Die ochtend in alle vroegte werd er op mijn deur getikt. “Opstaan Pak, er komt een speedboot aan”. Ik was al min of meer wakker, sprong mijn bed uit en pakte mijn bagage, een routinewerkje. Ik stapte mijn slaapkamertje uit, pak Nur zei dat ik
koffie moest drinken en gaan eten we zouden maar even de tijd hebben. Ik liet de nasi kuning die voor ontbijt werd geserveerd even staan en ging aan de koffie, een bittere noodzaak voor mij in de ochtend, koffie brengt op dat vroege moment alles in mijn hoofd op gang. Ik nam een paar happen nasi, maar dat smaakte me niet, dat kwam te snel voor mij. Er kwam een jongen binnenrennen die riep “spit, spit”dat betekende dat er een speedboot op de kleine rede van Kambelo lag, we pakten onze bagage, namen afscheid en liepen naar buiten richting zee. Ik aanschouwde een grijze grauwe dag, het soort dat ik maar al te goed vanuit Nederland ken. Aan het kiezelstrand stonden enige mensen, er werd het een en ander aan goederen in de spit geladen. Ik werd door een Butonese hadji gewaarschuwd voor een grote hoop ochtendstront die op de kiezels lag, veel huizen in Kambelo hebben geen toilet, voor de kleine, maar vooral voor de grote boodschappen worden het strand en de zee gebruikt.
Met moeite wurmde ik me de nauwe en bedompte ruimte van de spit binnen, we kregen een plaatsje voorin, iedereen wil zoveel mogelijk aan de achterkant zitten, dan zit je in de herrie en de stank van de buitenboordmotoren, maar ook in de frisse wind. Er waren 12 passagiers aan boord met de nodige bagage, veelal zakken en dozen. De motoren kregen gas en de boot voer de rede van Kambelo af, buiten de rede hadden de golven witte schuimkoppen, het was ruig weer, de westmoesson deed zich gelden. Af en toe maakte de boot hevige klappen als deze van een hoge golf naar beneden kwam. Pak Nur vroeg of ik de hadji van de morgenstront mijn fotokopieën van de documentatie over Kambelo die ik had verzameld kon laten zien. Het was een heel geworstel in de smalle ruimte om deze uit mijn rugzakje te pakken te krijgen. De boot ging behoorlijk heen en weer op de hoge golven. Toen ik mijn rugzakje voor mij neerzetten protesteerde de vrouw die tegenover mij zat hevig, zij maakte een gebaar dat die rugzak daar weg moest. Toen ik met moeite de rugzak had doorgegeven, begon ze te protesteren vanwege het raampje dat achter mij open stond om mij van wat frisse lucht te voorzien. Het was geen raampje meer, dat was vervangen door een stuk triplex dat ongeveer in de vorm van het verdwenen raampje was gezaagd, ook dit kreeg ik moeizaam dicht. Ik keek de vrouw eens goed aan, zij leek me behoorlijk zenuwachtig. De boot probeerde de golven te volgen zodat hij zo min mogelijk klapte, maar de kust is hier zo grillig dat dit bijna onmogelijk was, het gevolg was dat de boot af en toe van een hoge golf naar beneden klapte en de passagiers dooreen schudde. In zo een speedboot zit men erg oncomfortabel op een smalle bank van polyester in de lengterichting, er is niets waar je jezelf aan vast kunt houden. Je hoofd zit vlak onder het dak dus probeer je jezelf vage de meerdere lengtie die je hebt klein te maken om te voorkomen dat je bij een hoge golf met het hoofd tegen het dak aankomt. Het gangpad ligt vol bagage, de bewegingsruimte is zeer beperkt, ventilatie is er niet. Gebeurd er iets dan zijn de passagiers reddeloos verloren, want de in- en uitgang is erg krap, als je instapt is dsat een acrobatenkunstje, over de motoren heen en dan bukken een plaatsje zoeken.
