26 januari 2010

Kolonist op Nieuw Guinea - 7

Bruinsma
Hoofdstukken IX en X brengen ons naar Biak, waar na twee jaar in Seroei Dhr Bruinsma een nieuwe post toegewezen krijgt als detachementscommandant.


Dat betekende dus weer een verhuis van het hele gezin naar de nieuwe standplaats. Maar laat ik liever Dhr. Bruinsma vertellen ...



Hoofdstuk IX - BIAK 1953 – 1955: Een stuk koraal in de Pacific Ocean


Ons bootje, de onvolprezen Higgins, was op weg van Seroei naar Biak, een plaatsje gelegen ten noorden van de Geelvinkbaai. Mijn gezin bevond zich aan boord en op de enigszins woelige zee verschenen witte schuimkopjes, die aanduidden dat er ruw weer op komst was. Door het schommelen zag iedereen wat wit om de neus en het duurde niet lang voordat zij naar de kajuit benedendeks verdwenen. Ik stond op mijn favoriete plaatsje, voor op de boeg. Daar had je goed zicht op de dolfijnen, die speels voor het schip uit krijgertje aan het spelen waren. Iemand heeft mij eens verteld dat daar waar de dolfijnen zijn, de haaien ontbreken, misschien zijn ze daarom de vrienden van de zeelieden.

Na geruime tijd naderden we de haven van Biak en wat later meerden we aan. Amerikanen hadden deze kade aangelegd. De verovering van dit eiland had toen heel wat slachtoffers geëist, Duizenden Amerikanen waren ingezet voor de invasie die toen plaatsvond. De Jappen hadden van het eiland met zijn talloze grotten en holen een ware fortificatie gemaakt waar zelfs zware bombardementen en beschietingen van het scheepsgeschut geen vat op hadden, Een geforceerde landing was nog de enige mogelijkheid om het eiland in handen te krijgen. Dit ging helaas ten koste van zeer vele jonge Amerikaanse mensenlevens.

Bekende grotten waren de "Japanse qrot” en de “Blauwe” grot. De eerste was een grote sombere ruimte onder een rotsformatie, compleet met gangen en nissen. Naar men mij vertelde was hier het noodhospitaal ondergebracht, met daarnaast opslagruimte voor munitie en ander oorlogstuig. De “Blauwe” grot was een merkwaardige caverne waarin het diepste gedeelte van de binnenruimte een grote diepe poel lag met koel, helder, drinkbaar water. In dit ondergrondse zwembassin zag je in het water een nauwe opening in de rotswand. Men vertelde mij dat het water in verbinding stond met andere ondergrondse meren. Er deed ook een verhaal de ronde dat een Amerikaanse verpleegster dit wilde onderzoeken en de nauwe opening in de rotswand inzwom, ze is nooit weer gekomen. Ik kan voor de juistheid van dit verhaal niet instaan ! De reden waarom het de Blauwe grot werd genoemd hing waarschijnlijk samen met het feit dat door de lichtreflectie de kleur van het water blauw was. Een feit was dat de Jappen tijdens de belegering in ieder geval niet van de dorst behoefden om te komen. Maar zij kregen het wel heel warm toen de Amerikanen uiteindelijk hun toevlucht moesten zoeken tot het gebruik van vlammenwerpers en vaten met benzine die zij in brand schoten.

Het eiland Biak had het silhouet van een plat, gedeukt hoedje. Het heuvelland staat bekend als "Tafelberg" of “de Ridge”. Het zuidelijk deel had een brede kuststrook die smaller werd naarmate je naar het oosten of westen ging. In het westen rezen de kalkrotsen steil uit zee op met hier en daar een inham, meestal gekoppeld aan een klein dorp. Het oostelijk gedeelte was minder rotsvormig en daar lagen de dorpjes Parai, Bosned, Saba en anderen. Het hele eiland was overdekt met laag struikgewas (bush-bush) en naar het heuvelland toe rezen de woudreuzen uit de grond. Klapper en papajabomen trof je alleen om en nabij de kampongs aan. Op dit kalk- en rotsachtige eiland groeiden op de zanderige aarde niet veel vruchtbomen. De Landbouwvoorlichting o.l.v. Don van Genderen deed haar best om daarin wat verandering te brengen.

