Vandaag het vervolg en het einde van Dhr Bruinsma's verblijf op Seroei. Hoofdstuk VII over o.a. patrouille-lopen om kolen te zoeken en hoofdstuk VIII
over ondermeer voetbal.
Hoofdstuk VII - Seroei : vervolg
Op zekere dag verscheen in de inham van Seroei een oorlogsbodem van de Koninklijke Marine. Aan boord bevond zich de heer Kroon, conservator bij een Rijksinstelling in Nederland. Het Hoofd van Plaatselijk Bestuur was van zijn komst blijkbaar op de hoogte, want ik werd kort daarna aan hem voorgesteld. Uit de gevoerde gesprekken begreep ik dat het ging om een patrouille naar het binnenland en waarbij dhr. Kroon ook van de partij zou zijn. Er zou een onderzoek worden ingesteld naar de herkomst van de kolen, die aan de monding van een rivier in het Waropen-gebied waren aangetroffen. De kleine koolrestjes moesten door de rivier zijn aangevoerd en ergens in de bovenloop moest zich de ontsluiting bevinden. Delfstoffen waren voor de op- bouw van Nieuw Guinea van groot belang. De taak die ik opgedragen kreeg om deze delfstof op te sporen, leek mij geen gemakkelijke opdracht. Het zou simpel zijn geweest indien de rivier geen zijtakken had. Elke zijtak zou nu moeten worden nagelopen en onderzocht op aanwezigheid van dit materiaal. Met het oog op de ravitaillering konden wij wel eens in tijdnood komen te zitten. Een plane om onze rations aan te vullen en te droppen hadden wij niet. Dan maar op goed geluk af! Want een onderzoek naar (eventuele) aanwezigheid van deze kolen moest toch doorgang vinden.
Nadat wij door onze Higginsboot nabij een dorp in de Waropen waren afgezet, begonnen wij ter plaatse naar prauwen, roeiers en dragers te informeren. We hadden geluk dat er prauwen beschikbaar waren en dat er verscheidene dorpsroeiers aanwezig waren die best wat geld en aangeboden contactartikelen konden gebruiken. Met de prauwen probeerden wij zover mogelijk het binnenland in te komen en waar de rivier onbevaarbaar werd, zou de tocht te voet worden voorgezet. Ik had ook nog de zorg en verantwoordelijk- heid over dhr. Kroon. Want onze conservator moest heelhuids en ongeschonden naar Nederland terugkeren. Wij boften dat op dat tijdstip de natte moesson nog niet was ingetreden, want dan was de expeditie vawege de zware regens en onbevaarbaarheid van de sterk gezwollen rivieren, bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Bij iedere splitsing van de rivier de rivierbedding en de oevers op sporen en aanwezigheid van steenkoolresten onderzocht. Wij konden dank zij de lage waterstand van de rivier en drooggevallen oevers, het spoor een heel eind stroomopwaarts volgen. Dit speuren en zoeken had heel wat dagen van onze tijd in beslag genomen. De prauwen hadden wij met de gecharterde roeiers al enige dagen eerder teruggezonden. Hoe dieper wij in het binnenland kwamen, hoe rotsachtiger de rivierbedding werd. Rotsblokken soms ter grootte van een woonhuis versperden ons de doorgang. In dit ruige bergachtig stroomgebied waren wij geen Papoeadorpjes of gehuchten tegengekomen. Ook geen krijgers van de Baoedi-stam. Dan op zekere dag zagen wij tegen een hoge oeverwand een ontsluiting van de gezochte kolen. De steenkoollagen ter dikte van een halve tot één meter zagen wij afwisselend en in een onregelmatige gelaagdheid tegen de rivierwand opglooien. Hier bevond zich dan de oorsprong van de aan de kust aangetroffen steenkoolresten. Wij namen van de gevonden mooi glanzende steenkolen enige monsters mee. Of dit aan de oppervlakte tredende steenkoolveld exploitabel was, moest door een deskundige maar nader worden bepaald. Zoals met vele delfstoffen die in Nieuw Guinea te vinden zijn (goud, nikkel, koper, bauxiet, kolen, etc.) was door allerlei omstandigheden de winning daarvan nog steeds niet begonnen. Slechts de in de Vogelkop gewonnen aardolie, werd met tankschepen geëxporteerd.
