In Waipirit namen we allebei een ojeg die ons voor 50.000 Rp naar Piru zou brengen. Hoe dichter je bij Piru komt hoe mooier de weg wordt met af en toe schitterende vergezichten op de Golf van Piru.
Een 8 kilometer voor Piru zijn de bergen dicht bebost. Ik zag onderweg zelfs een zeearend, zo zijn er meer vogels die je in Seram vrij rond kan zien vliegen. Op Ambon en Seram zie je geen vogels in kooien, de enige vogels die in gevang worden gehouden zijn de kakatoe met zijn afschuwelijke gekrijs en de kleurige nuri. Op Ambon hoorde en zag ik in de bomen van Pantai Natsepa geregeld perkutut, die zouden op Java zeker gevangen worden en in een kooi gestopt, Javanen zijn gek op het geluidje van deze tortelduif, in mijn ogen komt het als zeer saai over, maar het is wel een geluid dat men specifiek voor Java zou kunnen noemen. In Java worden er zelfs zangwedstrijden met deze vogels gehouden, ze worden daarvoor in in kooien hoge palen gehesen, daaronder zitten volwassen mannen te wachten tot de vogels geluid maken, ze zeggen “per-ku-tut” het beestje dat het mooiste geluid maakt heeft gewonnen.
In Piru checkten we in bij Piru Permai 2, waar ik al eerder had overnacht. We kregen een huisje waarin zich twee kamers bevonden toegewezen, we hadden de hele bungalow voor onszelf. Ik stelde voor om naar Piru te lopen, te gaan eten en bier voor de avond koud te laten zetten. We wandelden naar Piru, dat was voor mij een routinewandeling geworden. We kwamen langs een nieuw eethuis waar een mooie reclame voor hing. Dangdude stelde voor om daar te gaan eten. Ik had er in alle keren dat ik er langs was gelopen nog nauwelijks iemand binnen gezien en zei dat ik het geen verstandig idee vond. Een eethuis moet lopen voordat ik er binnenga en een kleurige reclame en gordijntjes voor de ramen zegt niets over de kwaliteit van het geserveerde voedsel. We liepen door tot de hoofdstraat van Piru en stopten bij een Javaans eethuis “Ponorogo” waarvan de eigenaresse mij op eerste kerstdag van de hongerdood had gered. Ik at wat de pot schafte, gebakken ikan kembung, een heerlijk haringachtig visje met daun singkong ala Jawa, dat is in santen gekookt. Dangdude bestelde een nasi goreng. Het eetplezier werd danig vergald door een van de eigenaressen die voortdurend hard in haar mobieltje stond te blèren, daarbij liep ze in de ruimte waar werd gegeten rond. Ze was bezig een Blackberry te bestellen, ze verkocht aan een bureautje voor het eethuis pulsa en bediende voortdurend twee HP’tjes, waarschijnlijk wilde ze met haar tijd mee en kon ze niet meer zonder een Blackberry, dat moest er eentje zijn met empée-tiga, kaméera en memóori besáar. Ik weet niet hoeveel keer ik deze woorden onder mijn maaltijd heb aan moeten horen, ik was blij dat ik was uitgegeten. Blackbērry, Blackbērry Blackbērry gonsde het door mijn hoofd. We rekenden af en gingen Piru bekijken, veel is daar niet te zien, een hoofdstraat met enkele zijstraatjes. We liepen naar de pasgebouwde vissershaven, waar geen vissers waren, deze was zonder na te denken neergezet, slechts als bewijs van “vooruitgang”. Dangdude had mij verteld dat hij van leegte hield, hij kon volgens zijn zeggen het best schrijven over plaatsen waar er helemaal niets was. Echter in deze leegte leek hij weinig te zien, hij had meer belangstelling voor de kindertjes die daar aanwezig waren om foto’s te maken, een exotisch kindergezichtje doet het altijd. Daarna gingen we naar het kerkhof, daar stond een monument van de man die Piru in 1900 had opgericht, het leek Dangdude niet te boeien. Dus maar weer verder, ik sprak met wat mensen die ooit waren gevlucht toen het Indonesische leger achter de RMS aanzat, de plaats waar zij toen woonden werd toen met de grond gelijk gemaakt vanwege RMS sympathieën. De naam is mij ontschoten, het klonk als “Rering”. Ik moet me toch eens gaan verdiepen in de geschiedenis van de RMS toen Dr. Sumokil zich met zijn aanhangers zich in de vijftiger jaren op Seram schuil hield. Van een man afkomstig uit Kaibobo had ik vernomen dat die plaats ook ooit met de grond gelijk gemaakt werd in de RMS tijd.
