Reacties
indofiel schreef:
Hoi Londoh,
Volgens mij heet zo'n houten eiland een 'Jermal'. Ik heb vorig jaar een Indonesische film erover gezien.
Info: http://kabarmag.com/blog1/2009/03/13/jermal-a-tale-of-a-father-a-son-and-the-isolation-of-a-malaccan-fishing-platform/
Groet,
indofiel
Volgens mij heet zo'n houten eiland een 'Jermal'. Ik heb vorig jaar een Indonesische film erover gezien.
Info: http://kabarmag.com/blog1/2009/03/13/jermal-a-tale-of-a-father-a-son-and-the-isolation-of-a-malaccan-fishing-platform/
Groet,
indofiel
02 februari 2010 10:02:34
Patrick schreef:
Is jermal niet een vaste stellage? Eentje die op de (zee)bodem staat? Ik zou eerder van een bagan apung spreken maar ben niet zo zeker dan Indonesiërs dat ook doen :-)
02 februari 2010 10:42:52
Londoh schreef:
Hi Indofiel en Patrick, ik herinner me nu ook het woord " Jermal" bedankt
02 februari 2010 11:37:41
Patrick schreef:
Morcego is Portugees voor vleermuis. Marsegu is Ambonees Maleis voor hetzelfde dier. Kan kloppen met de grote kolonies vleermuizen, waarvoor het eiland bekend staat.
03 februari 2010 22:29:53
Londoh schreef:
Hi Jennifer. Guna-guna is het alias van een gemankeerde schrijver - websitemaker die in Yogyakarta is geparkeerd. Hij heet Hans van den Broek en is van beroep vervelende-boekies-vertaler. c.s. = centraal station
03 februari 2010 23:36:35
h0mpy schreef:
Die haai van je .. is een Remora. Dat is zo een zuigvis (leuk voor thuis misschien?) die aan grotere zeebeesten plakken zoals haaien bijvoorbeeld.
Indonesiërs zeggen maar wat als ze een dier zien.
Bijvoorbeeld:
Een pak geitemelk met een foto van schapen er op.
Ikan Salem op de pasar kopen en thuis te horen krijgen dat het makreel is.
Bovendien hebben ze meestal maar 1 naam voor een grote groep verschillende beesten.
Ik mag zelf graag vissen.. maar als ik in Indonesië op zee vis dan laat ik m'n hengel thuis en ga voor een rol draad aan een stuk oud ijzer.
Indonesiërs zeggen maar wat als ze een dier zien.
Bijvoorbeeld:
Een pak geitemelk met een foto van schapen er op.
Ikan Salem op de pasar kopen en thuis te horen krijgen dat het makreel is.
Bovendien hebben ze meestal maar 1 naam voor een grote groep verschillende beesten.
Ik mag zelf graag vissen.. maar als ik in Indonesië op zee vis dan laat ik m'n hengel thuis en ga voor een rol draad aan een stuk oud ijzer.
23 februari 2010 07:14:13
Admin-login
RSS
Lid worden
02 februari 2010: Vissen bij Pelita Jaya (II)
een grote koffie en een bord rijst met vis en groenten, lekker bunkeren. Toen ik terugkwam stond iedereen al klaar, ik pakte mijn hengel en gingen we naar het haventje, de heren maakten de speedboot klaar en niet veel later werden wij door de koele ochtendlucht over zee vervoerd. Heerlijk is dat toch altijd, zeker op dat tijdstip in de ochtend als de zee nog zo glad als een spiegel is. We moesten eerst voor umpang zorgen, dat is aas, in dit geval kleine visjes. We gingen daarvoor naar een groot drijvend houten “eiland” waarmee ’s nachts kleine vis gevangen wordt. Onder die eilanden hangen grote netten en op het eiland worden lampen geplaatst om de vis te lokken, die komen in grote scholen. Deze vis wordt als aas gebruikt of gedroogd om als ikan teri de laatste maar lekkerste fase van hun leven door te maken. Ik ken de naam van zo een eiland niet in het bahasa Indonesia, maar je ziet ze overal in de archipel op zee. We legden aan en ik was onder de indruk van de tegelijk simpele en ingewikkelde constructie van hout en touw. Hier wat plaatjes:
Het “eiland” vanaf zee
De katrollen waarmee men de netten laat zakken, balanceren op evenwichtsbalken.