Kaartje Biak

BIAK


De politiejeep bracht ons naar Sorido waar het Marine-etablissement en de Politiekazerne gevestigd waren. Ons huis was, evenals dat van de andere kaderleden een quonsethut, d.i. een overlangs doormidden gesneden drum in het groot. Er waren enkele gaten uitgezaagd voor deur en ramen, die met muskietengaas waren overtrokken. De manschappen van de Marine waren niet veel beter ondergebracht. Al deze onderkomens waren restanten van het Amerikaanse leger. Pas vele aanden later kregen wij echte huizen bij Mokmer toegewezen d.w.z. huizen opgebouwd uit steen. Voor het vervaardigen van deze bouwstenen waren heel wat proefnemingen aan vooraf gegaan. Men had bij gebrek aan kleigrond moeten experimenteren met een samenstelling van zand, kalk(steen), cement en enkele andere grondstoffen om een bruikbare bouwsteen te verkrijgen. Toen men het experiment achter de rug dacht te hebben werd aan de huizenbouw begonnen. Helaas had men geen rekening gehouden met de nevenwerking van het gebruikte materiaal, want na verloop van tijd begonnen de muren hier en daar vochtige plekken te vertonen die groen uitsloegen. Men kwam na onderzoek tot de conclusie dat het zand een te hoog zoutgehalte bevatte. Naarstig werd toen naar een zoutvrije zandgrond gezocht en toen dit werd gevonden kon de productie van (betere) bouwstenen worden hervat. In de omgeving van Warda, Warso en Korem viel het nogal mee met de kalk en het zand in de bodem. Vanaf NICA-kamp tot en met Mokmer was de gehele vlakte door de Amerikanen “kaal geschoren”, waarmee eventuele vroegere aanwezige rode aarde ook verdween.

Het detachement had een redelijke bezetting qua kaderen lager personeel. Ik werd aan de kaderleden voorgesteld: ivp van Eijck (2e man), Schilling, Schotvanger, van Oyen en Goossens, Middendorp en Gusdorf. Laatstgenoemde stapte later over naar de Douane. Met het Hoofd van Plaatselijk Bestuur dhr. van Gendt had ik reeds eerder kennis gemaakt tijdens mijn bezoek aan de Marinetandarts Bakker. Zijn 2e man was dhr. Capetti, die later zou worden overgeplaatst. In zijn plaats kwam dhr. Fanoy.





Hoofdstuk X: BIAK 1953 – 1955 vervolg


Tussen het eiland Japen (Seroei) en Biak was een duidelijk verschil in klimaat. Ik ben er nooit achter gekomen waarom. Biak was een stuk warmer en vochtiger dan Seroei. Het vochtgehalte in Biak was zo hoog dat al mijn boeken, schoenen en andere vochtabsorberende artikelen groen uitsloegen.

Er hadden zich op het eiland geen kolonisten gevestigd, tenzij je aan een paar gepensioneerde militairen die in hun achtertuintje wat aan groenteteelt deden, dit predikaat wilde geven. Ik zou bijna de kolonist- kustvaarder Van Wijk vergeten. Hij bezat een houten boot met laadruimte, die motorisch werd voortgedreven. Daarmee croste hij de Geelvinkbaai af en voorzag onder andere de bewoners van Biak op ongeregelde tijden van groente en fruit. Een vast vaarschema had hij niet maar zijn geleverde producten vonden gretig aftrek bij de burgerij. Soms had de run op de boot veel weg van taferelen tijdens een uitverkoop: “mijnes....nietes....welles!”.

De Europese, niet autochtone, bevolking was grotendeels in dienst van het gouvernement, o.a. bij Bestuur, Politie, Douane, Burgerluchtvaart, Meteo etc., etc. en voor een ander deel werkzaam bij particuliere instellingen zoals KLM, KPM, import- en exportfirma’s en aannemersbedrijven die vanuit Nederland waren aangetrokken. Zij waren belast met de bouw van woningen, kantoren en het aanleggen van wegen en vliegvelden. Het vliegveld Mokmer werd uitgebreid en gemoderniseerd ten behoeve van de grote vogels die uit Nederland en andere gebieden kwamen aangevlogen. Vanzelfsprekend moest er ook een hotel komen en het werd een koel, modern uit hout opgetrokken KLM hotel. De opening van het hotel vond plaats op 31 oktober 1953 door Gouverneur Van Baal himself. Op diezelfde dag werd ook de residentie Geelvinkbaai ingesteld en Resident H. Veldkamp geïnstalleerd.

Bij de opening en in gebruikstelling van het hotel was naast de vele prominenten uit Hollandia ook mijn hoogste baas dhr. Eibergen, Hoofd Algemene Politie uitgenodigd. En als Det. Comdt. van Biak kreeg ik van de KLM-directie (waarvan de vertegenwoordiger dhr. Te Roller de big boss was) een uitnodigingskaartje toegezonden. Dit was een hele eer, maar het betekende ook aantreden in pak met stropdas. Deze kledingstukken bezat ik niet, in de contreien waar ik gezeten had was het bezit of gebruik daarvan niet nodig. Wat dus te doen? Goede raad was duur, onderduiken kon ik niet, want dat zou mijn chefs te veel zijn opgevallen. Ten einde raad klopte ik bij mijn zwager (wijlen) Fred Venema aan en vroeg of ik zijn kostuum niet voor één keer kon lenen. Hij was wel een stuk groter dan ik en het kostuum was mij derhalve te ruim, maar dat mocht de pret niet drukken. Ik hoopte dat dat in de drukte niemand zou opvallen. Voor mijn vrouw as deze onverwachte uitnodiging geen probleem want haar vriendin (Erna Schreefel) was modiste en flanste zo een modieus avondjurkje voor haar in elkaar.

