Reacties
Patrick schreef:
Livinus Bor beschrijft de val van Assahoudy (Asahudi) als volgt: (ten einde de lezer niet te vermoeien met het middelnederlands van L. Bor werd onderstaande tekst door mezelf aangepast qua spelling maar ook qua zinsconstructie en soms zelfs woordenschat - hier en daar worden echter uitdrukking hernomen voor de "coleur locale")
Toen hij naar Assahoudy gezeild was, vond hij daar de aangelegenheden van de Compagnie in wenselijke staat. Dit heeft de superintendant (Arnold de Vlaming van Oudshoorn) doen besluiten de vijand in eigen nest hard te treffen. En om niet door lang twijfelen aan deze beslissing afbreuk te doen, bestemde hij de vierde dag, na onze aankomst in die streek, tot actie over te gaan. De soldaten gorden zich om, om met gretige ijver storm te lopen. De superintendant, in het volle besef dat alle menselijke ondernemingen, buiten Gods hulp, ijdel zijn en tevergeefs ondernomen worden, liet over de ganse vloot zijn bijstand afsmeken. Zelf bracht hij de laatste nacht door met devote gedachten. Het gros van ons leger bestond uit 800 blanke en ongeveer evenveel zwarte koppen. Met deze macht, verdeeld in vijf eenheden is de stormloop ondernomen. Kapitein-luitenant Oudhoorn zou op de westelijke flank van de vijand vorderen, Frans Smallen tussen de kluis en het hoofdwerk. Vaandrig Buitendijk, een jonge onversaagde soldaat, tesamen met enkele uitverkoren waaghalzen, was, naast Kapitein Radja Toalele, bevolen de berg te beklimmen. Het inlands vermogen was gelast vanachter, bij het horen van de wapenroep (sein tot aanval), met bulderend geschreeuw de aandacht van de belegerden te trekken en ook, zo het de moed had, om hen aan te vallen Daarvan hebben de Amboinezen zich echt buitengewoon manhaftig gekweten.De superintendant hield zeld de vijfde eenheid voor zich, om daar te steunen waar nodig. Kortom, alles was zeer wijs beslist.Ven op een zeker eilandje, dicht bij Assahoudy, zou met twee stuken het sein tot landing gegeven worden, waarna vanop de schepen ook het vuur geopend zou worden. De 28ste 's avonds ging het gros scheep in kleine bootjes om, bij de stormroep, aan land te kunnen gaan. Geen of weinig slaap kregen de soldaten. Iedereen verlangde naar het begin van de strijd. Eindelijk, op donderdag (de 29ste van Hooimaand), om ongeveer drie uur 's ochtends, en de maan net boven de horizon verschenen, is het afgesproken sein vanop het eilandje gegeven. Ons leger is toen, metsteeds grotere ijver, aan land gesprongen en Frans Smallen en Oudhoorn wierpen inderhaast een borstwering op. Buitendijk en zijn mannen trokken bergopwaarts. De Vlaming, om overal acht op te slaan, verplaatste zich van hier naar ginder. De inlandse bijstandij (hulptroepen) vertrok naar de hen opgedragen vechtplaatsen.