Gedurende de tocht door de rivieren mocht ik van dhr. Kroon zijn meegebrachte geigerteller hanteren. Het was een toestel dat radioactief gesteente kon aantonen. Het was een lange metalen staaf, gevuld met droge batterijen. Onderaan de staaf bevond zich een zoeker en aan de bovenkant was het apparaat d.m.v, een elektrische draad, met een koptelefoon verbonden. Als je tijdens je speurtocht een geknetter in de koptelefoon hoorde, kon je “Bingo” roepen. Dan was je “binnen” of niet natuurlijk, want alle gevonden ertsen, delfstoffen, etc. behoorden het Gouvernement toe(?!) Als in Australië uranium was gevonden, waarom in Nieuw Guinea dan niet? In de droog gevallen rivierbeddingen vond ik verscheidene mineralen, waaronder kwartsen, bergkristallen, mooi getekende agaten en ander gesteente. Aangezien ik destijds in deze stenen niet was geïnteresseerd, nam ik ook niet de moeite ze nader te onderzoeken. Daarbij had je tijdens een patrouille niet de tijd je daarmee bezig te houden. Het idee om je ransel met dit materiaal te verzwaren was absurd!
Het Waropengebied ten westen van de grote Maberamo-rivier, behoorde tot ons patrouilleterritorium. De kust daarvan is over tientallen kilometers in het vierkant één uitgestrekt moerasgebied en overdekt met mangrovebossen. Wie dit gebied per prauw betrad (een andere mogelijkheid was er niet) moest gebruik maken van een gids of roeiers, die de vaarroutes op hun duimpje kenden. Anders was je daar in dat moeras met zijn doolhof aan vaargeulen, doodlopende kreek jes en mangrove bomen, onherroepelijk verloren. De dorpjes in de omgeving van Barapasi stonden op pa len, zodat eb en vloed daar vrij spel hadden. Ook gemakkelijk voor de bewoners. Je wierp je afval gewoon over de drempel van je huis en je had er verder geen omkijken naar. Alleen net drinkwater moest uit een bron op het vaste land worden gehaald. Tijdens een van mijn vaarpatrouilles door dit mangrovegebied verzocht een roeier mij te stoppen. Hij wees naar een overhangende tak en zei; "Oelar toean". In het begin zag ik niet wat hij bedoelde, maar toen ik goed keek, zag ik het beest liggen. Het was een py thon van circa 4 meter lengte! Met een welgemikt schot wist, ik dit reptiel neer te leggen. Heel langzaam gleed het lichaam naar beneden en viel toen met een plons in het water. Op dat zelfde moment sprongen twee roeiers overboord en doken het dier achterna. Een korte tijd later kwamen ze boven water met de python in hun handen. Grote vreugde onder de roeiers want dat was een extraatje bij het menu. In het dorp aangekomen werd de slang tijdens het bereiden van onze maaltijd boven een vuurtje geroosterd. Ik kreeg ook een stuk slangenvlees aangeboden, maar ik heb dit beslist en nadrukkelijk geweigerd.
Bij een andere gelegenheid liepen wij door het moeras te baggeren. De ondervinding heeft mij geleerd, dat vooraan lopen ook andere consequenties kan hebben als je niet in dit land bent opgegroeid. In dit geval liep onze gids vooraan. Papoea's hebben nu eenmaal voor dergelijke dingen een zesde zintuig. Op een gegeven ogenblik stond hij plotseling stil en toen ik hem vroeg wat er aan de hand was, wees hij op een boomstronk die op onze route lag. Althans dat dacht ik. Bij nadere beschouwing ontwaarde ik, boven de modder uitste- kend. een paar ogen die ons lodderig aankeken. Ontegenzeggelijk de ogen van een krokodil! Wij hadden op het beest kunnen schieten, maar indien het eerste schot niet dodelijk was, kon de krokodil ons aanvallen. En doordat wij in de modder stonden, verkeerden wij in een kwetsbare positie. Met een grote boog zijn wij toen maar om die plek heengelopen. Voor agenten en dragers stond er die dag geen extraatje op het menu.
