04 februari 2010: Kolonist op Nieuw Guinea - 8

Bruinsma
Vandaag maken we samen met Dhr. Bruinsma een uitstapje naar het gebied van de Wisselmeren. Eranotali, Kapuaku, Ekari, Paniai ... exotische namen, die veel Nederlanders toch wel bekend zijn. Dhr Bruinsma vertelt:

Hoofdstuk XI: Kapauku’s en de Jungle Pimpernel.


”Of Toean bij de Acap wil komen”. Met deze boodschap kwam onze Papoea agent-ordonnans mijn kantoortje binnen. Als je bij de chef werd ontboden wist je nooit wat er boven je hoofd hing. Soms kreeg je een bemerking voor iets wat je niet verwachtte, een ander maal kreeg je te horen dat een ingediend rapport of proces-verbaal een nadere aanvulling behoefde; duizenden redenen waarom je op het matje geroepen zou kunnen worden. Doch slechts heel zelden voor een pluim op de hoed of een klop op de schouder. Je moest elk jaar maar afwachten wat er op je conduitestaat werd aangetekend. We raakten aan deze gang van zaken wel gewend dus benieuwd wat ditmaal weer de reden van dit opdraven kon zijn ging ik op weg.

Ik kreeg te horen dat ik naar de Wisselmeren moest gaan. Dit gebied viel buiten mijn ressort maar behoorde wel tot het territorium van de Afdelingscommandant. De opdracht luidde dat ik moest onderzoeken of er in de omgeving van het Bestuursplaatsje Enarotali een terrein was, dat geschikt zou kunnen zijn voor landingsplaats voor kleine vliegtuigen.

Ik deed wat mij opgedragen was en de volgende dag vertrok ik per Catalina van de Marine naar de Wisselmeren. Daar aangekomen meldde ik mij bij het Hoofd van het Plaatselijk Bestuur , de controleur Rafaël den Haan. Zijn ads. Controleur (T.Fanoy) kende ik reeds uit Biak. Verder maakte ik ook kennis met de det. comdt. Ivp. Krijger en de HA Laurens. Er was toen ook een reporter aanwezig, een zekere Alfred van Sprang van het weekblad “De Spiegel”, die het H.P.B. interviewde over leven en werken in het Centrale Bergland. Later werd in bovengenoemd blad een artikel gepubliceerd, onder de kop “Koning der Kapauku’s”, geïllustreerd met foto’s. Hier vertelde hij hoe, diep in het primitieve binnenland van Nieuw Guinea, een jonge bestuursambtenaar heerste over een gebied net zo groot als Nederland en.........droomde over Parijs.

De daarop volgende dagen besteedde ik mijn tijd met het verkennen van de streek om en nabij de Wisselmeren. Gezien de geaccidenteerdheid van het terrein en het moerassig dalgebied, was er weinig kans een geschikt terrein te vinden dat voldeed aan de eisen. Toch vond ik tenslotte in de buurt van één der meren een stuk terrein dat enigszins aan het doel beantwoordde. Er zou dan eerst heel wat aan de grond verbeterd dienen te worden vooral m.b.t. egalisatie en afwatering. Dit waren dan de problemen voor de betreffende deskundige.

De avonden aan de Wisselmeren waren meestal koud en guur. Een groot verschil met het broeierige Biak. Dit lag aan het hoogteverschil (± 1700 m.)). Een uur vliegen van Enarotali lag het sneeuwgebergte, de toppen zijn altijd bedekt met sneeuw. Bij een open haard, waar een knetterend houtvuurtje ons wat warmte schonk, presenteerde mijn collega mij een mok dampende koffie. Tot mijn grote verbazing voegde hij er een fikse scheut cognac aan toe. “Dit is koffie-toebroek-met-tik”, zei hij. In de kou smaakt deze drank als nectar, ja als een kus van Venus!” Zijn lyrische ontboezeming had hoe dan ook de gewenste uitwerking, ik werd lekker warm van binnen. Onder het genot van een paar koppen “koffie-met-tik” en het gezellige houtvuurtje kwam het gesprek op de Kapauku’s of de Ekaristam in dit gebied.

