05 februari 2010

Het eiland Buano (I)

Boano
Nadat ik was opgestaan en iets aan had gedaan, liep ik onmiddellijk naar buiten om naar de hemel te kijken. Omdat ik nog geen koffie gedronken had was het even moeilijk om uit te maken waar deze zich bevond,


maar toen ik het uitspansel ontdekte zag ik dat er sterren te zien waren, dus was het goed weer en dus konden we naar Buano. Dat stemde mij zeer tevreden, normaal gesproken bezoek ik heel veel nieuwe plekken als ik op reis ben, 2 – 3 dagen op een plaats is voldoende voor mij en dan op naar de volgende attractie. Dat was er deze keer niet van gekomen, ik werd geplaagd door het slechte weer dat reizen over zee met hoge golven onmogelijk maakte, erger nog, ik was gedwongen om “vakantie” te houden, zeg maar niets doen. Dat heb ik in jaren niet gedaan, daarbij was het nog eens vakantie houden zonder elektra te kunnen gebruiken, een oververhitte kamer met AC, batterijen die niet opgeladen kunnen worden. Zie hier de klaagzang van een verwende westerling.

Toen ik terug in de penginapan kwam zat Dangdude in de huiskamer met een somber gezicht voor zich uit te staren. “Wat ister? “vroeg ik. “Ik heb vreselijke nachtmerries gehad, zo erg heb ik nog nooit gedroomd” zei hij. “Iedereen zat achter me aan, zelfs mijn ouders, het was echt heel erg, een slecht voorteken”. Dangdude ging verder: “Ik werd na een eerste droom wakker van de schrik, ik kon niet meer slapen. Ik heb toen een broodje pindakas gegeten, daarna ging het wel weer en kon ik wat slapen, maar de droom kwam terug, weer zat iedereen achter me aan. Ik denk niet dat het wat wordt vandaag, levensgevaarlijk om naar Buano te gaan, die droom is een heel slecht voorteken, er gaat vast iets heel ergs gebeuren”. “Hou toch op man, je bent net een Javaan, die zijn ook altijd zo met hun dromen in de weer en laten hun leven daardoor leiden. Dromen zijn gewoon entertainment die het slapen aangenamer kunnen maken. Als je slecht droomt dan ligt dat aan jezelf, niet aan de buitenwereld”. Zo verklaarde ik de droom, wat had ik aan dat gezeur op de vroege ochtend. Gelukkig kwamen de jongens aan en zeiden dat ze “siap” waren om ons naar Buano te varen, Dangdude ging mee.

De hengels werden thuis gelaten, we voeren op een spiegelgladde zee richting Pulau Marsego, voor Marsego werd de zee ruwer want het eiland ligt aan een zeestraat die in verbinding met de open zee staat. Gisteren, toen we tegen de avond van ons visfestijn terugkwamen, hadden er vele kalong boven ons gevlogen, op weg van Pulau Marsego naar het vasteland om ’s nachts de vruchtbomen van de bewoners op het vasteland te plunderen. Kalong of vliegende honden zijn de grootste vleermuizen, met een vleugelspanwijdte van wel een meter. In de lucht, zeker als ze groepsgewijs vliegen, een imposante verschijning, allemaal Bat-mannen. De kalong waren alweer, volgevreten met het beste fruit, want het zijn kenners, terug op Marsego, het was al ruim een uur licht. Op dit tijdstip kwamen er groepen witte reigertjes vanaf het eiland om te gaan vissen in de mangrovebossen, waaraan dit gebied nog zeer rijk is. We passeerden Marsego aan de westelijke kant waar de mangrovebossen lagen waarin de aalscholvers woonden. Een andere verschijning in de lucht, die men veel in de Molukken tegenkomt, is de fregatvogel, een fantastisch gestroomlijnd zwart beest met een lange rode snavel die hoog in de lucht spectaculaire zweefvluchten uitvoert op zoek naar visjes. Aan de noordelijke zijde van Marsego was het water engeltjesblauw, daar moest de fameuze onderwaterwereld zich bevinden. Toen we dit punt waren gepasseerd kwamen er golven van alle kanten op ons af, dit is een open zeestraat, ik heb me laten vertellen dat je vanuit hier rechtstreeks naar Japan kunt varen, of de andere kant op naar Amerika, je wordt door geen land gehinderd, je ziet alleen maar water. In de verte zag ik Buano opdoemen met zijn imposante hoge bergen in het westen, het oosten was een lage kilometerslange strook, met wat naar later bleek ,witte kliffen, van een afstand zagen deze eruit als flatgebouwen, volkomen misplaatst in deze omgeving. Dichterbij komend zag ik eerst een moskee en daarnaast een vrij grote nederzetting.