Hoofdstuk VIII
De oliemaatschappij, de NNGPM te Sorong, had voor een vlot verloop van haar geologische campagne in het Waropengebied, een dringend beroep gedaan op medewerking van de Politie, en in het bijzonder het Politiedetachement van Seroei. Het onderzoek moest namelijk worden verricht in het gebied van de Baoedi's, die als vijandig en oorlogszuchtig stonden aangeschreven. Zelfs de Papoea's die aan de kuststreken woon- den, vermeden enig contact met deze stammen. De inheemse werkers en dragers van de NNGPM weigerden pertinent het gebied te betreden zonder politiedekking. Dus kregen wij het verzoek (lees opdracht) van onze superieuren om de geologische partij bij hun werk te begeleiden. Het kader en personeel werd bij toer- beurt ingezet voor een patrouille in het Waropengebied. Daarnaast ging het veldwerk en andere politie- werkzaamheden gewoon door. In het begin verliep de operatie niet zo vlot als verwacht werd, maar naar- mate het werk vorderde, verbeterde de verhouding tussen de werkers en bevolking. De Baoedi's hadden zich wel een paar malen laten zien, maar tot een goed contact is men niet gekomen. Zij gedoogden eenmaal niet dat andere stammen hun gebied betraden. Met lede ogen moesten zij nu toezien hoe "indringers" (de werkers, van de NNGPM) onder dekking van een gewapende macht hun terrein binnen kwamen en daar tijdelijk verbleven Als boze blikken achter het struikgewas konden doden.....
De tolk van een patrouille werd eens door de aanvoerder van de Baoedi stam verweten, dat hij de Politie in hun gebied wegwijs maakte. Uit de gedragingen van de Baoedi's konden wij de conclusie trekken, dat zij niet in het minst gesteld waren op toenadering met de buitenwereld of met het Bestuur (Pemerintah) En met de Politie? Die konden zij het heilig kruis wel nageven! ! Gezellige jongens, die Baoedi's ! Dit waren enige ver- halen over Politiepatrouilles in het ressort Seroei/Waropen. De operatie G.O. (Geologisch Onderzoek) die onder Politiedekking werd uitgevoerd, had ongeveer zes maanden in beslag genomen. Bij toerbeurt onder leiding van de patr. comdt. Engels, Van der Elst, Bruinsma, Nelwan, de Bats en de Adsp. Controleur Moll. Het geologisch onderzoek in de niet gevaarlijke gebieden geschiedde zonder politiedekking. De samenwerking met het kader en het overig politiepersoneel was boven alle lof verheven. Ook met de burgerij onderhielden wij goede contacten, zowel met de autochtone als met de niet-autochtone. Ik denk daarbij aan een zekere Pauwels en zijn opvolger Schiweck, beide ambtenaren bij de PTT en belast met de telegrafische bericht- geving, aan de administratieve ambtenaren bij het Bestuur Léman en Tan. De eerste had nog de geboorte van mijn dochter Jill ingeschreven. Laatstgenoemde was een prima voetballer en goalgetter bij de plaatse- lijke voetballerij. Ons politieelftal (waarvan ik keeper was) had aan hen een zware noot te kraken. Soms werden de Papoeaspelers zo fanatiek dat het voetbalspel meer weg had van rugby, vanwege de veelvuldige tackles. Het was mij eens overkomen, dat onze Papoeategenspelers mij met bal en al het doel in ramden. Er werd “goal” geroepen. Maar dat pikten mijn agentenspelers niet! Er volgde een fikse knokpartij! Ik probeer- de de vechtenden te scheiden, waarbij ik werd bijgestaan door een Papoeageestelijke. Hij schreeuwde in het plaatselijke dialect de vechtjassen een halt toe en toen dat niet hielp deelde hij links en rechts klappen uit om hun tot bezinning te brengen. Onze clericus was beslist geen voorstander van de rede, maar eerder een man die de regel huldigde van: wie niet horen wil, moet maar voelen!
