Na de belevenissen aan Wisselmeren, vertelt Dhr Bruinsma ons nog over de DETA-jongens en Hollandia.
Hoofdstuk XII: Hollandia 1956.
Het was een onvergetelijk gezicht als je de baai van Hollandia (Humboldtbaai) binnenvoer. Op de achtergrond van dit diepblauwe water rijst het massieve Cycloopgebergte majestueus omhoog, zijn kruin vaak verborgen in een laaghangend wolkendek. De uitlopers hiervan, die aan zee plaatselijk zo abrupt verzinken, vormen een natuurlijke haven voor de zeeschepen die daar gemeerd liggen. In de baai eilandjes die aan landzijde bezaaid waren met paalwoningen boven het water, veelal voorzien van zinken daken afkomstig van door de Amerikanen achtergelaten dumpgoederen. De Papoea’s konden ze best gebruiken. In het havengebied stonden de grote quonset-loodsen netjes in rijen van drie opgesteld.
Daarnaast zag je de nieuw opgezette kantoren en magazijnen en even voorbij het havengebied Hollandia’s “winkelwijk” en verscheidene restaurants waar je heerlijk koel bier kon krijgen. Dit geestrijke vocht was een importartikel van de eerste orde. Er werd soms schamper gezegd dat Hollandia op bier dreef, maar dat gezegde kwam uit een bepaalde hoek en was ietwat overdreven. Als je de hele dag hard had gewerkt met een koperen ploert boven je hoofd, dan had je best een ijskoud biertje verdiend.
Onder de opbouwwerkers bevond zich ook een groep Indo’s, die de “Deta-jongens” werden genoemd. Deze jongens waren door het NG-gouvernement uit Java gecharterd en gecontracteerd voor de opbouw van Hollandia. Hun loon bedroeg f 1,50 per dag, hiervan hoefde echter geen voeding en onderdak betaald te worden. Wat niet vermeld was, was de samenstelling en de kwaliteit van de maaltijden en hoe het met de behuizing was gesteld. Dat was namelijk een verassing. Rijst met vis uit blik kwam vaak op het menu voor. Toen het de jongelui ging vervelen werd het eten demonstratief in de vuilnisbak gegooid en eiste men betere voeding. Kreeg men dit niet dan zouden er andere maatregelen getroffen worden. De huisvesting was ook “huilen met de pet op”. In een zinken loods/barak had men door middel van schotten kleine kamertjes gemaakt en hier moest men het maar mee doen. Een deel van de groep sliep liever in levensgrote “ijskasten” die op een open veld stonden, door de Amerikanen daar achtergelaten. Daar had je tenminste een beetje frissen lucht en wat meer privacy dan in die rumoerige barakken. Overdag was wel broeierig heet maar dat deerde de jongens niet.
’s Avonds zochten ze hun vertier in bars en restaurants. Dit eindigde wel eens in een flinke knokpartij met het Marinepersoneel van fregatten (o.a. met de ‘Kortenaer’) die regelmatig Hollandia aandeden. Er was namelijk een groot tekort aan vrouwen en de Deta-jongens voelden zich achtergesteld t.o.v. de Mariniers. Er werd wat bijverdiend met het lossen en laden van de schepen en enkele andere klussen. Dit werk werd niet slecht betaald, vooral niet bij vrachtschepen.
Vic. De Bruijn (Jungle Pimpernel) en J.H. v.d. Berg schreven eens het volgende over de jongens:
“Er was een groot tekort aan arbeidskrachten voor opbouwwerkzaamheden (woningen en kantoren). Om aan het tekort tegemoet te komen werden door het Gouvernement vele honderden jonge Indische Nederlanders uit Java aangeworven die op arbeidscontract in Hollandia te werk worden gesteld en daar voor zover mogelijk een vakopleiding kregen. Die Deta-jongens, zoals ze genoemd worden (DETA = Dienst voor Economische en Technische Aangelegenheden), waren deels eenvoudige en ongeschoolde jongelui die goed werk leverden, ondanks hun gemopper. Ze deden niet gewichtig, schreven geen ingewikkelde brieven, spraken geen A.B.N., maar gewoon “van de roodwittenblau”. Met hun om de hals geknoopte boerenzakdoeken en met jachtgeweren zittend op ronkende motorfietsen, gaven ze in elk geval wat kleur aan het Hollandiaanse stadsbeeld. Ze hielden van jagen, ook van meisjes, maar het meest van hun motoren.......”