Ik ga even nader in op de levenswijze en gewoontes van dit merkwaardige volkje dat zoveel met dat van de kustpapoea verschilt. Het gebied waarvan de bewoners nog in het stenen tijdperk leven werd bij toeval op 31 december 1936 ontdekt door Wissel, vlieger bij de Koninklijke Marine, gedetacheerd bij de karteringsdienst van de NNGPM. Op zijn vlucht van Seroei naar de zuidkust van Nieuw Guinea vloog hij eens over het Centrale Bergland toen hij beneden zich drie meren ontwaarde die verscholen lagen tussen het ruige gebergte. (deze meren werden later naar hem vernoemd). Verspreid in de omgeving van het water zag hij nederzettingen en hutjes met aangelegde tuintjes, die wezen op de aanwezigheid van mensen. Het Gouvernement zag de mogelijkheid om het gebied onder civiel bestuur te brengen en zo werd de “Wisselmerenpost” eind mei 1938 door Jan van Eechoud opgericht. Onder welke moeilijke omstandigheden dit gebeurde schreef Jan van Eechoud in zijn boek “Met kapmes en kompas door Nieuw Guinea”. Op 14 november 1938 droeg hij deze post weert over aan de ads. contr. Stuuterheim en vertrok lopend via de Siriworivier naar de Geelvinkbaai. Stutterheim op zijn beurt werd op 19 januari 1939 vervangen door de ads. contr. V. de Bruijn die wij later onder de naam “Jungle Pimpernel” zouden leren kennen.

Hoe het ook zij, het civilisatieproces was begonnen. Zending en Missie deden daarin dapper mee en vestigden zich in dat gebied. De Kapauku’s in de omgeving van Enarotali werden aan dit zaligmakende proces onderworpen. Onderwijs was de belangrijkste factor in deze fase van ontwikkeling want immers wie de jeugd heeft de toekomst. In enkele jaren tijd werden de peniskokers vervangen door katoenen broekjes en de rieten rokjes door katoenen jurkjes. Het heeft er even naar uit gezien dat de Zending en Missie ter wille van het zieltjes winnen elkaar in de haren zouden vliegen, maar deze rivaliteit werd door het Bestuur “vakkundig en diplomatisch” geneutraliseerd. Buiten de onmiddellijke invloedssfeer van de Zending en Missie bleven de levensgewoonten van de Kapauku’s echter onveranderd. Tradities, bijgeloof en andere primitieve gewoonten (adat) lagen stevig verankerd. Een vrouw die overspel plaagde kon zo bijvoorbeeld volgens hun adat tezamen met haar minnaar worden dood gepijld. Zoiets was de gewoonste zaak in de Kapauku-wereld. Zo kon ook een familielid, in wie de enis (boze geest) was gevaren, worden gedood. En zo zijn er meerdere gevallen te noemen waarbij de adat genoegdoening eiste.

Overigens zijn de Kapauku’s een vriendelijk en goedlachs volkje. Ze zijn nogal klein van stuk, vergeleken met de kust-papoea’s. Ze groeten met gekromde wijsvinger van de rechterhand (de zgn. knokkelgroet). De andere geeft hem een wijs- en middelvinger waarna de handen met een korte ruk worden teruggetrokken. Hierdoor hoor de een klikkend geluid. Het vereist wel enige oefening eer je dit effect verkrijgt.

De Kapauku’s zijn niet schuw of timide, eerder een ietsepietsie vrijpostig, uit Westerse ogen gezien. De mannen dragen als kledingstuk een peniskoker, die gemaakt is van een uitgeholde kalebas, een eetbare vrucht. De koteka wordt recht overeind op z’n plaats gehouden door een koord om de heupen en een touwtje om het scrotum. De Kapauku’s laten hun verwondering of blijdschap blijken door met hun vingers een roffel te geven op hun koteka’s, zoals wij onze vreugde tonen door het klappen in de handen. ’s Lands wijs, ’s lands eer. De Kapauku voelt zich naakt zonder zijn koteka! De vrouwen dragen korte rokjes van riet, touw of reepjes boombast. Een kledingstuk uit het neolithisch tijdperk.

Kapuaku's

Kapauku’s


Er bestaat een animositeit tussen de Kapauku’s en de Migani’s en van oudsher zijn oorlogen gevoerd om grondkwesties. De oorlog wordt pas beëindigd als aan beide fronten een gelijk aantal doden zijn gevallen. Het is mij een raadsel hoe zij het te weten konden komen. De ads. controleur De Bruijn stond voor de moeilijke taak dit maagdelijk terrein te civiliseren en de bevolking daarop voor te bereiden. Het terra incognita was verscheidene malen groter dan Nederland. Een goed contact met de Papoea’s was een eerste vereiste. Je zult hun taal moeten leren spreken wil je kunnen doordringen tot hun gebruiken en gewoontes. Een abrupte verandering teweeg brengen in hun eeuwenoude adat kon het broze lijntje wel eens doen breken. De kontolulle, zoals de controleur door de Kapauku’s werd genoemd was een wijs man. Er werden nog geen beperkingen of verboden opgelegd aan de adat, welke gebruiken in strijd waren met het wetboek van strafrecht. Hij besefte dat alles moest gebeuren langs de weg der geleidelijkheid. Pionieren, exploreren en besturen waren fasen in de openlegging in een land als Nieuw Guinea. Tijdens zijn ambtsperiode ondernam hij ettelijke verkenningen naar de omliggende onbekende gebieden en legde zo een persoonlijk contact met de bevolking.