Politie voetbal elftal contra burgerij
Het Hoofd van Plaatselijk Bestuur dhr. van Eek, wandelde op zekere morgen de kazerne binnen en nam in mijn kleine kantoortje plaats. Hij viel meteen met de deur in huis door te zeggen: "U bent overgeplaatst. U gaat naar Biak en uw opvolger wordt de ipv De Haas". Hij vond het jammer dat ik wegging, maar de dienstleiding had zulks nu eenmaal bepaald. Ik kan mij nog de dag herinneren dat ik en mijn gezin Seroei binnen kwamen. Vanaf de pier liepen wij langs de verharde dorpsweg naar het noorden, naar het kantoor en huis van het HPB. Want ook daar lag de Politiekazerne en stond mijn toekomstige woning. Langs de route waren de winkels en goedangs (pakhuizen) van de Chinezen gelegen, alsmede van andere handelaren zoals de ex- en import Mij de "Nigimy". Ongeveer halverwege de route stond een Papoeaschooltje, waar later mijn oudste dochter Joyce, tussen de Papoease leerlingetjes les kreeg. En op het einde van de weg, liep een mooi laantje naar het ziekenhuis, dat voor Seroei zeer karakteristiek was. Dit laantje was geflankeerd door oude regenbomen, zoals ik ze alleen in Indonesië zag. Ze moesten daar tientallen jaren geleden zijn geplant. Tegenover de Politiekazerne lag de aloon-aloon (annex voetbalveld) en daarom heen de huizen van het Europese kader. Vanuit dit "centrum" liepen brede paden naar het Zendingsterrein, de landbouwobjecten en er liep ook een weggetje door het bos naar een mooi en schoon strandje, ten westen van Seroei. Het dorpje in z’n geheel deed me sterk denken aan een kustplaatsje ergens op Java. Een maand later nam ik voor de derde maal afscheid van het kader en personeel en van de burgerij van dit vriendelijke plaatsje Seroei. Met een Higginsboot voeren wij Biak-waarts.
Afscheidsfoto van de aftredende Detachements Commandant Bruinsma
en de optredende collega De Haas. geflankeerd door de heren Engels en
v.d. Elst. In het midden het hoofd plaatselijk bestuur Van Eeck.
25 januari 2010: Kolonist op Nieuw Guinea - 6
over ondermeer voetbal.
Hoofdstuk VII - Seroei : vervolg
Op zekere dag verscheen in de inham van Seroei een oorlogsbodem van de Koninklijke Marine. Aan boord bevond zich de heer Kroon, conservator bij een Rijksinstelling in Nederland. Het Hoofd van Plaatselijk Bestuur was van zijn komst blijkbaar op de hoogte, want ik werd kort daarna aan hem voorgesteld. Uit de gevoerde gesprekken begreep ik dat het ging om een patrouille naar het binnenland en waarbij dhr. Kroon ook van de partij zou zijn. Er zou een onderzoek worden ingesteld naar de herkomst van de kolen, die aan de monding van een rivier in het Waropen-gebied waren aangetroffen. De kleine koolrestjes moesten door de rivier zijn aangevoerd en ergens in de bovenloop moest zich de ontsluiting bevinden. Delfstoffen waren voor de op- bouw van Nieuw Guinea van groot belang. De taak die ik opgedragen kreeg om deze delfstof op te sporen, leek mij geen gemakkelijke opdracht. Het zou simpel zijn geweest indien de rivier geen zijtakken had. Elke zijtak zou nu moeten worden nagelopen en onderzocht op aanwezigheid van dit materiaal. Met het oog op de ravitaillering konden wij wel eens in tijdnood komen te zitten. Een plane om onze rations aan te vullen en te droppen hadden wij niet. Dan maar op goed geluk af! Want een onderzoek naar (eventuele) aanwezigheid van deze kolen moest toch doorgang vinden.