Af en toe werd er bij een kampung gestopt om een pakje op te halen of af te geven. Naarmate we de kaap die het einde van Hoamoal vormt naderden werden de golven heviger en dus de klappen die de speedboot maakte heviger. De motoren draaiden af en toe in het luchtledige, de passagiers zwegen en keken stuurs voor zich uit. Het ging ook nog eens regenen, een felle regenbui teisterde het dak, de boot maakte over een hoge golf een klapper, toen deze neerkwam leek het alsof hij uit elkaar spatte. Een van de passagiers werd het te machtig, hij sprak de bemanning hard en vermanend toe, alsof hij de kapitein van het schip was, zij moesten snelheid minderen volgens hem. Dat leek me niet verstandig, langzamer varen zou betekenen minder kracht, volgens mij onderschatte de man de kracht van de golven. Hij was bang en om dit te verbergen speelde hij de autoriteit. We naderden Tanjung Sial de uiterste punt van Hoamoal, een zeer gevaarlijk punt dat scherp bevaren moest worden vanwege de stromingen op dat punt. Gaat het mis dan veranderd zo een speedboot in een varende doodskist, slaat zo een vaartuig om dan kunnen de passagiers geen kant heen. Bij de bouw is er alleen rekening gehouden met de snelheid, het vaartuig is slank en licht, wordt voortgedreven door 2 x 40 PK Yamaha Enduro buitenboordmotoren. Honderd meter voordat het vaartuig Tanjung Sial zou bereiken stopte het, in de hevige golfslag werden de motoren uit het water gekanteld en gecontroleerd op eventueel zeewier, maar vooral plastic dat in de schroef kon vast zitten. Daarna ging het volle kracht vooruit door de stromende regen en de witgekopte golven. De passagiers staarden met asgrauwe gezichten voor zich uit, alsof ze op weg naar de hel waren, de boze vrouw tegenover mij zat voor een geopend raampje te kokhalzen. Buiten zag ik de uiterste punt van de kaap wit van het schuim veroorzaakt door de golven. Ik dacht aan een hellevaart in gezelschap van meerdere zondaars. Bonkend en stotend rondde de speedboot de kaap, voorbij de punt moet het recht naar boven om de stromingen te ontwijken, dit gaat gepaard met heftige bewegingen en dan opeens bevinden we ons in stil water. De passagiers begonnen luid te praten en te lachen, ze hadden iets dat zich alleen in hun hoofd afspeelde doorstaan. Ik had vertrouwen gehad in de bemanning, die koel hun werk deed. Angst is een begrip dat niet in mijn woordenboek voorkomt, of het moet de angst zijn voor paniek onder mijn Indonesische medepassagiers. De zee naar Hitu lag er rustig bij en we zetten koers naar Tahoku.
De uiterste hoek van Hoamoal, wordt Tanjung Sial genoemd, Tanjung betekent kaap en Sial is onheil. In de Nederlandse tijd heette dit punt de Droge Rijsthoek. “Dit is een ijzersterke hoek, gevormd van harde gladde klippen, met aan weerszijden een groot stuk, zonder enig strand. Hij ligt op twee mijlen*) vanaf Hitu’s kust naar het westnoordwesten. Voor deze scherpe hoek liggen enige klippen onder water en staat er de meeste tijd een sterke stroom. Bij stil weer ziet men soms onder water een hoge zeeboom van het geslacht van de zwarte tali aros of zeerotan, volgens de inlanders zo dik als een mansbeen, die bij hen Batu Sial wordt genoemd. Deze boom durven ze niet uit de zee te trekken, niet alleen vanwege de voortdurende stromingen, maar ook omdat zij geloven dat zij het hoofd van het gehele land is. Deze hoek ontleend zijn naam aan een negorij Sial, die in oude tijden op een uitstekende rots achter deze hoek op een gebergte was gelegen. Omdat ze echter al voor de tijd van de Hollanders was uitgestorven, is het moeilijk daarvan iemand te vinden. Ze vielen onder Waiputih en daar hebben lange tijd nog enige gezinnen gewoond; in oude tijden hadden ze echter een radja die Latu Sial werd genoemd. Deze was volgens hen gewend zich in sagoweer in plaats van water te wassen aangezien men op deze hele hoek geen rivier heeft, misschien heeft ze daarom bij de onzen de naam Droge Rijsthoek gekregen.”
*) dit zijn mijlen uit de VOC tijd, het is mij onbekend hoeveel KM dat is.