De oorlog met Japan stond voor de deur. Kapitein, de latere generaal, Spoor had per Dornier vliegboot een kort bezoek gebracht aan de Wisselmeren. Een maand later werd De Bruijn vanwege zijn ziekte (beri-beri) overgebracht naar Merauke. Vandaar uit is hij enige tijd later naar Australië (Sydney) doorgevlogen voor een bespreking met de aldaar aanwezige Nederlandse autoriteiten. Daar kreeg hij, na het herstel van zijn ziekte, een opleiding bij de Nefis en verkreeg de rang van 2e luitenant. Hij verzocht om terugzending naar zijn post aan de Wisselmeren en vergezeld van de telegrafist Rudy Gout, korporaal Postma en nog enkele anderen arriveerde hij in november 1942 op zijn oude standplaats. Maanden gingen voorbij toen op een zekere dag enige Japanse vliegtuigen laag over de Wisselmeren kwamen overvliegen. Papoease jagers en verkenners die van de zuidkust terug kwamen vertelden dat de plaatsjes Fakfak, Kokenao, Oeta en nog enkele andere dorpjes door de Japanners waren bezet. Het kon dus niet lang meer duren of ook het gebied van de Wisselmeren zou met een bezoek van de Jappen worden verblijd.

De Nederlands-Indische regering, die zich in Melbourne had gevestigd, gelastte een definitieve evacuatie van alle niet-autochtonen per vliegtuig naar Merauke (een kustplaats in Zuid Nieuw Guinea) dat nog niet door de vijand was bezet. Na vertrek van de laatste plane met evacués bleef De Bruijn vrijwillig in het ruige bergland achter. Operatie “Oaktree”, intelligence party was geboren en kon in actie komen. Zijn naaste medewerkers waren Rudy Gout, korporaal Chris Berger, de politieagenten Kaboeroean, Kottadiny en nog vier andere vrijwilligers, t.w. Habel Honggoljan, Izaac Tamoehoe, Lambert Noerwé en Boo. Hoofddoel was zoveel mogelijk inlichtingen verzamelen over de Japanners. Het was nu wel zaak om naar een strategisch beter beveiligde plaats te vertrekken. Via omwegen, om de Japanners af te leiden, belandde de groep tenslotte in Wandai, een dorpje ten noordoosten van Enarotali. Voordat ze later vandaar weer verder trokken werden alle gebouwen in brand gestoken, zoals ook met de post Wisselmeren was gedaan, om te voorkomen dat de Jappen hier gebruik van zouden maken.

De groep “Oaktree” breidde zich uit met vrijwilligers: krijgers uit de Ekaristam en de Maganistam. Deze krijgers waren zeer verknocht aan De Bruijn en wensten bij hem te blijven. Ze waren hier dan ook tot het einde van de strijd te vinden. Naast hun pijl en boog werden zij bewapend met karabijnen en tommyguns en werd hun geleerd hiermee vakkundig om te gaan. Het waren de eerste Bergpapoea’s die vuurwapens droegen. Veel van de door hen verkregen inlichtingen betreffende de aanwezigheid van Jappen, hun sterkte, verplaatsingen en andere gegevens waren voor de geallieerden van groot belang. Alles werd in code doorgeseind aan het Nefishoofdkwartier in Melbourne. De Jappen hadden al het mogelijke gedaan om deze groep te elimineren, zelfs door middel van Papoea-spionnen. Ze bleven echter ongrijpbaar. De naam “Jungle Pimpernel” zal vermoedelijk in deze periode ontstaan zijn. Het was in dit ruige en mensvijandige oerwoud voor de groep een leven van zwerven en ontberingen, van honger en koude en dat terwijl ze maar steeds door de vijand werden opgejaagd. Na de opmars van de Amerikaanse vloot, waarbij ook Nieuw Guinea werd “bezocht” en strijd werd geleverd in Hollandia, Biak en andere plaatsen in dit gebiedsdeel, kwam ook de bevrijding van deze kranige groep strijders. Zij werden later met een watervliegtuig uit het Hagameer opgehaald en overgevlogen naar Australië. De Bruijn werd in oktober 1946 vanuit Australië te Biak overgeplaatst als OAC/HPB. Hij keerde, behoudens een paar korte bezoeken, niet meer in functie terug op de Wisselmeren. De post werd eind oktober 1948 heropend door de controleur Binnenlands bestuur J.R. Meyer Ranneft Deze kwam met zijn gezin helaas om het leven tijdens een vliegtuigongeluk (“Neutron”) in de omgeving van Biak. Zijn opvolger op de post Wisselmeren was controleur Rafaël den Haan.