Nadat wij door onze Higginsboot nabij een dorp in de Waropen waren afgezet, begonnen wij ter plaatse naar prauwen, roeiers en dragers te informeren. We hadden geluk dat er prauwen beschikbaar waren en dat er verscheidene dorpsroeiers aanwezig waren die best wat geld en aangeboden contactartikelen konden gebruiken. Met de prauwen probeerden wij zover mogelijk het binnenland in te komen en waar de rivier onbevaarbaar werd, zou de tocht te voet worden voorgezet. Ik had ook nog de zorg en verantwoordelijk- heid over dhr. Kroon. Want onze conservator moest heelhuids en ongeschonden naar Nederland terugkeren. Wij boften dat op dat tijdstip de natte moesson nog niet was ingetreden, want dan was de expeditie vawege de zware regens en onbevaarbaarheid van de sterk gezwollen rivieren, bij voorbaat tot mislukking gedoemd. Bij iedere splitsing van de rivier de rivierbedding en de oevers op sporen en aanwezigheid van steenkoolresten onderzocht. Wij konden dank zij de lage waterstand van de rivier en drooggevallen oevers, het spoor een heel eind stroomopwaarts volgen. Dit speuren en zoeken had heel wat dagen van onze tijd in beslag genomen. De prauwen hadden wij met de gecharterde roeiers al enige dagen eerder teruggezonden. Hoe dieper wij in het binnenland kwamen, hoe rotsachtiger de rivierbedding werd. Rotsblokken soms ter grootte van een woonhuis versperden ons de doorgang. In dit ruige bergachtig stroomgebied waren wij geen Papoeadorpjes of gehuchten tegengekomen. Ook geen krijgers van de Baoedi-stam. Dan op zekere dag zagen wij tegen een hoge oeverwand een ontsluiting van de gezochte kolen. De steenkoollagen ter dikte van een halve tot één meter zagen wij afwisselend en in een onregelmatige gelaagdheid tegen de rivierwand opglooien. Hier bevond zich dan de oorsprong van de aan de kust aangetroffen steenkoolresten. Wij namen van de gevonden mooi glanzende steenkolen enige monsters mee. Of dit aan de oppervlakte tredende steenkoolveld exploitabel was, moest door een deskundige maar nader worden bepaald. Zoals met vele delfstoffen die in Nieuw Guinea te vinden zijn (goud, nikkel, koper, bauxiet, kolen, etc.) was door allerlei omstandigheden de winning daarvan nog steeds niet begonnen. Slechts de in de Vogelkop gewonnen aardolie, werd met tankschepen geëxporteerd.
Gedurende de tocht door de rivieren mocht ik van dhr. Kroon zijn meegebrachte geigerteller hanteren. Het was een toestel dat radioactief gesteente kon aantonen. Het was een lange metalen staaf, gevuld met droge batterijen. Onderaan de staaf bevond zich een zoeker en aan de bovenkant was het apparaat d.m.v, een elektrische draad, met een koptelefoon verbonden. Als je tijdens je speurtocht een geknetter in de koptelefoon hoorde, kon je “Bingo” roepen. Dan was je “binnen” of niet natuurlijk, want alle gevonden ertsen, delfstoffen, etc. behoorden het Gouvernement toe(?!) Als in Australië uranium was gevonden, waarom in Nieuw Guinea dan niet? In de droog gevallen rivierbeddingen vond ik verscheidene mineralen, waaronder kwartsen, bergkristallen, mooi getekende agaten en ander gesteente. Aangezien ik destijds in deze stenen niet was geïnteresseerd, nam ik ook niet de moeite ze nader te onderzoeken. Daarbij had je tijdens een patrouille niet de tijd je daarmee bezig te houden. Het idee om je ransel met dit materiaal te verzwaren was absurd!