Opening KLM-hotel

De opening van het KLM-hotel op 31 oktober 1953



In deze opbouwperiode van Biak heeft G.W.H. van den Berg een boek daarover geschreven dat ik een ieder warm kan aanbevelen. In “Baalen Droefheid” schetst hij in rake bewoordingen het wel en wee van de Biakse gemeente. Zijn boek is met leuke pentekeningen geïllustreerd. (Uitgeverij Moesson).

Na terugkomst van een routine-patrouille van verscheidene dagen lopen rond het eiland Biak, werd mij een geval gemeld van zware mishandeling die zou zijn gepleegd op een eilandje ten zuidoosten van Biak. Een Papoea zou in een vlaag van waanzin een kind met zijn parang hebben geslagen en zwaar verwond. De dader werd gegrepen en er moest een plaatselijk onderzoek worden ingesteld. Dus toog ik met enkele agenten en een Papoea-verpleger genaamd Bastiaan Roemasew per Higginsboot naar genoemd eiland. Daar aangekomen ging bastiaan terstond naar het slachtoffertje toe, een kind van ongeveer zes jaar oud. We zagen op de rug van het bewusteloze ventje een gapende snede-wond die een lengte had van ongeveer 15 cm. Onder de open wond ontwaarden wij een long die bij iedere keer dat hij ademhaalde op en neer ging. Het was een wonder dat de long niet beschadigd was. Bastiaan ging direct aan het werk. Hij ontsmette eerst de wond en naaide toen beide zijden aan elkaar. Een gediplomeerd eerste klas verpleger zou hem dit niet nagedaan hebben. Later las ik in een medisch nummer, een uitgave van de stichting “Het Nationaal Nieuw Guinea Comité”, de navolgende passage over Bastiaan:
“.......toen geschiedde het experiment: Bastiaan Roemasew, een ongediplomeerde Papoea-verpleger, die reeds enkele jaren als hulp in de operatiekamer werkte, werd opgedragen de operatie zelf te verrichten. En zie deze niet-gediplomeerde verpleger deed het zo goed dat wij besloten hem de opdracht te geven het nog vele malen te doen. Sindsdien opereert Bastiaan elke dag, zelfstandig, zonder dat één der artsen daarop toezicht uit oefent, tropenzweren met een verbluffend resultaat. In de laatste zes maanden deed hij ruim 200 huidtransplantaties, geheel zelfstandig, als routinebehandeling........”

Dit was nu Nieuw Guinea in zijn ontwikkelingsperiode.

Het slachtoffertje moest nu voor verder medische behandeling met spoed naar Biak worden gebracht. Daarom verzocht ik de djoeragan van de Higginsboot rechtsomkeert te maken en full speed naar Biak te varen. Aan boord bevond zich Bastiaan met zijn patiëntje en twee van mijn agenten met de geboeide gevangene, Aangezien mijn onderzoek nog niet was afgerond en er nog verscheidene mensen moesten worden verhoord, bleef ik met mijn tolk op het eiland achter. Pas laat in de avond kon ik mijn onderzoek afsluiten. Nu moest ik alleen nog zien thuis te komen. Er was bij navraag een visser genegen om mij en mijn tolk in zijn vlerkprauwtje naar Biak te varen, uiteraard tegen een geldelijke vergoeding. Het was kalme zee en bijna volle maan dus waagde ik het er maar op. Ook omdat de visser zei dat het weer niet meer zou veranderen kreeg ik meer vertrouwen in de zaak. Het was een waar gebeuren om ’s nachts in zo’n bootje de zee over te steken. Heel vaag kon je in deze heldere nacht het silhouet van het eiland Biak boven de golven waarnemen. Gedurende de overtocht hoorde je het eentonige geklots van de golven tegen de boeg en de drijvers van het prauwtje. Een glinsterend wit schuimspoor verdween achter de prauw. Soms zag je ook een vliegende vis naast het bootje opspringen, gevolgd door een paar vriendjes. Vooral het fluorescerend licht onder de wateroppervlakte fascineerde me. Zoiets fantastisch kon je alleen maar meemaken als je ’s nachts in een zeilprauwtje de zee overstak. Vele uren later konden we op het eiland Biak weer vaste voet aan wal zetten. Ergens was ik toch blij dat ik weer thuis was.