Toen hij naar Assahoudy gezeild was, vond hij daar de aangelegenheden van de Compagnie in wenselijke staat. Dit heeft de superintendant (Arnold de Vlaming van Oudshoorn) doen besluiten de vijand in eigen nest hard te treffen. En om niet door lang twijfelen aan deze beslissing afbreuk te doen, bestemde hij de vierde dag, na onze aankomst in die streek, tot actie over te gaan. De soldaten gorden zich om, om met gretige ijver storm te lopen. De superintendant, in het volle besef dat alle menselijke ondernemingen, buiten Gods hulp, ijdel zijn en tevergeefs ondernomen worden, liet over de ganse vloot zijn bijstand afsmeken. Zelf bracht hij de laatste nacht door met devote gedachten. Het gros van ons leger bestond uit 800 blanke en ongeveer evenveel zwarte koppen. Met deze macht, verdeeld in vijf eenheden is de stormloop ondernomen. Kapitein-luitenant Oudhoorn zou op de westelijke flank van de vijand vorderen, Frans Smallen tussen de kluis en het hoofdwerk. Vaandrig Buitendijk, een jonge onversaagde soldaat, tesamen met enkele uitverkoren waaghalzen, was, naast Kapitein Radja Toalele, bevolen de berg te beklimmen. Het inlands vermogen was gelast vanachter, bij het horen van de wapenroep (sein tot aanval), met bulderend geschreeuw de aandacht van de belegerden te trekken en ook, zo het de moed had, om hen aan te vallen Daarvan hebben de Amboinezen zich echt buitengewoon manhaftig gekweten.De superintendant hield zeld de vijfde eenheid voor zich, om daar te steunen waar nodig. Kortom, alles was zeer wijs beslist.Ven op een zeker eilandje, dicht bij Assahoudy, zou met twee stuken het sein tot landing gegeven worden, waarna vanop de schepen ook het vuur geopend zou worden. De 28ste 's avonds ging het gros scheep in kleine bootjes om, bij de stormroep, aan land te kunnen gaan. Geen of weinig slaap kregen de soldaten. Iedereen verlangde naar het begin van de strijd. Eindelijk, op donderdag (de 29ste van Hooimaand), om ongeveer drie uur 's ochtends, en de maan net boven de horizon verschenen, is het afgesproken sein vanop het eilandje gegeven. Ons leger is toen, metsteeds grotere ijver, aan land gesprongen en Frans Smallen en Oudhoorn wierpen inderhaast een borstwering op. Buitendijk en zijn mannen trokken bergopwaarts. De Vlaming, om overal acht op te slaan, verplaatste zich van hier naar ginder. De inlandse bijstandij (hulptroepen) vertrok naar de hen opgedragen vechtplaatsen.
04 januari 2010 21:54:03
Patrick schreef:
Het vervolg van de beschrijving van Livinus Bor:
De eerste winst was de klip en veroorzaakte de rest. Ik heb uit de mond van Prins Tabinja, op dat ogenblik commandant van het westelijk fort, vernomen dat zij, ziende dat dat wij ons klaarmaakten om aan te vallen, onwrikbaar besloten hadden geen voet te wijken, maar zo lang als ze konden te blijven vechten. Doch de berg (klip), hun hoogste troef, veroverd zijnde, was hun de moed eensklaps in de schoenen gezakt en dat veroorzaakt hun chaotische vlucht. De superintendant, verheugd over dit begin, dankte God voor zijn zegen, en begaf zich naar Oudhoorn, die met zijn troepen blijmoedig klaar stond om aan te vallen. "vrienden," zo sprak hij, "de klip is van ons en nu is het uw beurt. Kniel en help mij eerst God om bijstand te smeken. Want zonder zijn hulp, hebben al onze pogingen geen nut." Zo gezegd, zo gedaan. "Genadige Gog," zo bad hij "verlaat ons niet. Sta ons heden bij. Sla geen acht op onze vele zonden. Vergeef ze ons door de verdienste van Jesus Christus waar wij allen op steunen. Gedenk dat wij uw volk en door zijn bloed gekocht zijn en ook dat wij tegen de vijanden van uw godelijk woord ten strijde trekken. Heer, help ons, want buiten u zijn we verloren. Gij weet dat we voor een rechtvaardige zaak strijden." Hierop, tot besluit, voegde hij het 'Vader ons' en zei, terugg opstaande: "Sa mannen, val moedig aan; vrees niet want die met ons is, is machtiger dan alle macht der Oosterse vorsten. Leg alle nijd en haat jegens elkander naast u neer. Ga ten strijde als vrienden, en steun, zoals ik, vast op God." Toen is hij met ons tot de vesting opgerukt. En zie hoe God de harten opbeurt. Onze moed werd groter en zij (de vijand) werden door deze aanblik zo verschrikt dat ze de vesting uit en bergwaarts vluchten met ons in de achtervolging. In minder dan vier uur veroverden we al hun sterktes, gebolwerkte bergen en vaartuigen, die we in brand stakenn, met aan onze zijde een verlies van slechts twee man en evenveel gekwetsten. Een prachtige overwinning, waarvoor de superintendant, volgens gewoonte en na alle verrichtingen, Gog bedankt, geloofd en geprzen heeft. Ik had toen de eer het vaandel, onder luitenant François Renierss, te voeren. Ja, dat niemand aan de waarheid van dit verhaal twijfelt. Ik ben er ooggetuige van en verklaar, in oprechte waarheid, dat ik er me niet van bewust ben dat enige leugen in dit werk geslopen is; ook de superintendant is daar een groot vijand van. Dat heb ik dikwijls gezien. Bij grove misdaden (niet TE buitenspoors) schold hij de straf kwijt indien de waarhzeid openhartig toegegeven werd en bij geringe misdaden, die echter door leugens bezoedeld werden, strafte hij streng.
De eerste winst was de klip en veroorzaakte de rest. Ik heb uit de mond van Prins Tabinja, op dat ogenblik commandant van het westelijk fort, vernomen dat zij, ziende dat dat wij ons klaarmaakten om aan te vallen, onwrikbaar besloten hadden geen voet te wijken, maar zo lang als ze konden te blijven vechten. Doch de berg (klip), hun hoogste troef, veroverd zijnde, was hun de moed eensklaps in de schoenen gezakt en dat veroorzaakt hun chaotische vlucht. De superintendant, verheugd over dit begin, dankte God voor zijn zegen, en begaf zich naar Oudhoorn, die met zijn troepen blijmoedig klaar stond om aan te vallen. "vrienden," zo sprak hij, "de klip is van ons en nu is het uw beurt. Kniel en help mij eerst God om bijstand te smeken. Want zonder zijn hulp, hebben al onze pogingen geen nut." Zo gezegd, zo gedaan. "Genadige Gog," zo bad hij "verlaat ons niet. Sta ons heden bij. Sla geen acht op onze vele zonden. Vergeef ze ons door de verdienste van Jesus Christus waar wij allen op steunen. Gedenk dat wij uw volk en door zijn bloed gekocht zijn en ook dat wij tegen de vijanden van uw godelijk woord ten strijde trekken. Heer, help ons, want buiten u zijn we verloren. Gij weet dat we voor een rechtvaardige zaak strijden." Hierop, tot besluit, voegde hij het 'Vader ons' en zei, terugg opstaande: "Sa mannen, val moedig aan; vrees niet want die met ons is, is machtiger dan alle macht der Oosterse vorsten. Leg alle nijd en haat jegens elkander naast u neer. Ga ten strijde als vrienden, en steun, zoals ik, vast op God." Toen is hij met ons tot de vesting opgerukt. En zie hoe God de harten opbeurt. Onze moed werd groter en zij (de vijand) werden door deze aanblik zo verschrikt dat ze de vesting uit en bergwaarts vluchten met ons in de achtervolging. In minder dan vier uur veroverden we al hun sterktes, gebolwerkte bergen en vaartuigen, die we in brand stakenn, met aan onze zijde een verlies van slechts twee man en evenveel gekwetsten. Een prachtige overwinning, waarvoor de superintendant, volgens gewoonte en na alle verrichtingen, Gog bedankt, geloofd en geprzen heeft. Ik had toen de eer het vaandel, onder luitenant François Renierss, te voeren. Ja, dat niemand aan de waarheid van dit verhaal twijfelt. Ik ben er ooggetuige van en verklaar, in oprechte waarheid, dat ik er me niet van bewust ben dat enige leugen in dit werk geslopen is; ook de superintendant is daar een groot vijand van. Dat heb ik dikwijls gezien. Bij grove misdaden (niet TE buitenspoors) schold hij de straf kwijt indien de waarhzeid openhartig toegegeven werd en bij geringe misdaden, die echter door leugens bezoedeld werden, strafte hij streng.
04 januari 2010 21:54:51
Startpagina
Admin-login
RSS
Fan worden
Asahudi – Seram
overrompeld en uitgemoord, waarbij 130 Compagniesdienaren het leven lieten. Alleen Luhu kon ternauwernood voor de Ed. Compagnie behouden worden. Dat was voor de VOC de aanleiding om de scheidende gouverneur van de Molukken, Arnold de Vlaming van Oudshoorn, die met een zwakke gezondheid kampte en terug naar Nederland zou keren te benoemen tot superintendent en hem met een vloot naar de Molukken te sturen om voor eens en voor altijd met de voortdurend dwarsliggende bewoners van Hoamoal af te rekenen en het VOC-monopolie op de kruidnagelen voor eeuwig te vestigen. Daarmee was de VOC al sinds het begin van de jaren 1600 zonder veel succes mee bezig. De bedoeling was om de kruidnagelteelt op Ambon en de Lease-eilanden (Haruku, Saparua en Nusa Laut) te concentreren en alle kruidnagelbomen buiten dat gebied te vernietigen, in VOC-jargon heette dat “extirpatie”. In 1652 werd met de Sultan van Ternate, Mandarsjah, een contract getekend om voor een bedrag van 12.000 realen alle kruidnagelbomen in zijn gebied te vernietigen. Dit gaf Arnold de Vlaming van Oudshoorn de gewenste wettelijke basis om de zogenaamde Grote Ambonse Oorlog te ontketenen om met alle inzetbare middelen en niets ontziend geweld af te rekenen met Hoamoal en de andere opstandige gebieden in de Zuid-Molukken. In deze opstanden werden deze gebieden met troepen gesteund door Makassar die zijn winstgevende “illegale” handel in kruidnagelen niet op wenste te geven.
Ik was al twee weken in Indonesië maar hetgeen ik tussen Solo op Midden-Java en Piru te West Seram had gezien was een herhaling van zetten geweest, zelfs de hotels waar ik had geslapen en de restaurants waar ik had gegeten had ik eerder bezocht. Vandaag werd het tijd voor iets nieuws, een plek waar ik nooit eerder was geweest, ik besloot naar Asuhudi te gaan. Ik begon de dag met een stevig ontbijt van rijst, gebakken vis, tahu en daun keladi, daarbij een kopi hitam met setengah gula, in een restaurantje met uitzicht op de terminal van Piru. Daarna ging ik op zoek naar een ojeg, de eerste die mij aanriep vroeg 100.000 Rp, het bedrag dat ik in mijn hoofd had, maar toen ik zei dat ik een uurtje in Asahudi wilde rondwandelen verhoogde hij de prijs tot 125.000 Rp, alsof wachten in Indonesië kostbare tijd zou kosten die vergoed diende te worden. Ik legde hem uit dat zijn werk uit niets anders bestond dan op passagiers staan wachten, werk dat door niemand betaald werd. De tukan ojeg reageerde met stilzwijgen, toen ik wegliep kwam hij niet achter me aan. De volgende die stopte vroeg 125.000 Rp, de weg naar Asahudi zou nogal slecht wezen, iets dat ik onmiddellijk als waar aannam, want het vorige groepje tukan ojeg had dat feit ook genoemd, ik zei OK, want de jongeman kwam sympathiek op mij over en zo ging ik op weg naar de onbekende bestemming voor die dag.
De weg die van Piru naar het schiereiland leidt stijgt, op een gegeven moment krijg je een splitsing rechts naar Loki/Luhu, links naar Asahudi. Op een gegeven moment doemt er een schitterend vergezicht naar Asahudi en het eiland Boano op, daarna daalt de weg en rijdt men in een laagvlakte met een nogal saaie begroeiing, veel kayuputih, een eucalyptussoort waar olie uit wordt gewonnen, verder kasuarisbomen, weinig bos. Ook werd de weg steeds slechter, soms zelfs ondragelijk slecht, ik had de tukan ojeg goed ingeschat, hij was heel erg behoedzaam in zijn rijden. De weg is gelukkig erg rustig, af en toe passeer je een dorpje, maar in het algemeen was het landschap troosteloos leeg, er was weinig te zien dat mij boeide. Na ongeveer twee uur rijden kwamen we bij Asahudi aan, het dorp was niet meer dan een lange straat met wat zijstraten, er was waarschijnlijk een asfaltweg door het dorp heen gepland, er waren net goten gemetseld, maar de weg bestond verder uit hopen zand en besloot ik tot aan zee te lopen. De naam was tegenwoordig Allang Asaudi, dat Allang was afkomstig van een dorp op Ambon, waarvan de bevolking in de jaren 1946/47 door de Nederlandse overheid naar deze plek was getransmigreerd, een duidelijke reden kon men mij niet vertellen. Het is echter bekend dat Ambon heel erg onder W.O.II te lijden heeft gehad onder andere door bombardementen van de Japanners en de geallieerden, misschien ligt daarin de oorzaak. Veel van de mensen afkomstig uit dit dorp schijnen in Nederland te wonen, men sprak van regelmatige bezoeken van deze mensen aan het dorp. Wat opviel was de immense Protestantse kerk die onafgebouwd midden in het plaatsje stond, een formaat die een middelgrote stad op Java niet zou misstaan. Men was in 2004 met de bouw begonnen, maar deze werd steeds stil gelegd vanwege geldgebrek. Was het in de Middeleeuwen ook niet zo dat Europese dorpen en steden een moordende concurrentie aangingen om de grootste en mooiste kerk van de gehele omgeving te bouwen? De Protestantse gemeenschap in Allang Asaudi bedraagt 200 KK (Kepala Keluarga = gezinshoofd) dat zijn 800 mensen in Indonesiche cijfers, het lijkt mij een vrij onmogelijke taak voor die mensen om de bouw van dit immense godshuis te bekostigen.