Na de wandeling gingen we terug naar ons hotel in afwachting tot dat het bier was koud geworden, dat zou 1,5 uur zijn nadat de elektriciteit was ingeschakeld, in Piru is er, zoals op veel plaatsen op Seram slechts elektra vanaf de namiddag tot de vroege ochtend. Onder het genot van kouwe bintangs namen we de bijna afgelopen dag door. Ik vroeg aan Dangdude wat hij van het landschap op weg naar Piru vond, in mijn ogen een schitterend stuk Seram met beboste bergen. Het bleek dat Dangdude niet gekeken had, hij had zich zorgen gemaakt op de ojeg. Zijn grote koffer was tussen de bestuurder en het stuur geplaatst en hij had geen helm gedragen, met de koffer voorop was het volgens hem was het moeilijk manoeuvreren, er had van alles kunnen gebeuren, levensgevaarlijk volgens hem. “Moet je jezelf niet druk over maken man”, zei ik. “Die mensen zijn net acrobaten en heel wat gewend, ik heb ze wel gezien met manden op hun brommertje vastgemaakt waarin 4 schapen zaten” Dangdude had het maar niets gevonden. De avond kabbelde voort, we maakten plannen om de volgende dag naar Pelita Jaya te gaan, daar een bootje te huren om te gaan vissen en een poging te wagen het eiland Buano te bereiken. Dangdude bleek nog een geheime stash te hebben, een heupflesje Indocognac, hij wilde dat weggieten in de plee. “Waarom?”vroeg ik. “Die rotzooi is niet goed voor een mens, bende”. “Dat zal wel meevallen” zei ik, “geef maar aan mij, ik weet er wel raad mee”. Het flesje werd uiteindelijk door ons beiden soldaat gemaakt en behoorlijk kachel gingen we naar bed om te slapen, het zou morgen weer vroeg dag zijn.
De volgende ochtend, na het opstaan, wachtte ik heel lang op koffie. Toen deze eenmaal kwam bleek dit thee te zijn, toen ik om koffie vroeg werd mij verteld dat dit niet voorhanden was. Dat was een slecht voorteken. Ik vroeg aan Dangdude die net was opgestaan of hij zin had om in Piru te gaan ontbijten, hij schudde het hoofd. Waarschijnlijk zou hij zijn voorraad brood met jam en pindakaas gaan aanspreken. Ik wandelende naar de terminal naar een plaats waar ik al eerder had gegeten. Het personeel bleek anders, ook zat op de plek waarop voorheen een ibu zat nu een man met een valse blik in zijn ogen. Ik bestelde een koffie en ging toen kijken wat er te eten was, ik zag gekookte kakap merah en rembung, ik liet me daarvan het een en ander brengen, met daarbij een bord dampende rijst. Was dat even smullen, rembung, bamboescheuten, behoren tot mijn grote favorieten en kakap is ook niet te versmaden, maar wel een beetje link om te eten want de graten van deze vis zijn, klein, dik en zeer scherp. Ik liet het me goed smaken en bestelde nog een koffie na. Toen ik afrekende werd mij 50.000 Rp gevraagd. “Geript”, dacht ik. De man met de valse blik rekende het dubbele van wat zo een maaltijd eigenlijk zou moeten kosten. “Dure vis”zei ik lachend en betaalde, ik laat mijn humeur niet verpesten door iemand die zijn slag wil slaan over mijn rug. Het was de eerste keer dat ik op Seram of Ambon werd getild. De man was waarschijnlijk een Butonees, zodat de autochtone bewoners van deze eilanden bij mij nog steeds een schone lei hebben. Ik had ondanks het hoge prijskaartje erg lekker ontbeten en toog weer terug naar het hotel.
We zaten nog wat te beraadslagen over de reis naar Pelita Jaya, dat zo een 15 kilometer van Piru ligt, toen er een paar mannen langskwamen die vroegen waar we naar toe gingen. Toen we “Pelita Jaya” noemden zeiden ze dat we wel mee konden rijden, want ze gingen met de truck die kant uit om hout te halen. We pakten snel onze bagage en zaten even later in de voorcabine van een vrachtwagen, het was voor mij de eerste keer dat ik me op Seram op meer dan twee wielen liet vervoeren, ik had altijd ojegs of bootjes als vervoermiddel gebruikt. Ik kletste honderduit met de chauffeur. Serammers vinden het buitengewoon om een buitenlander te ontmoeten die hun taal behoorlijk beheerst, op die manier verkrijg ik veel informatie. Dangdude zat er maar stilletjes bij. Af en toe vertaalde ik een interessante passage voor hem. Overigens kon hij genieten van het landschap want dat is ook hier erg mooi, met de zee en allerlei eilanden in de verte. En zo kwamen we zeer snel in Pelita Jaya aan, de truck zette ons bij het haventje van het dorp af.