We kwamen veilig aan in Tahoku, de speedboothaven op het vasteland van Ambon, na afgerekend te hebben, deze zeer avontuurlijke trip kostte 50.000 Rp per persoon gingen we naar het eethuis van Pak Usman nog wat napraten. Buiten kwam de regen met bakken tegelijk naar beneden. Ik zag mijn plan om een week op Hoamoal te blijven in het water vallen. Geen elektriciteit betekende geen foto’s en geen geschrijf, de moderne reizende mens is immers afhankelijk van zijn oplaadbare batterijen. Ik informeerde hoeveel het charteren van een speedboot naar het eiland Kelang, een van mijn bestemmingen zou gaan kosten. Ik vernam dat dit tripje de lieve som van 3 miljoen zou gaan kosten, of ik moest wachten tot dat er een boot ging, dat zou met dit weer nog dagen kunnen duren. Ik had geen drie miljoen voor dit ritje over, vanuit Kambelo had ik de plek gemakkelijk kunnen bereiken. Ik wilde op het eiland een plaats met de naam Tiang Bendera gaan bezoeken, twee uurtjes zou genoeg zijn, maar dat was mij geen drie miljoen rupiah waard. Over de inwoners van Kelang in vroeger tijden: “Deze inlanders zijn net als de anderen in de opstand van Madjira met wapengeweld onderworpen; de belangrijkste orangkaja’s zijn naar Batavia gevoerd, het gewone volk van zijn land gelicht en op Manipa bij de vesting Wantrouw geplaatst. In 1668 echter heeft de Ed. Compagnie er een wachthuis gebouwd en een steen met een vlaggenstok opgericht als teken van rechtmatig eigendom.” Nu ik geen kans zag de trip naar Kelang te ondernemen besloot ik naar Natsepa terug te keren en de weersontwikkelingen af te wachten
[I]De historische gegevens voor dit stuk zijn o.a. afkomstig uit “De Ambonse Eilanden onder de VOC” door G.E. Rumphius.[\I]
Vier speedboten, varende doodskisten. Ik zit veel liever in een open boot zoals de tweede van links, een vissersvaaartuig. Deze zijn met 1 motor van 15 pk even snel als een speedboot. Het nadeel is dat je in de open lucht zit.
Pluimvee uit Seram wordt ontscheept.
Reacties
Geen reacties
Uw reactie
Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.
27 januari 2010: Kambelo – Tahoku
koffie moest drinken en gaan eten we zouden maar even de tijd hebben. Ik liet de nasi kuning die voor ontbijt werd geserveerd even staan en ging aan de koffie, een bittere noodzaak voor mij in de ochtend, koffie brengt op dat vroege moment alles in mijn hoofd op gang. Ik nam een paar happen nasi, maar dat smaakte me niet, dat kwam te snel voor mij. Er kwam een jongen binnenrennen die riep “spit, spit”dat betekende dat er een speedboot op de kleine rede van Kambelo lag, we pakten onze bagage, namen afscheid en liepen naar buiten richting zee. Ik aanschouwde een grijze grauwe dag, het soort dat ik maar al te goed vanuit Nederland ken. Aan het kiezelstrand stonden enige mensen, er werd het een en ander aan goederen in de spit geladen. Ik werd door een Butonese hadji gewaarschuwd voor een grote hoop ochtendstront die op de kiezels lag, veel huizen in Kambelo hebben geen toilet, voor de kleine, maar vooral voor de grote boodschappen worden het strand en de zee gebruikt.