Het Waropengebied ten westen van de grote Maberamo-rivier, behoorde tot ons patrouilleterritorium. De kust daarvan is over tientallen kilometers in het vierkant één uitgestrekt moerasgebied en overdekt met mangrovebossen. Wie dit gebied per prauw betrad (een andere mogelijkheid was er niet) moest gebruik maken van een gids of roeiers, die de vaarroutes op hun duimpje kenden. Anders was je daar in dat moeras met zijn doolhof aan vaargeulen, doodlopende kreek jes en mangrove bomen, onherroepelijk verloren. De dorpjes in de omgeving van Barapasi stonden op pa len, zodat eb en vloed daar vrij spel hadden. Ook gemakkelijk voor de bewoners. Je wierp je afval gewoon over de drempel van je huis en je had er verder geen omkijken naar. Alleen net drinkwater moest uit een bron op het vaste land worden gehaald. Tijdens een van mijn vaarpatrouilles door dit mangrovegebied verzocht een roeier mij te stoppen. Hij wees naar een overhangende tak en zei; "Oelar toean". In het begin zag ik niet wat hij bedoelde, maar toen ik goed keek, zag ik het beest liggen. Het was een py thon van circa 4 meter lengte! Met een welgemikt schot wist, ik dit reptiel neer te leggen. Heel langzaam gleed het lichaam naar beneden en viel toen met een plons in het water. Op dat zelfde moment sprongen twee roeiers overboord en doken het dier achterna. Een korte tijd later kwamen ze boven water met de python in hun handen. Grote vreugde onder de roeiers want dat was een extraatje bij het menu. In het dorp aangekomen werd de slang tijdens het bereiden van onze maaltijd boven een vuurtje geroosterd. Ik kreeg ook een stuk slangenvlees aangeboden, maar ik heb dit beslist en nadrukkelijk geweigerd.
Bij een andere gelegenheid liepen wij door het moeras te baggeren. De ondervinding heeft mij geleerd, dat vooraan lopen ook andere consequenties kan hebben als je niet in dit land bent opgegroeid. In dit geval liep onze gids vooraan. Papoea's hebben nu eenmaal voor dergelijke dingen een zesde zintuig. Op een gegeven ogenblik stond hij plotseling stil en toen ik hem vroeg wat er aan de hand was, wees hij op een boomstronk die op onze route lag. Althans dat dacht ik. Bij nadere beschouwing ontwaarde ik, boven de modder uitste- kend. een paar ogen die ons lodderig aankeken. Ontegenzeggelijk de ogen van een krokodil! Wij hadden op het beest kunnen schieten, maar indien het eerste schot niet dodelijk was, kon de krokodil ons aanvallen. En doordat wij in de modder stonden, verkeerden wij in een kwetsbare positie. Met een grote boog zijn wij toen maar om die plek heengelopen. Voor agenten en dragers stond er die dag geen extraatje op het menu.
Hoofdstuk VIII
De oliemaatschappij, de NNGPM te Sorong, had voor een vlot verloop van haar geologische campagne in het Waropengebied, een dringend beroep gedaan op medewerking van de Politie, en in het bijzonder het Politiedetachement van Seroei. Het onderzoek moest namelijk worden verricht in het gebied van de Baoedi's, die als vijandig en oorlogszuchtig stonden aangeschreven. Zelfs de Papoea's die aan de kuststreken woon- den, vermeden enig contact met deze stammen. De inheemse werkers en dragers van de NNGPM weigerden pertinent het gebied te betreden zonder politiedekking. Dus kregen wij het verzoek (lees opdracht) van onze superieuren om de geologische partij bij hun werk te begeleiden. Het kader en personeel werd bij toer- beurt ingezet voor een patrouille in het Waropengebied. Daarnaast ging het veldwerk en andere politie- werkzaamheden gewoon door. In het begin verliep de operatie niet zo vlot als verwacht werd, maar naar- mate het werk vorderde, verbeterde de verhouding tussen de werkers en bevolking. De Baoedi's hadden zich wel een paar malen laten zien, maar tot een goed contact is men niet gekomen. Zij gedoogden eenmaal niet dat andere stammen hun gebied betraden. Met lede ogen moesten zij nu toezien hoe "indringers" (de werkers, van de NNGPM) onder dekking van een gewapende macht hun terrein binnen kwamen en daar tijdelijk verbleven Als boze blikken achter het struikgewas konden doden.....