“Buano is een zeer bergachtig en rotsachtig gebied, in het bijzonder het westelijke gedeelte, en daarom van oudsher niet dicht bewoond. Het heeft in het westen een grote inham die wordt afgesloten door een dwars eiland, Nusa Boan genaamd, dat hoog en bergachtig is. Daarop lagen vijf negorijen die later naar het hoofdeiland zijn verhuisd. Wat oostelijker begint het land vlak te worden. Op het strand Manan ligt tegenwoordig Tean, de kampung van de kapitein radja Tahalele. Deze Tahalele heeft vanwege zijn trouw jegens de Ed. Compagnie het voorrecht verworven dat zijn kampung als enige op dit eiland mocht blijven wonen. De andere van strafvervolging ontslagen opstandelingen zijn allemaal van daar weggehaald en op dezelfde manier behandeld als die van het eiland Kelang: het gewone volk werd op Manipa geplaatst en de hoofd-orangkaja’s weggevoerd naar Batavia. De bergbewoners en boeren die vroeger onderdanen waren van de vijf voornaamste negorijen, hebben zich echter in het gebergte verscholen tot 1666, toen ze afdaalden en het christendom aannamen. Ze staan onder gezag van hun eigen orangkaja, hebben een christelijke school en wonen bij de Moorse kampung Tean, onder luitenant Lanuoli. Het eiland had vroeger weinig of geen nagelen. Ze plantten veel bataten en katjang, die op dit rotsachtige land wel willen aarden. Ze waren onderdanen van Ternate, omdat hun gebied echter arm was, leverden ze geen tribuut. De bevolking van Buano waren stoutmoedige zeerovers en schrandere zeelieden. Daarom ging de gouverneur Van Speult er in 1619 met de Ambonese legermacht heen en dwong hen de mensen en goederen die ze van de Ambonese eilanden hadden geroofd, terug te geven en een bepaalde boete te betalen. Hij sloot een contract met hen dat ze voortaan zonder roverij in hun onderhouden zouden voorzien.”

Van Pak Nur hoorde ik dat de mannen van Buano bekwame scheepsbouwers zijn en dat veel timmerlieden afkomstig van het eiland op Ambon werkten. In Pelita Jaya vertelde men dat de inwoners van Buano niet te vertrouwen waren, zeker een overblijfsel van hun vroegere roverspraktijken.