De netten
De jongens hadden nogal moeite om de netten in de juiste stand te krijgen om de achtergebleven vis te lokaliseren. Toen dat eenmaal gelukt was schepten ze met een emmer wat vis uit het net en die werden op de bodem van de speedboot gedumpt waar ze een langzame dood stierven, je moet in deze omgeving geen donateur van Greenpeace zijn. Het waren meestal kleine visjes waartussen wat inktvisjes, die als ze zo uit het water komen helemaal doorschijnend zijn. Ook zaten er twee kleine barracuda’s tussen, die vis heet hier piscado, een overblijfsel uit de Portugese tijd. We voeren verder, langs het overbevolkte Pulau Osi, de plek waar al heel lang Butonezen zijn gevestigd. Door gebrek aan water zijn er velen naar het vasteland verhuisd. We voeren richting Pulau Marsego, waar heel veel aalscholvers zaten, die door de jongens bebek laut werden genoemd. Marsego betekent “kalong”of vliegende hond in de plaatselijke taal en klinkt mij dan ook Portugees in de oren. De jongens zagen een grote groep witte vogels fladderend boven zee, dat werd onze stek. Toen ze het anker, een koraalsteen met een gat erin, uitwiepen kwam er geen einde aan de hoeveelheid touw die het water in ging. De zee was hier minstens 15 meter diep. De jongens gingen vissen, maar wij hadden onze hengels afgesteld op iets heel anders, dus moest er veranderd worden, er moest zwaarder lood bevestigd worden, dat was een heel geklooi. Volgens Dangdude was 40 gram het zwaarste dat hij had mee genomen, maar dat bleek niet voldoende, er stond een sterke stroming en voor je het wist was de lijn naar een verte verdwenen. De jongens visten met een lijntje aan een spoel en vingen ook vis, onder andere een mooie witte tonijn en een schitterend mooie vis die volgens Dangdude wel eens een zeekarper zou kunnen wezen. Toen ik op een gegeven moment met mijn molentje aan het draaien was om mijn lijn van grote diepte op te halen, ik had een hevig teken van leven gehad, donderde het hele molentje uit elkaar. Die hengel was een typisch Indonesisch product, ik gebruikte dat ding voor de tweede keer en ging het ding al direct naar de Filistijnen. Daar zat ik dan, te vissen zonder hengel, als een man die zonder kloten naar een hoerenkast gaat. Gelukkig hadden de mannen nog een spoel met een lijntje over en kreeg ik die. Dat leek me leuk, want daar kon niets kapot aan gaan. Ik haakte een fors visje aan, haak door de beide oogjes en dan in het lijfje en wierp uit, dat ging simpel aan het eind van de lijn hingen drie stukken aaneen gelast betonijzer, dat wil wel zinken. Zodra ik op een behoorlijke diepte zat werd er hevig aan de lijn getrokken, ik trok ook en dacht “Beet!”ik begon de lijn binnen te halen, er werd af en toe hevig getrokken daar beneden, maar toch ging het binnenhalen heel gemakkelijk, alsof het een klein sterk visje was. Toen ik de lijn eindelijk boven had zag ik een zeer sierlijk gestroomlijnde wit-zwarte vis. “Hiu!”schreeuwde een van de jongens en inderdaad er kwam een jonge verbaasd kijkende haai uit het water. Ik vroeg aan de jongens of ze het beessie even los wilden maken en vasthouden om een plaatje te schieten, dit was een unieke vangst. Omdat haaien niet te vreten zijn en de vis steeds zeldzamer wordt, stond ik erop om de vis weer de vrijheid te geven, want die inlanders nemen elke vis mee. Haaien worden in stukken gehakt gebruikt als lokaas voor krab, als de vinnen eraf zijn gesneden. Intussen zat Dangdude een aardig potje te kankeren, hij vond het vissen hier helemaal niets, hij had gelijk, de jongens visten op hun manier en dachten dat wij dat ook deden, anders gezegd ze kenden geen andere manier van vissen. Het was aas uitgooien en zodra ze beet hadden halen en de vis in de boot gooien en nog eens. Volgens Dangdude stond dit gelijk aan stropen, ik had daar mijn twijfels over, als je geld wilt verdienen doe je dat op de meest praktische en efficiënte manier. Toch ving Dangdude ook een visje, de stand was 4 – 3 in het voordeel van de leerling.