Op een zekere dag kregen wij van de Marinecommandant het verzoek om een ploeg nieuwbakken mariniers te zoeken, die voor oefening het bos in waren gestuurd. Zij waren flink over tijd en de Marine had reeds verscheidene malen gepoogd hun op te sporen, onder andere met uitgezonden patrouilles en verkenningsvluchten. Alle moeite bleek tevergeefs. Het leek wel of de jungle de hele troep had opgeslokt. Men begon zich ernstig zorgen te maken over de toestand in welke de jongens zouden kunnen verkeren. Uiteindelijk werd besloten om de Politie maar in te schakelen. Met een paar Papoea-agenten (verkenners) die de jungle op hun duimpje kenden begon ik mijn zoekactie in de bush-bush. In het heuvelland was het bos dichtbegroeid en de hoge bomen hielden het zonlicht tegen. De omgeving was in schemer gehuld en alleen op plaatsen waar het geboomte minder dicht was kon het zonlicht doorbreken. Zonder kompas en kaart zou een outsider in dit oerwoud verdwalen zodra hij het voetpad zou verlaten. Soms, bijvoorbeeld, lijkt een zwijnenpad bedrieglijk veel op een voetpad en als je die per ongeluk volgde raakte je verstrikt in het lage struikgewas of kwam je bij een modderpoel waar de boszwijnen hun leger hadden. Maar mijn agenten wisten welk pad zij moesten volgen, namelijk het pad van sporen die zouden moeten leiden naar een groep verdwaalde militairen.

Na uren speuren vonden onze spoorzoekers tenslotte een aanwijzing dat de vermiste personen niet ver af meer waren. Het gevonden spoor werd nauwgezet gevolgd en ja hoor, daar zagen we in een open gekapt stuk bos de vermiste groep militairen. Ze waren opgelucht en blij toen ze ons zagen, vertelden dat ze waren verdwaald en waarschijnlijk in kringetjes zijn gaan lopen. Neen, ze waren geen mens tegengekomen aan wie ze de weg konden vragen en toen het meegebrachte rantsoen opraakte waren ze zo vrij geweest zich te voeden met knolgewassen en rauwe vruchten die ze in verlaten tuinen aangetroffen hadden.

Biak werd uitverkoren om als gastheer op te treden bij het Nieuw Guinea voetbaltoernooi. Het lag centraal, had een vliegveld en er was voldoende ruimte om de gastspelers onder te brengen. De steden Hollandia, Biak, Manokwari, Seroei, Sorong en mogelijk nog enkele andere plaatsen zouden hun beste elftal en spelers inzetten om het kampioenschap in de wacht te slepen. Het beloofde voor de burgerij van Biak de sensatie van het jaar te worden. Op de nieuw aangelegde “groene mat” zouden de wedstrijden worden gespeeld. Die groene mat bestond uit een egaal stuk geschraapte karanggrond waarop een paar vrachtwagenladingen aarde was gestort, daarna gewalst en ingezaaid met graszaden. Na verloop van tijd als het gras sterk genoeg was kon dit recreatieterrein als voetbalveld worden geclassificeerd. De eerlijkheid gebied mij te zeggen dat de projectontwikkelaars wel eer van hun werk hadden want het leek ècht op een voetbalveld compleet met een bescheiden tribune.

Tijdens dit feestelijk gebeuren ontbrak door ziekte de goalie van het Seroeise elftal. De spelers die mij nog van dit plaatsje kenden vroegen mij voor hun zieke keeper in te vallen. Ik zou daarvoor eerst toestemming van de voetbalcommissie moeten vragen, ik behoorde immers niet (meer) tot het Seroeise elftal. Toen de heren organisatoren geen bezwaar hadden stond ik in het goal van mijn oude club, d.w.z. de beste spelers van de Seroeise clubs waren in dit elftal vertegenwoordigd.

Van het stukje groene mat voor en tussen de goalpalen was niet veel meer te zien en beloofde niet veel goeds voor de vallende keeper. Gezien de samenstelling van het Seroeise elftal hadden wij niet veel kans tegen een Hollandiaans of Biaks elftal. In eerstgenoemd elftal speelden bekende voetballers zoals Janus Manuputty, Benz, Smit en nog verscheidene andere “cracks”. Het Biakse elftal bestond voor een groot deel uit dienstplichtige mariniers (waarin naar ik vermoed bekende Nederlandse spelers in vertegenwoordigd waren) aangevuld met de beste en snelste Papoeavoetballers uit de streek. Na afloop van een voor ons elftal verloren wedstrijd zaten mijn knieën, handen en ellebogen onder de schaafwonden. Het Biakse elftal had uiteindelijk het kampioensschap in de wacht gesleept tot grote vreugde van de burgerij van Biak. Er werd die avond in Biak voor deze overwinning uitbundig feest gevierd.

vervolg >>

Reeds verschenen:




Reacties

Geen reacties

Uw reactie

: :

Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.