De tolk van een patrouille werd eens door de aanvoerder van de Baoedi stam verweten, dat hij de Politie in hun gebied wegwijs maakte. Uit de gedragingen van de Baoedi's konden wij de conclusie trekken, dat zij niet in het minst gesteld waren op toenadering met de buitenwereld of met het Bestuur (Pemerintah) En met de Politie? Die konden zij het heilig kruis wel nageven! ! Gezellige jongens, die Baoedi's ! Dit waren enige ver- halen over Politiepatrouilles in het ressort Seroei/Waropen. De operatie G.O. (Geologisch Onderzoek) die onder Politiedekking werd uitgevoerd, had ongeveer zes maanden in beslag genomen. Bij toerbeurt onder leiding van de patr. comdt. Engels, Van der Elst, Bruinsma, Nelwan, de Bats en de Adsp. Controleur Moll. Het geologisch onderzoek in de niet gevaarlijke gebieden geschiedde zonder politiedekking. De samenwerking met het kader en het overig politiepersoneel was boven alle lof verheven. Ook met de burgerij onderhielden wij goede contacten, zowel met de autochtone als met de niet-autochtone. Ik denk daarbij aan een zekere Pauwels en zijn opvolger Schiweck, beide ambtenaren bij de PTT en belast met de telegrafische bericht- geving, aan de administratieve ambtenaren bij het Bestuur Léman en Tan. De eerste had nog de geboorte van mijn dochter Jill ingeschreven. Laatstgenoemde was een prima voetballer en goalgetter bij de plaatse- lijke voetballerij. Ons politieelftal (waarvan ik keeper was) had aan hen een zware noot te kraken. Soms werden de Papoeaspelers zo fanatiek dat het voetbalspel meer weg had van rugby, vanwege de veelvuldige tackles. Het was mij eens overkomen, dat onze Papoeategenspelers mij met bal en al het doel in ramden. Er werd “goal” geroepen. Maar dat pikten mijn agentenspelers niet! Er volgde een fikse knokpartij! Ik probeer- de de vechtenden te scheiden, waarbij ik werd bijgestaan door een Papoeageestelijke. Hij schreeuwde in het plaatselijke dialect de vechtjassen een halt toe en toen dat niet hielp deelde hij links en rechts klappen uit om hun tot bezinning te brengen. Onze clericus was beslist geen voorstander van de rede, maar eerder een man die de regel huldigde van: wie niet horen wil, moet maar voelen!
Politie voetbal elftal contra burgerij
Het Hoofd van Plaatselijk Bestuur dhr. van Eek, wandelde op zekere morgen de kazerne binnen en nam in mijn kleine kantoortje plaats. Hij viel meteen met de deur in huis door te zeggen: "U bent overgeplaatst. U gaat naar Biak en uw opvolger wordt de ipv De Haas". Hij vond het jammer dat ik wegging, maar de dienstleiding had zulks nu eenmaal bepaald. Ik kan mij nog de dag herinneren dat ik en mijn gezin Seroei binnen kwamen. Vanaf de pier liepen wij langs de verharde dorpsweg naar het noorden, naar het kantoor en huis van het HPB. Want ook daar lag de Politiekazerne en stond mijn toekomstige woning. Langs de route waren de winkels en goedangs (pakhuizen) van de Chinezen gelegen, alsmede van andere handelaren zoals de ex- en import Mij de "Nigimy". Ongeveer halverwege de route stond een Papoeaschooltje, waar later mijn oudste dochter Joyce, tussen de Papoease leerlingetjes les kreeg. En op het einde van de weg, liep een mooi laantje naar het ziekenhuis, dat voor Seroei zeer karakteristiek was. Dit laantje was geflankeerd door oude regenbomen, zoals ik ze alleen in Indonesië zag. Ze moesten daar tientallen jaren geleden zijn geplant. Tegenover de Politiekazerne lag de aloon-aloon (annex voetbalveld) en daarom heen de huizen van het Europese kader. Vanuit dit "centrum" liepen brede paden naar het Zendingsterrein, de landbouwobjecten en er liep ook een weggetje door het bos naar een mooi en schoon strandje, ten westen van Seroei. Het dorpje in z’n geheel deed me sterk denken aan een kustplaatsje ergens op Java. Een maand later nam ik voor de derde maal afscheid van het kader en personeel en van de burgerij van dit vriendelijke plaatsje Seroei. Met een Higginsboot voeren wij Biak-waarts.
Afscheidsfoto van de aftredende Detachements Commandant Bruinsma
en de optredende collega De Haas. geflankeerd door de heren Engels en
v.d. Elst. In het midden het hoofd plaatselijk bestuur Van Eeck.
vervolg >>
Reeds verschenen: