24 januari 2010: Kolonist op Nieuw Guinea - 5

Bruinsma
In deel 5 verhuist Dhr. Bruinsma van Sarmi naar Seroei op het eiland Japen. Voor hen die er geweest zijn weer herkenbare taferelen en namen, voor de anderen

Hoofdstuk VI - Seroei 1952. Een oase van groen en rust

Een liefelijk gelegen aan de zuidelijke inham van het eiland Japen. Het dorpje bezit een klein wit strandje met een piertje, waaraan kleine kustvaartuigen kunnen meren. Deze inham biedt aan vissers, die met hun prauwen op zee de visvangst beoefenen een veilige beschutting tegen de vaak plotseling opkomende storm. De “angin-riboet” een stormwind zoals het daar wordt genoemd. Deze wind, die met een luid angstaanjagend gejoel uit het noorden komt, strijkt dan langs de heuvels over Seroei heen. En dit gebeurt meestal in de westmoesson. In dit seizoen veroorzaakt hij door opstuwing in de luchtlagen tegen de berghellingen langs de noordkust ook de zeer zware regens. Je kunt in deze tijd van het jaar beter niet te ver uit de kust uit vissen gaan.

Seroei is een middelgrote plaats met inwoners bestaande uit autochtonen, Europeanen (Bestuur, Politie, en enige landbouwambtenaren) overal aanwezige Chinezen met hun toko’tjes. Tenslotte enige Indonesiërs met hun gezinnen. Kort na aankomst werd ik aan het Hoofd van Plaatselijk Bestuur, Mr. de Zoete voorgesteld. Later zou deze bestuurs man worden opgevolgd door dhr. van Eek, ex-H.P.B. van Sarmi. Daarna volgde kennismaking met het kader en personeel van het detachement. Tot dit kader behoren de ivp Nelwan (2e man), van der Elst, Pieroeli, Engels, de Bats, Jeltes en de inheemse kaderleden Tompoh en Mamboeai. De grootte van de personeelsbezetting verraste mij. Maar gezien de uitgestrektheid van het ressort was de ruime bezetting niet vreemd. De eilanden ten zuiden en zuidoosten van Japen en het kustgebied ten zuidwesten van de Geelvinkbaai met de daarachter gelegen junglegebergte, was mijn nieuw patrouilledomein!


Wij (mijn gezin en ik) kregen van het H.P.B. een gelijksoortige woning als in Sarmi toegewezen, met dit verschil dat we hier een open voorgalerij had den en een slaapvertrek meer. Daarbij was dit huis in het rijkelijk bezit van een waterput met helder koel water Dit water werd door middel van een eenvoudige hefboom installatie (van bamboe) emmersgewijs opgehaald. En wat de verlichting betreft, de “stormking”, een petroleumlamp onder druk, deed het nog steeds. Het detachement kreeg later de beschikking over een klein licht aggregaat, een erfstuk van de Japanse bezetting.

Petromax

Stormking and queen


Enige tijd later maakte ik kennis met enkele kolonisten die Seroei rijk was, t.w. Wilten, Kuipers en Abels. Hoe lang zij daar al zaten wist ik niet. Ze hadden een agrarisch bedrijfje en verbouwden groenten en fruit die aan de ingezetenen gretig aftrek vonden. Ook de autochtonen en een paar Indonesiërs w.o. Alwi Rachman, hadden in deze bedrijfstak hun living gevonden. Ze werden daarbij gesteund en voorgelicht door de landbouwdeskundige van Genderen. Van eerder genoemde Alwi Rachman, die zich in gebrekkig Nederlands verstaanbaar wist te maken, is mij nog bijgebleven, dat hij jonge, gestreepte, varkens aanduidde met ''bigten met pyjama ........”; wat prompt door ons allen werd overgenomen.


Seroei had aan landbouwproducten geen gebrek. Zelfs de Marine uit Biak en de langsvarende KPM’ers foereerden in dit plaatsje. Dat Seroei een vruchtbaar eiland was, bewezen ook de kaderleden In die betrekkelijk korte tijd dat ik in Seroei verbleef, mocht ik ettelijke malen als peter optreden. Op pasardagen heerste er in het havengebied en omgeving een gezellige drukte; Tientallen prauwen van nabu rige dorpen kwamen naar Seroei om hier hun producten aan de man te brengen. Er werd van alles verhandeld: copra, damar, bosproducten, zoute vis, landbouwproducten en noem ze maar op. De handelaren deden op die dag goede zaken. En als de grote boten zoals de K.P.M. of een Nederlands schip Seroei aandeden, was op dit haventerrein dezelfde drukte waarneembaar. Want dan werden de bestelde artikelen en heerlijkheden uit het buitenland (Nederland of Singapore) uitgeladen en kon het District Japen/Waropen weer met nieuwe artikelen worden bevoorraad.