Uitzicht op de baai van Asahudi en op de achtergrond het eiland Boano.
De weg naar Asahudi, dit soort wegdek treft men over een
afstand van ±30 km aan.
De in aanbouw zijnde kerk van Allang Asaudi.
Ik liep een gammele brug over naar het strand, het strand van Asahudi, dat strand was ooit het toneel geweest van een van de hevigste veldslagen uit de Nederlands-Indische krijgsgeschiedenis. In de loop van de Grote Ambonse Oorlog was Asahudi uitgegroeid tot een toevluchtsoord voor Makassaren, Maleies en voor bewoners van Hoamoal en de voor de kust liggende eilanden. Er waren in Asahudi maar liefst 9 vestingen gebouwd, het was de plaats waar de Makassaren jarenlang hun hoofdkwartier hadden. Na een blokkade die twee jaar had geduurd arriveerde in juli 1655 de superintendent De Vlamingh in de baai van Asahudi met drie schepen, twee sloepen en een vloot van Ambonese kora-kora’s. Het was hem ter ore gekomen dat de verdediging van de vestingen zwak was door gebrek aan voedsel en onderlinge verdeeldheid en hij hoopte hier een einde aan de oorlog op Hoamoal te kunnen forceren. De Vlamingh zette de aanval van 4 punten gelijktijdig in, het sein voor de aanval werd gegeven door twee stukken geschut die op het eilandje Nusa Ela voor de kust stonden opgesteld. Er werden op twee plaatsen met sloepen en orembaaien troepen aan land gebracht. Aan het strand werden er provisorische barricades opgeworpen. Er was ook een groep soldaten die in de nacht in een baaitje achter Asahudi aan land gezet waren die de vijand in de rug zou aanvallen. Bij het aanbreken van de dag werd het Wilhelmus geblazen ten teken van de algemene aanval. De Makassaren en hun bondgenoten boden nauwelijks verzet en namen de wijk naar twee vestingen in het achterland, deze waren echter te klein en te zwak om stand te houden. Na een mislukte poging om het eiland Kelang te bereiken trekken de vijandelijke troepen naar Kalike in het binnenland. Deze slag bleek beslissend in de oorlog, nadat De Vlamingh deze gewonnen had kon hij zijn plannen uitvoeren om van Hoamoal een “eeuwige woestenij” te maken door de bevolking van Hoamoal naar andere eilanden over te brengen en hun hoofden te Batavia gevangen te zetten. De kruidnagelbomen werden gekapt en ook veel van de sagobossen zodat eventuele achterblijvers niets te eten zouden hebben.
“De Negerije Assahoudij gedistrubbeert op 26 november 1633”.
In 1633 werd Asahudi ook al eens verwoest door Artus Gijssels.
De rots aan de kust die in alle oorlogen die de VOC te Asahudi heeft gevoerd een belangrijke rol heeft gespeeld, tegenwoordig is er vooraan een steengroeve, zodat er over enige jaren weinig meer over zal zijn van deze historische plek. De locale naam is Kota Halu,
in het Maleis betekent Kota o.a. fort.
Detail van het hoogste punt van de rots
Nusa Ela,
op dit eilandje stonden de twee kanonnen opgesteld waarmede De Vlaming het sein voor de aanval op Asahudi gaf. Lokaal heet dit eiland “Pulau Houtman”, enig doorvragen leerde mij dat hiermee Cornelis de Houtman wordt bedoeld, hetgeen mij bevreemde, want Cornelis heeft niet zo een belangrijke rol in Indië gespeeld, hij sneuvelde te Aceh tijdens zijn tweede reis naar Indië. Zijn broer Frederik moet in deze contreien bekender geweest zijn want hij is enige jaren gouverneur van de Molukken is geweest.
De “zoute rivier” die vanuit een zout binnenmeer naar de kust stroomt, Asahudi betekent “zoute rivier”
Inwoners van het eiland Boano leggen aan
Vrouwen uit Boano keren uit de hoofdstraat van Asahudi terug
met sago en groenten.
De historische gegevens voor dit stuk zijn o.a. afkomstig uit “De Ambonse Eilanden onder de VOC” door G.E. Rumphius.