Opeens stak er een wind op en de lucht betrok snel, werd gitzwart en er vielen druppels. In een ijltempo trok een van de jongens het anker naar boven, de ander startte de buitenboordmotor en gingen we in volle snelheid op Pulau Marsego af. We legden aan op het strand en renden naar een paar huisjes die daar stonden, om te schuilen. De huisjes waren bedoeld als bungalows voor een te bouwen resort, ze hadden echter iets van mooie kippenhokken. De voordeur zat zo knullig in het kozijn bevestigd dat een kleine duw deze open zou doen laten springen. Ook was het bouwwerk schots en scheef ineen gezet, alsof men in deze contreien het bestaan van een waterpas en schietlood niet kende. Het eiland was privébezit van de Bupati van Seram Bagean Barat geworden, uit de verhalen die ik van de bevolking had gehoord een zeer corrupt heerschap die het grootste gedeelte van zijn werktijd in karaokebars te Jakarta doorbracht. Het eiland was voorheen een klapperplantage geweest, althans het gedeelte waar de huisjes stonden, het westelijke gedeelte bestond uit mangrovebos, de onderwaterwereld om het eiland schijnt spectaculair te wezen. De eigenaar van de plantage, een Indische Nederlander was overleden, de erfgenamen konden geen rechten op het eiland uitoefenen en had de bupati gezegd “pik, ik heb je” als voorziening voor zijn oude dag. Alle klapperbomen waren omgezaagd om plaats te maken voor bungalows, in de toekomst. Het strand lag vol plastic en drijfhout. Stel je toch een voor een strand in de tropen zonder klapperbomen. Ook was het resort mijlenver van de bewoonde wereld verwijderd. Vanaf Jakarta zou men 2 – 3 dagen onderweg zijn om het te bereiken, niet echt aanlokkelijk voor een toerist. We wachtten af tot de hevige storm met veel hemelwater geluwd was, de zee had eruit gezien als een woeste witte massa vol geweld, plotsklaps was het stil. Het zware weer vertrok even snel zoals het was verschenen. De jongens maakten de boot klaar en we gingen snel de zee op, dit was fantastisch visweer volgens hun, wij vingen niets, hun wel. Ik zat te klooien met mijn lijn, door de grote diepte lag er na het ophalen voor mij een grote berg nylon, die in de war raakte, ik moest die met grote ergernis ontwarren. Volgens Dangdude heette dit een pruik, de tweede keer dat ik werd geconfronteerd met zo een pruik ontwarde Dangdude deze voor mij, hij was op visgebied zeer behulpzaam. Maar toen ik weer een berg van dat nylon volkomen in de war voor mij had ontwarde ik deze, spoelde deze op en liet het vissen voor wat het was. Niet lang daarna gaf Dangdude er ook de brui aan, dit was geen sportvissen volgens hem. We voeren terug naar Pelita Jaya.
Londoh’s eerste haai.