Zo zijn we dan weer terug bij het begin van het verhaal. Na de laatste kop koffie-met-tik ben ik lekker onder de wol gekropen want ik moest de volgende dag terug naar mijn standplaats in Biak. Die dag nam ik afscheid van controleur Rafaël den Haan, diens ads. contr. Tom Fanoy (die later veel dingen heeft toegelicht over het bestuurlijk gebeuren rondom de Wisselmeren) en mijn collega Leo Krijger alsmede zijn assistent de HA Laurens.

Het is ongelooflijk hoe snel de gebeurtenissen in zo een tiental jaren zich in dit vergeten oord hebben afgespeeld. Ontdekking en openlegging, oorlog en wederopbouw. Ik heb het in vogelvlucht geprobeerd te schetsen. Uitgebreid staat deze geschiedenis beschreven in het boek van Vic de Bruijn “Het vergeten volk”. De woelige dagen leken, hier aan de Wisselmeren, tot het verleden te behoren.

Kapuaku

Kapauku



Post Scriptum

Het léék tot het verleden te behoren, maar in 1956 brak er in de omgeving ten westen van het Paniai-meer, in het gehucht Obano, een opstand uit tegen het gezag. Er zou een oorzaak moeten zijn voor deze explosie. Mannen die zich schuldig hadden gemaakt aan oorlogsvoering en moorden die zich niet, na een oproep van het Bestuur, wilden melden, werden gevangen genomen en in de boei gezet. Dit had echter kwaad bloed gezet onder bepaalde stammen. Je mocht volgens de adat van je wapens gebruik maken indien je onrecht werdt aangedaan en deze eeuwenoude adat kon je toch maar niet zó veranderen. Een gevangenisstraf als je het toch deed ?? Nota-bene door een vreemdeling, een niet-peniskokerdrager !

Kindersterfte onder de Papoease bevolking werd verweten aan de invoer van witte (teelt) varkens, die het Gouvernement ten behoeve van de autochtonen had aangekocht en gedistribueerd. In de varkens scholen boze geesten zeiden de oproerkraaiers, en die hadden de kinderen ziek gemaakt en ze doen sterven. Dus moesten alle geïmporteerde varkens worden doodgeknuppeld. Maar toen de ziekte onder de kinderen desondanks niet verminderde en er doden vielen werd het Bestuur als schuldige aangemerkt. Dit leidde tot conflicten en wat later, door allerlei omstandigheden, tot een confrontatie tussen het Bestuur enerzijds (terzijde gestaan door de “klerendragers”) en de opstandige Kapauku’s (de “peniskokerdragers’). Laatstgenoemden bevonden zich veelal buiten het direct bestuurlijke gebied; de Papoea’s rondom het Tigi-meer kozen de zijde van het bestuur, al droegen ook zij geen katoenen broekjes.

In de strijd, die niet kon uitblijven, werden Bestuur en Politie door deze bevriende Kapaukustam daadwerkelijk geholpen. Zo een legaal oorlogje bracht tenminste leven in de brouwerij, hebben ze wellicht gedacht. Wie weet ! Er werden zelfs mariniers uit Biak overgevlogen. In de beslissende strijdfase werd de strijd, dankzij de bevriende Kapauku’s, in het oordeel van het gezag beslecht. Gouverneur dr. J. van Baal, heeft De Bruijn, die vanaf 1952 zijn domicilie in Hollandia had, opgedragen in het conflict te bemiddelen. De “rebellerende” stammen legden zich tenslotte mokkend neer bij de door het Bestuur genomen besluiten. Was de Papoea uit het Centraal Bergland nog niet rijp voor het aanvaarden van een daadwerkelijk bestuur ? Wie zal het zeggen ??

vervolg >>

Reeds verschenen:


Reacties

Ted Bruinsma is mijn vader.
Ik zal altijd trots op hem blijven en aan hem denken met veel liefde in mijn hart.
Zijn dochter Jilly Bruinsma.
06 februari 2010 09:55:38

Uw reactie



Toegelaten BBCode:
[b] [i] [u] [s] [color=] [size=] [quote] [code] [email] [img] [youtube]

Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.