Het eiland kwam dichterbij en voeren we op de hoge steiger af. Toen we dichtbij kwamen leek het of de mensen die daar stonden allemaal kwaad waren, zo keken ze naar ons. Kwamen die blanken weer de vrede verstoren zag je ze denken. Toen ik met moeite op de hoge steiger geklommen was werd er niet gelachen of “Hello mister” geroepen zoals op alle andere plaatsen in de Molukken, we werden wezenloos aangestaard, men draaide men zich zelfs om, een glimlach vergezeld van een “Hallo” maakten hier niets los. We liepen de steiger af richting het dorp, daar zat onder een afdak een grote groep mannen die ons zwijgend aanstaarde, de jongens moesten het woord voeren, want ik kreeg geen antwoord op mijn “Selamat siang”. Er werd ons kortaf gevraagd of we ons bij de “Raja” wilden melden. We werden door een paar mannen gebracht door de zeer kinderrijke hoofdstraat van het dorp. Echter de meeste kindertjes, van wie er veel naakt rondliepen, stoven weg toen ze die vreemde witte mannen zagen. Toch waren er een paar vrouwen die nieuwsgierig keken en zelfs met een glimlach groetten. We kwamen bij het huis van de Raja aan, we werden binnen genodigd. Nadat we ons schoeisel voor de deur hadden uitgedaan traden we binnen. De Raja was een vrij jonge vent die zich als Ali voorstelde. Hij vroeg naar het doel van onze komst. Ik vertelde hem dat ik op zoek was naar een Nederlands fortje of de restanten daarvan. Ik haalde mijn fotokopieën tevoorschijn, daarbij zat een schitterende tekening van het eiland, gemaakt in 1652 afkomstig uit de Koninklijke Bibliotheek te Brussel. Op die tekening stond een heel klein driehoekig fortje opgetrokken van steen getekend. De tekening ging van hand tot hand, men was diep onder de indruk van de schoonheid en ouderdom van de tekening. Ik kreeg het antwoord dat er inderdaad nog restanten van het fort aanwezig waren, dat stemde me zeer tevreden, want ik heb inmiddels zoveel forten, meestal restanten van, gezien dat ik nooit meer iets ontdek dat ik nog niet gezien heb. Omdat het fort van steen was en omdat ik wist dat er steen in overvloed was op Buano leek mij de kans dat er nog iets van over was groot. In veel gebieden worden de stenen vaak gebruikt als fundering voor huizen, omdat ze meestal al gevormd zijn. De kepala soa (kepala desa) werd erbij gehaald, een zeer sympathieke man van middelbare leeftijd. Ook hij bekeek de tekening met grote belangstelling en vertelde dat de plek waar het fortje stond als “kramat” werd beschouwd, iets heiligs maar tegelijkertijd ook angstaanjagend. Ik vroeg nog het een en ander over het dorp. Hoe het geweest was tijdens de kerusuhan van 1999 – 2004. De burgeroorlog was Buano voorbij gegaan, men woonde hier nog steeds gemengd, dus moslims en christenen door elkaar heen. Het dorp had 1700 KK (Kepala Keluarga = gezinshoofden) en 11000 inwoners. Ik deelde snel 11000 door 1700 en concludeerde dat ieder gezin 4,5 kinderen had en wist meteen wat de voornaamste hobby op dit eiland was. Opeens ging mijn mobieltje af, ik schrok me rot, hoe kon dat nou, maar ik herinnerde me meteen dat men in Pelita Jaya mij met enige jaloezie had verteld dat de mensen op Buano “sinyal” hadden, want er stond een “tower”, het ultieme teken van de vooruitgang en modernisasi.

“Hujan” klonk het en tegelijkertijd hoorde ik het kletteren, ik kon wel door de grond gaan, zat ik eindelijk in Buano ging het regenen. We kregen zoete thee, het eerste dat ik die ochtend binnen kreeg en kletsten door over van alles en nog wat, toen de regen even plotseling ophield als ze begonnen was. Er werd voorgesteld om naar het fortje te varen, de kepala soa zou ons begeleiden, plus de mannen die ons hadden gebracht. Op de weg terug naar de steiger waren de mensen ineens heel wat vriendelijker, waarschijnlijk omdat we door hun kampunghoofd werden begeleid. Ik had m’n oude kleine Kodakkie bij me zodat ik bijna onopgemerkt wat foto’s van het dorp konden maken. De mannen die bij de steiger zaten en eerst vrij nors deden vroegen of ik een foto van hun kon maken, iets dat ik graag deed. Voor de steiger waren een heleboel jonge jongens aan het vissen vanuit bootjes, het moest hier sterven van de vis want er lagen heel wat visjes in de boten. We klommen vanaf de steiger in het speedbootje. Toen ik in de boot was aangeland gleed de band van mijn cameraatje van mijn schouder en dompelde de camera in het zeewater onder. Ik trok het toestel meteen omhoog en droogde het zo goed en kwaad als dat ging af, maar hij reageerde niet meer. Ik wist dat zeewater een toestel grondig kan vernielen, dus schreef ik het ter plekke af. Mijn favoriete cameraatje, onder de roest en corrosie, het was mijn tweede Kodak, ik had deze in 2002 gekocht. Die camera heeft mij zeer veel goede diensten bewezen in weer en door wind. Ik had dat ding al opgebruikt, maar het bleef werken, zo dik als twee mobieltjes op elkaar, past in de handpalm, bijzonder praktisch.

Wordt vervolgd >>


NB. De historische gegevens voor dit stuk zijn o.a. afkomstig uit “De Ambonse Eilanden onder de VOC” door G.E. Rumphius.


buano
Het bergachtige Buano

buano
Het dorp, in het midden de “tower” van de mobiele provider XL.

buano
De steiger van Buano

buano
(Boven en onder) Traditionele huizen op Buano

buano

buano
De mannen van Buano bij de steiger

buano
Keuken.


Reacties

Geen reacties

Uw reactie

: :

Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.