NB. Ik ben zelf maar niet op de foto gegaan om misbruik door Guna-2 c.s. te voorkomen
Het “ressort” op Pulau Marsego
Het overbevolkte Pulau Osi op afstand
Terug in Pelita Jaya gingen we naar het eethuis, dat was, in ieder geval voor mij, de plek waar ik het liefste was, er hing een goede sfeer. Dangdude bestelde een nasi goreng en ik ging aan het dagmenu, nasi kuning. De eigenaresse zei dat ze morgen kepiting, krab verwachtte of wij daar zin in hadden. Ik was meteen razend enthousiast, maar Dangdude begon onmiddellijk te wijzen op de gevaren die de consumptie van schaaldieren met zich meebracht. Ik keek stomverbaasd, wat is er nou lekkerder dan verse krab en garnalen zo uit zee. Dangdude illustreerde zijn verhaal met wat voorbeelden van mensen, westerse toeristen, die bijna dood waren gegaan na het eten van schaaldieren, wat erreg zei ik. Ik herinnerde een voorval nadat ik zelf karang (kokkels) had gegeten in Cirebon, er had er eentje tussen gezeten die niet zo goed smaakte en had ik deze vlug doorgeslikt, helemaal fout natuurlijk. Ik ben er goed ziek van geweest, een paar uur maar, en heb daarna die dingen nooit meer aangeraakt. Na het eten liepen we terug naar de penginapan, onderweg iedereen groetend, de mensen in Pelita Jaya zijn nog onbedorven vriendelijk. Daar aangekomen kwamen de jongens ook even langs, we spraken af om de volgende dag naar Buano te gaan, het vertrek zou om 5 uur zijn en de jongens zouden een thermos koffie meenemen, want ik ben iemand die zonder koffie ’s morgens geen stap kan zetten. Voor Dangdude moest ik nog even zijn ongenoegen in het Indonesisch vertalen, hij was helemaal niet te spreken over het dagje vissen, het water was veel te diep, we moesten een volgende keer naar ondiep water. De jongens keken mij verbaasd aan maar deden alsof ze het begrepen. Later toen ik op mijn kamer lag hoorde ik Dangdude bezig met een lange uitleg in zijn Indonesisch hoe er volgens hem gevist diende te worden, het was maar goed dat hij het zelf deed, hij was tenslotte de visser onder ons. Tijdens zijn uitleg hoorde ik hem diverse malen het woord sport gebruiken. De jongens herhaalden het, “spoor” hoorde ik, ik moest in mezelf lachen en dacht aan “olah raga”en “atlet mancing”, zoals je ook in Indonesia “atlet bilyar”en “atlet boling” hebt.
Iedere avond gingen we bij ibu Ena bier drinken, ’s middags gaven wij geld om 6 flessen bier te kopen, die werden in de koelkast gezet en nadat de elektra aan ging hadden de flessen 1,5 uur om koud te worden. Helaas waren de flessen die dag als stiefkinderen behandeld en lagen in de groentelade, maar van bier dat niet koud genoeg is word je sneller lam. Achter zo een groene fles gezeten bespraken wij de dag en stond ik iedereen te woord die eens met een “turis” wilde spreken. Zo ook een politieagent van de Polair (waterpolitie) die zich afvroeg waarom wij onszelf nog niet bij de politie hadden gemeld. Dat vind ik altijd hoogst vervelende gesprekken, politieagenten die de autoriteit gaan uithangen. Ik antwoordde dat ik niet wist dat er in Pelita Jaya politie was, hij legde uit waar ik hun kon vinden, of we ons morgenochtend maar op kantoor wilden vervoegen. Ik vertelde dat we vroeg die ochtend naar Buano zouden gaan. Hij vroeg meteen waarom wij de boot van de politie niet hadden gehuurd. Ik moet in dit soort situaties altijd zorgen dat ik beleefd blijf, hetgeen me wonderwel lukte. Dat kwam omdat ik een geintje maakte toen de agent verlekkerd naar de flessen bier op tafel keek. Hij vroeg met een knipoog of bier drinken mijn hobby was, nee zei ik dit is bensin dat heb ik nodig om te draaien. Dit saaie geintje werd met onbedaarlijk gelach begroet en kregen we uitstel om ons nadat we uit Buano terugkwamen te melden.
Vervolg >>