Met moeite wurmde ik me de nauwe en bedompte ruimte van de spit binnen, we kregen een plaatsje voorin, iedereen wil zoveel mogelijk aan de achterkant zitten, dan zit je in de herrie en de stank van de buitenboordmotoren, maar ook in de frisse wind. Er waren 12 passagiers aan boord met de nodige bagage, veelal zakken en dozen. De motoren kregen gas en de boot voer de rede van Kambelo af, buiten de rede hadden de golven witte schuimkoppen, het was ruig weer, de westmoesson deed zich gelden. Af en toe maakte de boot hevige klappen als deze van een hoge golf naar beneden kwam. Pak Nur vroeg of ik de hadji van de morgenstront mijn fotokopieën van de documentatie over Kambelo die ik had verzameld kon laten zien. Het was een heel geworstel in de smalle ruimte om deze uit mijn rugzakje te pakken te krijgen. De boot ging behoorlijk heen en weer op de hoge golven. Toen ik mijn rugzakje voor mij neerzetten protesteerde de vrouw die tegenover mij zat hevig, zij maakte een gebaar dat die rugzak daar weg moest. Toen ik met moeite de rugzak had doorgegeven, begon ze te protesteren vanwege het raampje dat achter mij open stond om mij van wat frisse lucht te voorzien. Het was geen raampje meer, dat was vervangen door een stuk triplex dat ongeveer in de vorm van het verdwenen raampje was gezaagd, ook dit kreeg ik moeizaam dicht. Ik keek de vrouw eens goed aan, zij leek me behoorlijk zenuwachtig. De boot probeerde de golven te volgen zodat hij zo min mogelijk klapte, maar de kust is hier zo grillig dat dit bijna onmogelijk was, het gevolg was dat de boot af en toe van een hoge golf naar beneden klapte en de passagiers dooreen schudde. In zo een speedboot zit men erg oncomfortabel op een smalle bank van polyester in de lengterichting, er is niets waar je jezelf aan vast kunt houden. Je hoofd zit vlak onder het dak dus probeer je jezelf vage de meerdere lengtie die je hebt klein te maken om te voorkomen dat je bij een hoge golf met het hoofd tegen het dak aankomt. Het gangpad ligt vol bagage, de bewegingsruimte is zeer beperkt, ventilatie is er niet. Gebeurd er iets dan zijn de passagiers reddeloos verloren, want de in- en uitgang is erg krap, als je instapt is dsat een acrobatenkunstje, over de motoren heen en dan bukken een plaatsje zoeken.
Af en toe werd er bij een kampung gestopt om een pakje op te halen of af te geven. Naarmate we de kaap die het einde van Hoamoal vormt naderden werden de golven heviger en dus de klappen die de speedboot maakte heviger. De motoren draaiden af en toe in het luchtledige, de passagiers zwegen en keken stuurs voor zich uit. Het ging ook nog eens regenen, een felle regenbui teisterde het dak, de boot maakte over een hoge golf een klapper, toen deze neerkwam leek het alsof hij uit elkaar spatte. Een van de passagiers werd het te machtig, hij sprak de bemanning hard en vermanend toe, alsof hij de kapitein van het schip was, zij moesten snelheid minderen volgens hem. Dat leek me niet verstandig, langzamer varen zou betekenen minder kracht, volgens mij onderschatte de man de kracht van de golven. Hij was bang en om dit te verbergen speelde hij de autoriteit. We naderden Tanjung Sial de uiterste punt van Hoamoal, een zeer gevaarlijk punt dat scherp bevaren moest worden vanwege de stromingen op dat punt. Gaat het mis dan veranderd zo een speedboot in een varende doodskist, slaat zo een vaartuig om dan kunnen de passagiers geen kant heen. Bij de bouw is er alleen rekening gehouden met de snelheid, het vaartuig is slank en licht, wordt voortgedreven door 2 x 40 PK Yamaha Enduro buitenboordmotoren. Honderd meter voordat het vaartuig Tanjung Sial zou bereiken stopte het, in de hevige golfslag werden de motoren uit het water gekanteld en gecontroleerd op eventueel zeewier, maar vooral plastic dat in de schroef kon vast zitten. Daarna ging het volle kracht vooruit door de stromende regen en de witgekopte golven. De passagiers staarden met asgrauwe gezichten voor zich uit, alsof ze op weg naar de hel waren, de boze vrouw tegenover mij zat voor een geopend raampje te kokhalzen. Buiten zag ik de uiterste punt van de kaap wit van het schuim veroorzaakt door de golven. Ik dacht aan een hellevaart in gezelschap van meerdere zondaars. Bonkend en stotend rondde de speedboot de kaap, voorbij de punt moet het recht naar boven om de stromingen te ontwijken, dit gaat gepaard met heftige bewegingen en dan opeens bevinden we ons in stil water. De passagiers begonnen luid te praten en te lachen, ze hadden iets dat zich alleen in hun hoofd afspeelde doorstaan. Ik had vertrouwen gehad in de bemanning, die koel hun werk deed. Angst is een begrip dat niet in mijn woordenboek voorkomt, of het moet de angst zijn voor paniek onder mijn Indonesische medepassagiers. De zee naar Hitu lag er rustig bij en we zetten koers naar Tahoku.