Het haventje van Pelita Jaya
Een tonijnvisser aan de kade van Pelita Jaya.
Reacties
Geen reacties
Uw reactie
Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.
30 januari 2010: Waipirit – Piru – Pelita Jaya
Een 8 kilometer voor Piru zijn de bergen dicht bebost. Ik zag onderweg zelfs een zeearend, zo zijn er meer vogels die je in Seram vrij rond kan zien vliegen. Op Ambon en Seram zie je geen vogels in kooien, de enige vogels die in gevang worden gehouden zijn de kakatoe met zijn afschuwelijke gekrijs en de kleurige nuri. Op Ambon hoorde en zag ik in de bomen van Pantai Natsepa geregeld perkutut, die zouden op Java zeker gevangen worden en in een kooi gestopt, Javanen zijn gek op het geluidje van deze tortelduif, in mijn ogen komt het als zeer saai over, maar het is wel een geluid dat men specifiek voor Java zou kunnen noemen. In Java worden er zelfs zangwedstrijden met deze vogels gehouden, ze worden daarvoor in in kooien hoge palen gehesen, daaronder zitten volwassen mannen te wachten tot de vogels geluid maken, ze zeggen “per-ku-tut” het beestje dat het mooiste geluid maakt heeft gewonnen.
In Piru checkten we in bij Piru Permai 2, waar ik al eerder had overnacht. We kregen een huisje waarin zich twee kamers bevonden toegewezen, we hadden de hele bungalow voor onszelf. Ik stelde voor om naar Piru te lopen, te gaan eten en bier voor de avond koud te laten zetten. We wandelden naar Piru, dat was voor mij een routinewandeling geworden. We kwamen langs een nieuw eethuis waar een mooie reclame voor hing. Dangdude stelde voor om daar te gaan eten. Ik had er in alle keren dat ik er langs was gelopen nog nauwelijks iemand binnen gezien en zei dat ik het geen verstandig idee vond. Een eethuis moet lopen voordat ik er binnenga en een kleurige reclame en gordijntjes voor de ramen zegt niets over de kwaliteit van het geserveerde voedsel. We liepen door tot de hoofdstraat van Piru en stopten bij een Javaans eethuis “Ponorogo” waarvan de eigenaresse mij op eerste kerstdag van de hongerdood had gered. Ik at wat de pot schafte, gebakken ikan kembung, een heerlijk haringachtig visje met daun singkong ala Jawa, dat is in santen gekookt. Dangdude bestelde een nasi goreng. Het eetplezier werd danig vergald door een van de eigenaressen die voortdurend hard in haar mobieltje stond te blèren, daarbij liep ze in de ruimte waar werd gegeten rond. Ze was bezig een Blackberry te bestellen, ze verkocht aan een bureautje voor het eethuis pulsa en bediende voortdurend twee HP’tjes, waarschijnlijk wilde ze met haar tijd mee en kon ze niet meer zonder een Blackberry, dat moest er eentje zijn met empée-tiga, kaméera en memóori besáar. Ik weet niet hoeveel keer ik deze woorden onder mijn maaltijd heb aan moeten horen, ik was blij dat ik was uitgegeten. Blackbērry, Blackbērry Blackbērry gonsde het door mijn hoofd. We rekenden af en gingen Piru bekijken, veel is daar niet te zien, een hoofdstraat met enkele zijstraatjes. We liepen naar de pasgebouwde vissershaven, waar geen vissers waren, deze was zonder na te denken neergezet, slechts als bewijs van “vooruitgang”. Dangdude had mij verteld dat hij van leegte hield, hij kon volgens zijn zeggen het best schrijven over plaatsen waar er helemaal niets was. Echter in deze leegte leek hij weinig te zien, hij had meer belangstelling voor de kindertjes die daar aanwezig waren om foto’s te maken, een exotisch kindergezichtje doet het altijd. Daarna gingen we naar het kerkhof, daar stond een monument van de man die Piru in 1900 had opgericht, het leek Dangdude niet te boeien. Dus maar weer verder, ik sprak met wat mensen die ooit waren gevlucht toen het Indonesische leger achter de RMS aanzat, de plaats waar zij toen woonden werd toen met de grond gelijk gemaakt vanwege RMS sympathieën. De naam is mij ontschoten, het klonk als “Rering”. Ik moet me toch eens gaan verdiepen in de geschiedenis van de RMS toen Dr. Sumokil zich met zijn aanhangers zich in de vijftiger jaren op Seram schuil hield. Van een man afkomstig uit Kaibobo had ik vernomen dat die plaats ook ooit met de grond gelijk gemaakt werd in de RMS tijd.
Na de wandeling gingen we terug naar ons hotel in afwachting tot dat het bier was koud geworden, dat zou 1,5 uur zijn nadat de elektriciteit was ingeschakeld, in Piru is er, zoals op veel plaatsen op Seram slechts elektra vanaf de namiddag tot de vroege ochtend. Onder het genot van kouwe bintangs namen we de bijna afgelopen dag door. Ik vroeg aan Dangdude wat hij van het landschap op weg naar Piru vond, in mijn ogen een schitterend stuk Seram met beboste bergen. Het bleek dat Dangdude niet gekeken had, hij had zich zorgen gemaakt op de ojeg. Zijn grote koffer was tussen de bestuurder en het stuur geplaatst en hij had geen helm gedragen, met de koffer voorop was het volgens hem was het moeilijk manoeuvreren, er had van alles kunnen gebeuren, levensgevaarlijk volgens hem. “Moet je jezelf niet druk over maken man”, zei ik. “Die mensen zijn net acrobaten en heel wat gewend, ik heb ze wel gezien met manden op hun brommertje vastgemaakt waarin 4 schapen zaten” Dangdude had het maar niets gevonden. De avond kabbelde voort, we maakten plannen om de volgende dag naar Pelita Jaya te gaan, daar een bootje te huren om te gaan vissen en een poging te wagen het eiland Buano te bereiken. Dangdude bleek nog een geheime stash te hebben, een heupflesje Indocognac, hij wilde dat weggieten in de plee. “Waarom?”vroeg ik. “Die rotzooi is niet goed voor een mens, bende”. “Dat zal wel meevallen” zei ik, “geef maar aan mij, ik weet er wel raad mee”. Het flesje werd uiteindelijk door ons beiden soldaat gemaakt en behoorlijk kachel gingen we naar bed om te slapen, het zou morgen weer vroeg dag zijn.
De volgende ochtend, na het opstaan, wachtte ik heel lang op koffie. Toen deze eenmaal kwam bleek dit thee te zijn, toen ik om koffie vroeg werd mij verteld dat dit niet voorhanden was. Dat was een slecht voorteken. Ik vroeg aan Dangdude die net was opgestaan of hij zin had om in Piru te gaan ontbijten, hij schudde het hoofd. Waarschijnlijk zou hij zijn voorraad brood met jam en pindakaas gaan aanspreken. Ik wandelende naar de terminal naar een plaats waar ik al eerder had gegeten. Het personeel bleek anders, ook zat op de plek waarop voorheen een ibu zat nu een man met een valse blik in zijn ogen. Ik bestelde een koffie en ging toen kijken wat er te eten was, ik zag gekookte kakap merah en rembung, ik liet me daarvan het een en ander brengen, met daarbij een bord dampende rijst. Was dat even smullen, rembung, bamboescheuten, behoren tot mijn grote favorieten en kakap is ook niet te versmaden, maar wel een beetje link om te eten want de graten van deze vis zijn, klein, dik en zeer scherp. Ik liet het me goed smaken en bestelde nog een koffie na. Toen ik afrekende werd mij 50.000 Rp gevraagd. “Geript”, dacht ik. De man met de valse blik rekende het dubbele van wat zo een maaltijd eigenlijk zou moeten kosten. “Dure vis”zei ik lachend en betaalde, ik laat mijn humeur niet verpesten door iemand die zijn slag wil slaan over mijn rug. Het was de eerste keer dat ik op Seram of Ambon werd getild. De man was waarschijnlijk een Butonees, zodat de autochtone bewoners van deze eilanden bij mij nog steeds een schone lei hebben. Ik had ondanks het hoge prijskaartje erg lekker ontbeten en toog weer terug naar het hotel.
We zaten nog wat te beraadslagen over de reis naar Pelita Jaya, dat zo een 15 kilometer van Piru ligt, toen er een paar mannen langskwamen die vroegen waar we naar toe gingen. Toen we “Pelita Jaya” noemden zeiden ze dat we wel mee konden rijden, want ze gingen met de truck die kant uit om hout te halen. We pakten snel onze bagage en zaten even later in de voorcabine van een vrachtwagen, het was voor mij de eerste keer dat ik me op Seram op meer dan twee wielen liet vervoeren, ik had altijd ojegs of bootjes als vervoermiddel gebruikt. Ik kletste honderduit met de chauffeur. Serammers vinden het buitengewoon om een buitenlander te ontmoeten die hun taal behoorlijk beheerst, op die manier verkrijg ik veel informatie. Dangdude zat er maar stilletjes bij. Af en toe vertaalde ik een interessante passage voor hem. Overigens kon hij genieten van het landschap want dat is ook hier erg mooi, met de zee en allerlei eilanden in de verte. En zo kwamen we zeer snel in Pelita Jaya aan, de truck zette ons bij het haventje van het dorp af.
Het haventje van Pelita Jaya
Een tonijnvisser aan de kade van Pelita Jaya.