Het Christelijk deel van de inwoners van het dorp was overwegend Gereformeerd. De Zending had hier haar "Head Quarter". Europese zendelingen gaven in het seminarium onderricht aan Papoea leerlingen en toekomstige goeroes. Het Zendingsterrein, dat wat achteraf gelegen was, ademde en straalde integriteit en godsvrucht uit. Daar wisten wij van mee te praten ! Toen op Koninginnedag, tijdens de volksfestiviteiten mijn agenten en kaderleden met hun dames een feestje in de kazerne hadden "opgebouwd", werden wij na een menari-dans (dit is een gemeenschappelijke inheemse dans} door een zeer boze zendeling aangesproken. "Dit feest is geen stichtelijk voorbeeld voor de autochtone bevolking. Ik zal hierover mijn beklag indienen bij het Hoofd van Plaatselijk Bestuur! Misschien was hij kwaad op een groep nietdansers, die zich vermaakten met het race paardenspel? Wij wisten het niet. Helaas konden wij om wille van geloofsovertuiging het feest dat wij ter ere van onze vorstin vierden, niet zo abrupt doen beëindigen. Het onder houd dat ik de volgende dag met het HPB terzake had, zal hier niet nader worden toegelicht. Dat wij zowel met onze Vorstin als met het Vaderland meeleefden. bleek duidelijk bij de watersnoodramp, die Nederland 1 februari 1953 trof. Er werd in Seroei van alles georganiseerd om geld in te zamelen. Het Bestuur zette een Pasar Malam in elkaar, waaraan ook de Politie haar medewerking verleende. Verder gaf de politie "cabaret" voorstellingen, die bomvolle zalen trokken, omdat dat iets nieuws was voor de Papoea's in Seroei. Zij zullen zich het clownsduo Otji en Deho nog herinneren, evenals de goochelkunstjes, voor de Papoea's "toverij", die er vertoond werden.

Seroei: steiger

Seroei, de steiger aan de haven



Onze patrouilles in dit ressort waren voor 50% over het water (of zee) en voor de rest over land. We hadden een grote prauw ter beschikking. Later kregen wij van de dienstleiding in Hol landia, een buitenboordmotor toege zonden. Maar voorlopig moesten wij het doen met zeil en roeispanen. Een patrouille te voet was ook niet "je dat” ; je baggerde of door de modder of het was klauteren tegen de bergwanden geblazen. Het was een verademing indien je over een stuk vlak en droog terrein kon lopen. één van de belangrijkste taken van het Seroeise detachement in die tijd was het begeleiden c.q. dekking verlenen aan een geologische groep van de NNGPM ('n olie maatschappij), die onder leiding stond van een Engelse geoloog, Chapman. Hij sprak aardig wat Nederlands en dat wilde hij maar al te graag laten horen. De groep opereerde in het gebied nabij de bovenloop van een van de westelijke zijtakken van de grote Memberamorivier. Het gebied was nog maagdelijk en de Papoeastammen, die daar rondzwierven, behoorden tot de Baoedi-stam. Ze hadden de reputatie niet al te vriendelijk te zijn tegenover vreemdelingen. Zelfs de kustpapoea's uit de nabij gelegen dorpen waagden zich niet in hun jachtgebied. Vandaar dat de oliemaatschappij een beroep op de politie deed voor begeleiding en bescherming. Uit de veelvuldig verrichtte patrouilles werd enige malen contact verkregen met deze Baoedi-stam, die nooit eerder een blanke had gezien. (Nou ja, wat heet blank?) De patrouille die het eerste contact maakte, moest zich schielijk naar een veiliger oord terugtrekken, omdat de gastheren zich zeer vijandig gedroegen. Weliswaar waren de politiepatrouilles met geweren uitgerust, maar voor pijl en boog had men heilig respect, want je hoorde ze niet. En trouwens het gebruik van vuurwapens was alleen in uiterste nood geoorloofd, en daar hielden wij ons aan. De tweede patrouille die geleid werd door ipv Nelwan, had meer geluk een Badoei-stam te ontmoeten. De kennismaking ging gepaard met enthousiaste omhelzingen en joviale schouderklop jes. Maar dat kon helaas niet gezegd worden van het afscheid. Hoewel we niet verstonden wat ze zeiden, konden we heel gemakkelijk uit de toon en de dreigende houding aflelden, dat onze nieuwe vrienden ons geen "tot wederziens" toezongen. Communicatiestoornis was vermoedelijk de oorzaak van de minder goede afloop. Jammer dat tijd en gelegenheid ontbraken om elkaars vertrouwen te winnen. Dit zou tot stand kunnen komen na meerdere en langduriger contacten.

Zoals reeds eerder is aangehaald moest een politiepatrouille in Nieuw Gulnea selfsupporting zijn. Dit impliceerde het meenemen van alleen het hoogst nodige. Je foerage diende je aan te vullen met hetgeen je onderweg ving (vis) of schoot (wilde zwijnen, kasuarissen of gevogelte). Tenten werden niet meegenomen. Dat was overtollig ballast . Was er een dorpje, dan konden wij overnachten in een optrekje dat als slaapvertrek diende. In het bos sliepen wij onder een bladerdak of plastic zeiltje, dan wij van de dienst hadden ontvangen. Vanwege de scherpe doornen en puntige takken waren die dingen meestal geen lang leven beschoren. Je legde je ten ruste op een bed van naast elkaar gebonden takken. Geriefelijk was anders! Je deed ’s avonds een schietgebedje dat geen slang of ander reptiel de nachtrust samen met je ging delen....... Wat een verschil met de uitrusting van de geologische groep. Die gingen met complete maaltijden in blik, limonade, bier, sigaretten, etc. de oedik in. Wij keken wel eens met schele ogen naar al die heerlijkheden. Bij langere verblijven in het bos richtten zij een basiskamp op, dat van alles bevatte, inclusief een frigidaire! Materieel waren zij ook goed voorzien. Motorsloepen, buitenboordmotoren en prauwen behoorden tot hun unit. Hun ration en sigaretten werden per plane aange voerd en boven het bivak gedropt. Ze hadden dagelijks radiocontact met hun hoofdkantoor in Sorong. Het verhaal deed de ronde dat Chapman eens per radio aan Sorong doorgaf dat hij een vrouw had gekocht...... Grote consternatie aan de andere zijde van de ether; totdat men in Sorong begreep dat het om een aankoop van een prauw ging en niet van een "vrouw". Chapman was een gentleman. Waar hij zich ook bevond, in de bewoonde wereld of diep in het oerwoud, des zondags placht hij in nette kleding rond te lopen, compleet met een stropdas om !


Als ik het over patrouilles heb, denk ik onwillekeurig aan onze posthuiscommandant Tompoh, een half Papoea. Hij was onze leermeester in het patrouillelopen. Hij kende het ressort zowat op z'n duimpje. Hij wist overal raad op. Werkelijk een onmisbare man op pa trouilles. En steeds attent! Zo viel het mij eens op,dat hij mij op bepaalde plaatsen in hot bos vooraan liet lopen en op andere plaatsen juist achter de patrouille. Nadat de reden gevraagd legde hij mij uit, dat hij mij achteraan liet lopen in het gebied waar veel wespennesten voorkwamen. De voorlopers stelden namelijk de rest van de patrouille er van op de hoogte als er een wespennest langs het pad aan een struik of in de boom hing. Dan hoorde je een kreet: "oefoe, oefoe" (vrij vertaald, wespen!). Maar het kon ook wel eens gebeuren dat ze dat te laat opmerkten. Dan zag je taferelen van hard weglopende mannen en in het rond slaan van handen. Ik heb dit persoonlijk meegemaakt en ik verzeker je dat wespensteken gemeen pijn doen. Tompoh liet mij vooraan lopen in een gebied waar veel bloedzuigers (lintah's) voorkwamen. Ze waren op de grond of zaten op blaren rustig op hun prooi te wachten. Door de voorste loper werden ze opgeschrikt om vervolgens de achterste lopers te belagen. Die krengen zaten op je nek, op je handen en andere onbedekte lichaamsdelen. Soms zagen ze kans om tussen je broekspijpen door de glippen. Het lostrekken van deze bloedzuigers kan wondjes veroorzaken; beter is het om ze met tabakswater te besproeien, want daar konden ze niet tegen! Deze bloedzuigertjes zien eruit als bruine gekromde spijkertjes van ± 2 cm lengte. Maar als ze zich vol hebben gezogen krijgen ze de gestalte van dikke wurmpjes.


Op zekere dag werden wij opgeschrikt door het bericht dat patrouillecomman dant De Bats was aangevallen door een wild zwijn dat hij zelf had aangeschoten. Met een diepe gapende wond aan zijn kuitbeen was hij naar een dichtstbijzijnd dorp getransporteerd, om vandaar uit per prauw naar Seroei te worden vervoerd. Aangezien de Bats veel bloed verloren had, was het nog de vraag of hij Seroei haalde. Want daar kon medische hulp worden verkregen. Een Molukse goeroe van het dorp heeft toen een paardenmiddel toegepast om het bloed te stelpen.

Hij maakte een papje van uit palmwijn vervaardigde azijn en schoolkrijt en deed dit op de wond. De prauw die de gewonde en de patrouille vervoerde, ontmoette na uren roeien gelukkig de Higginsboot van Seroei, die op weg was naar Biak. De kapitein (djoeragan) van de boot heeft zijn reis naar Biak onderbroken en heeft rechtsomkeert gemaakt om de zwaargewonde De Bats naar Seroei te brengen. Na aankomst werd hij onmiddellijk naar het ziekenhuis overgebracht waar de dienstdoende arts Leiker hem vakkundig oplapte. Dank zij zijn taai gestel kwam hij zijn verwonding te boven, al moest hij nog enige maanden op krukken lopen!


In Seroei had je geen tandarts. Je moest dan naar Biak, een eiland ten noorden van Seroei. Als je op de heuvel stond kon je bij mooi en helder weer het eiland in de wazige verten zien liggen. Er was daar een Marine tandarts, die ook de burgerij tandheelkundige hulp verleende. Ik verkreeg toestemming om mijn gebit dat reeds lang aan renovatie toe was, te laten behandelen. Tijdens de behandeling kwam het H.P.B. van Biak de kamer binnenlopen en zei tegen mij, dat ik zo gauw mogelijk naar mijn standplaats terug moest. Ik vroeg aan dhr. van Gent wat de reden daarvan was, hij antwoordde: "U moet op patrouille naar een gebied in de Waropen. Er dreigt daar een stammenoorlog uit te breken....." Dat wist ik dan weer!


Een preventief optreden van de politie kon zo een confrontatie mogelijk nog voorkomen. Er was op dat tijdstip geen boot aanwezig of beschikbaar, die mij naar Seroei kon brengen. Het H.P.B. wist misschien een oplossing daarvoor, maar hij moest dan wel eerst met de Marinecommandant erover praten. Er ging n.l. op die dag een Catalina-vliegtuig op routinevlucht naar de Wisselmeren en zou ik dan tot Seroei kunnen meeliften. Na een poosje kwam de bestuursman weer terug en deelde hij mede dat ik met de Catalina kon meevliegen. Dus ging ik na de tandheelkundige behandeling naar het Marine etablissement in Baroekoe en stapte daar in de amfibie die startklaar stond. Na enige gegevens met de piloot te hebben uitgewisseld gingen wij de lucht in.

Binnen een uurtje landden wij in een voor mij bekend binnenzeetje nabij Seroei. Ik verwachtte wel dat er iemand mij daar zou opvangen, want ik was zeker niet van plan om zwemmend naar de kust te gaan. "Dat is niet nodig" zei de gezagvoerder mij. "Wij hebben aan boord een opblaasbaar rubberen vlot en daarmee kunt U een eind vooruit." En stapte ik dus in dat opgeblazen ding. Een van de bemanningsleden overhandigde mij nog een roeispaan en wenste mij het beste en sterkte toe. Ik wenste ze ook een goede vlucht toe en kort daarna zag ik het toestel opstijgen en in zuidelijke richting wegvliegen.Ik bleef alleen en verlaten in een binnenzee van Nieuw-Guinea! Nog nooit van mijn leven had ik in zo'n rubberen geval gezeten en hoe ik ook roeide, ik kwam niet vooruit! Het vlot dreef hoe langer hoe verder de open zee in en de kustlijn leek steeds meer te vervagen. Ik besefte dat het aflopend tij was. De getijstroom tussen het eiland Japen en het vasteland Waropen was door de nauwe doorgang zeer sterk. Als er niet snel hulp kwam zou ik binnen niet al te lange tijd op de Pacific Ocean ronddobberen. Geen prettig vooruitzicht. Mijn engelbewaarder heeft op mijn schietgebedje gelukkig gunstig gereageerd, want in de verte zag ik een prauw naderen die ik later herkende als de politieprauw, met mijn agenten als roeiers.

Prauw



vervolg >>

Reeds verschenen:


Reacties

hu hi ko :d
04 februari 2010 14:59:40

Uw reactie



Toegelaten BBCode:
[b] [i] [u] [s] [color=] [size=] [quote] [code] [email] [img] [youtube]

Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.