De uiterste hoek van Hoamoal, wordt Tanjung Sial genoemd, Tanjung betekent kaap en Sial is onheil. In de Nederlandse tijd heette dit punt de Droge Rijsthoek. “Dit is een ijzersterke hoek, gevormd van harde gladde klippen, met aan weerszijden een groot stuk, zonder enig strand. Hij ligt op twee mijlen*) vanaf Hitu’s kust naar het westnoordwesten. Voor deze scherpe hoek liggen enige klippen onder water en staat er de meeste tijd een sterke stroom. Bij stil weer ziet men soms onder water een hoge zeeboom van het geslacht van de zwarte tali aros of zeerotan, volgens de inlanders zo dik als een mansbeen, die bij hen Batu Sial wordt genoemd. Deze boom durven ze niet uit de zee te trekken, niet alleen vanwege de voortdurende stromingen, maar ook omdat zij geloven dat zij het hoofd van het gehele land is. Deze hoek ontleend zijn naam aan een negorij Sial, die in oude tijden op een uitstekende rots achter deze hoek op een gebergte was gelegen. Omdat ze echter al voor de tijd van de Hollanders was uitgestorven, is het moeilijk daarvan iemand te vinden. Ze vielen onder Waiputih en daar hebben lange tijd nog enige gezinnen gewoond; in oude tijden hadden ze echter een radja die Latu Sial werd genoemd. Deze was volgens hen gewend zich in sagoweer in plaats van water te wassen aangezien men op deze hele hoek geen rivier heeft, misschien heeft ze daarom bij de onzen de naam Droge Rijsthoek gekregen.”
*) dit zijn mijlen uit de VOC tijd, het is mij onbekend hoeveel KM dat is.
We kwamen veilig aan in Tahoku, de speedboothaven op het vasteland van Ambon, na afgerekend te hebben, deze zeer avontuurlijke trip kostte 50.000 Rp per persoon gingen we naar het eethuis van Pak Usman nog wat napraten. Buiten kwam de regen met bakken tegelijk naar beneden. Ik zag mijn plan om een week op Hoamoal te blijven in het water vallen. Geen elektriciteit betekende geen foto’s en geen geschrijf, de moderne reizende mens is immers afhankelijk van zijn oplaadbare batterijen. Ik informeerde hoeveel het charteren van een speedboot naar het eiland Kelang, een van mijn bestemmingen zou gaan kosten. Ik vernam dat dit tripje de lieve som van 3 miljoen zou gaan kosten, of ik moest wachten tot dat er een boot ging, dat zou met dit weer nog dagen kunnen duren. Ik had geen drie miljoen voor dit ritje over, vanuit Kambelo had ik de plek gemakkelijk kunnen bereiken. Ik wilde op het eiland een plaats met de naam Tiang Bendera gaan bezoeken, twee uurtjes zou genoeg zijn, maar dat was mij geen drie miljoen rupiah waard. Over de inwoners van Kelang in vroeger tijden: “Deze inlanders zijn net als de anderen in de opstand van Madjira met wapengeweld onderworpen; de belangrijkste orangkaja’s zijn naar Batavia gevoerd, het gewone volk van zijn land gelicht en op Manipa bij de vesting Wantrouw geplaatst. In 1668 echter heeft de Ed. Compagnie er een wachthuis gebouwd en een steen met een vlaggenstok opgericht als teken van rechtmatig eigendom.” Nu ik geen kans zag de trip naar Kelang te ondernemen besloot ik naar Natsepa terug te keren en de weersontwikkelingen af te wachten
[I]De historische gegevens voor dit stuk zijn o.a. afkomstig uit “De Ambonse Eilanden onder de VOC” door G.E. Rumphius.[\I]
Vier speedboten, varende doodskisten. Ik zit veel liever in een open boot zoals de tweede van links, een vissersvaaartuig. Deze zijn met 1 motor van 15 pk even snel als een speedboot. Het nadeel is dat je in de open lucht zit.
Pluimvee uit Seram wordt ontscheept.