boek wordt de gehele scheepsbouw uitgebreid belicht met overzichten van de lonen en de beroepen. Er wordt een mooi overzicht gegeven van de VOC werf te Amsterdam en de bedrijfscomplexen die de VOC in Amsterdam bezat. Het hoofdkantoor van de VOC stond in Amsterdam, en bestaat nog steeds. Er wordt beschreven wie de aandeelhouders in de VOC waren en hoe het bedrijf was georganiseerd, wie het voor het zeggen hadden. Het was vaak een familieaangelegenheid, de betere functies gingen van vader op zoon, er was sprake van veel nepotisme.

De VOC te Amsterdam monsterde ieder jaar 3000 zeelieden aan, die uit geheel Europa kwamen, vaak onervaren mensen die zelfs nog nooit de zee hadden gezien. De bemanning van een schip bedroeg vaak meer dan 200 man, zeker als er nog soldaten meegingen kon het overvol aan boord zijn. Op de schepen heerste een ijzeren tucht, de schipper was de absolute baas, er waren schippers die slecht voor de bemanning waren maar ook die zich als een soort vader gedroegen. Er werd veel gesmokkeld, hoewel sommige hoog geplaatsten aan boord het recht van enige eigen handel hadden. Er was veel misdaad op de schepen die zwaar gestraft werd, er waren zeer uitgebreide reglementen voor de tucht aan boord. Allerlei straffen worden beschreven, zoals een overtreder van de regels met een touw vanaf de ra in zee onderdompelen, zijn benen met lood verzwaard, om hem daarna te laarzen, hij kreeg van alle bemanningsleden met een stuk touw een paar klappen. De schippers voelden zich schipper naast God en waren de absolute heerser op een schip, echter in het contact met de leiding van de VOC waren zij zeer onderdanig, zij waren enkel en alleen aan de Loffelijke Compagnie verantwoording schuldig. Voor een met succes volbrachte reis kregen zij hoge bedragen, doch als er iets aan de lading mankeerde dan werden zij beboet of konden jaren op hun gage wachten. De admiraal van een succesvolle retourvloot kreeg vaak een gouden medaille en een hoge premie.

De auteur kon de reizen van de Jonge Lieve zo precies reconstrueren omdat er veel over dit schip in de archieven bewaard is gebleven. Drie maal per jaar vertrokken de schepen uit de Republiek als Kerst-, Paas- en Kermisvloot, respectievelijk in december-januari, april-mei en augustus-september. We krijgen omschrijvingen van de routes die er gevaren werden, het lange wachten, soms gedurende weken, op de rede van Texel tot er een gunstige wind opstak. Er werd in konvooi gevaren om kapers weerstand te kunnen bieden. De schepen konden Amsterdam niet bereiken als ze met lading uit Azië kwamen, het IJsselmeer kende veel ondieptes en de haven van Amsterdam was dichtgeslibd met modder, dat werd wel uitgebaggerd maar bleef toch te ondiep voor de volle schepen. De schepen werden bij Texel geladen door middel van kleinere schepen, die daar heel wat reizen voor nodig hadden. Er ging niet veel mee, want er was in Azië nauwelijks belangstelling voor Europese producten. Wat er in de schepen meeging was voornamelijk, ballast, voedsel, waaronder levende kippen, koeien en varkens, geld en edele metalen, vaak ter waarde van honderdduizenden guldens. Het geld en edelmetaal zat in grote kisten die vastgemaakt waren in de hut van de schipper onder wiens verantwoordelijkheid dit viel. Ook worden de ziektes omschreven die er aan boord waren en vaak vele slachtoffers eisten, zelfs tijdens het wachten op Texel gingen er al bemanningsleden dood. Verder omschrijvingen van de havens die aangedaan werden en het vaak slechte voedsel en de drank aan boord. Zo doet de Jonge Lieve havens in Voor-Indië en Sri Lanka aan, en vaart ook naar China en Japan. De schepen voeren in konvooi terug, de zogenaamde retourvloten. Vaak raakte men elkaar onderweg weer kwijt, want het ene schip zeilde sneller dan het andere. Er waren zeelieden en soldaten die in de havens die onderweg werden aangedaan drosten of deserteerden. Soms werden er bij gebrek aan manschappen Aziatische zeelieden ingehuurd, die niet erg betrouwbaar bevonden werden.

De schrijver van het boek de archeoloog en historicus Hans Bonke heeft zich laten inspireren door een schilderij van de Jonge Lieve dat in het Maritiem en Juttersmuseum in Oudeschild op Texel hangt. Dit schilderij staat op de voorkant van het boek afgebeeld. Het boek heeft een paar interessante bijlagen waarin over de herkomst van het schilderij en de naam Jonge Lieve wordt verhaalt. Lijsten met ordinaris-bewindhebbers van de VOC, een korte levensloop van de 12 schippers die de Jonge Lieve heeft gekend. Het leukste is de woordenlijst, er worden in het boek allerlei woorden gebruikt die als scheepstermen in die jaren gangbaar waren, waarvan bijvoorbeeld “goede maand” een tussentijdse uitbetaling van een deel van de gage, “hooploper” voor een ongeoefend matroos of “soopje”voor een borrel, heel leuke zijn.

Voor een ieder die is geïnteresseerd is in de VOC en vooral het reilen en zeilen van deze handelsonderneming is dit boek een absolute aanrader, ik heb er ten zeerste van genoten en ben heel wat kennis over de Loffelijke Compagnie rijker geworden.

Share |




Reacties

Geen reacties

Uw reactie

: :

Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.