Ja, die motoren konden ze kopen met overwerkgeld en bijverdiensten, want van de één-pop-vijftig p.d. kon je je geen motorfiets aanschaffen. En ze werkten hard voor dat geld, aan de opbouw van Hollandia. Ze hadden van het Gouvernement de belofte gekregen dat wanneer zij hun taak hadden beëindigd, ze een woning toegewezen zouden krijgen en dan zodoende hun familie uit Indonesië over zouden kunnen laten komen. Toen echter na jaren harde arbeid deze door het Gouvernement gedane belofte niet werd nagekomen ontstond er wrijving tussen de groep en het Bestuur. Er werden boze woorden geuit en dreigementen gelanceerd. Er had een complete verkoeling plaats gevonden. De jongens wilden slechts naar één man luisteren, een controleur die hun taal verstond. En het lukte deze controleur (De Haan) de breuk te lijmen. Uiteindelijk mochten de jongens bij het ’s landsmagazijn tegen gereduceerde tarieven (inkoopsprijs?) bouwmaterialen aankopen en werd hun een stukje grond toegewezen waar zijn hun huisje konden opzetten.
Wie ook nog geld van het Gouvernement tegoed had waren de immigranten/kolonisten die zich in begin 1950 in Nieuw Guinea hadden gevestigd. In die periode kregen ze te horen dat het geld zou worden gesaneerd. De toen in omloop zijnde Nica-gulden (het wettige betaalmiddel van na de oorlog tegen Japan) zou uit de circulatie genomen worden en daarvoor in plaats kwam de “NG-gulden”. Het oude geld werd geblokkeerd. Bij de deblokkering kreeg je 40% van het ingenomen geld terug, uiteraard betaald in de nieuwe valuta. Over de resterende 60% werd niet gesproken. “Misschien krijg je er later wel wat van terug”, zeiden sommigen. “Vergeet het maar, schrijf het maar op je buik” zeiden de kolonisten (NB Dit geld is bij mijn weten nooit door het Gouvernement terug betaald).
NICA - Gulden
NG - Gulden
Dit was voor de kolonist die met zijn spaargeld en schamele inboedel in Nieuw Guinea was aangekomen en daar een living probeerde op te bouwen, een zwaar gelag. Eerst de Japanse inval, beroofd van huis en haard, daarna weer opgebouwd en gespaard, toen de soevereiniteitsoverdracht en de uittocht naar Nieuw Guinea, met medeneming van de barang die je nog had. (De rest was voor een appel en een ei verkocht). Tenslotte deze financiële opdonder. Je spaargeld voor meer dan de helft ingepalmd. De kolonisten vonden deze maatregel je reinste diefstal. Personen, die na deze saneringsmaatregel in Nieuw Guinea kwamen ondervonden daarvan geen enkel nadeel. Zij ontvingen hun geld in de nieuwe valuta.
De ambtenaren die vanuit Nederland waren uitgezonden en Hollandia als standplaats kregen waren ook de grote boffers v.w.b. hun huisvesting. Ze kregen de zojuist gereed gekomen woningen toegewezen, die de bouwmaatschappijen in een rap tempo uit de grond stampten. Tot deze catogorie behoorden wij, al waren we geen uitgezonden krachten.
Ifar was een plaatsje ongeveer 35 km ten zuidwesten van Hollandia, het voormalige hoofdkwartier van de Amerikaanse generaal McArthur. De weg daarheen was smal en bochtig. Enkele bochten kregen een bijnaam. Zo had je de “Vandamme bocht”, hier vloog de heer Van Damme met zijn auto uit de bocht, de djoerang in. Een andere was de “Jacqueline bocht”. Het verhaal gaat dat hier tegen middernacht een per abuis doodgeschoten Amerikaanse vrijwilligster zou staan om een lift te vragen. Als je stopte om haar een lift te geven, zou je volgens het verhaal ontdekken dat haar benen bokkenpoten waren. Een leuke gewaarwording. Ik zelf heb haar nooit gezien, al reed ik wel eens rond het middernachtelijk uur door deze bocht. Wèl gingen m’n nekharen een weinig overeind staan maar dat kwam wellicht door het idee dat ze er misschien toch nog zou staan. Ik kan n.l. niet goed tegen spoken.....
Ifar was een gezellig en rustig dorpje, gelegen op een zuidelijke uitloper van het Cycloopgebergte. De woningen bestonden uit quonsethutten of waren uit hout opgetrokken en op palen geplaatst. Het plaatsje had een tennisbaan en een sociëteit, ondergebracht in een “reuze-quonset. Er werden regelmatig feestjes georganiseerd, zowel voor jong als oud en men vermaakte zich daar opperbest. Wat verderop (een kwartiertje rijden) had je het vliegveld van Sentani, waar Holland-gangers kwamen en gingen. Sentani bezat een zwembad compleet met springplank en kleedhokjes. Voor Nieuw Guinea een unicum. Wie liever in een meer natuurlijke omgeving ging zwemmen moest een stuk verder de bush in. Daar was een helder stromend riviertje met verspreid liggende rotsblokken waarop je lekker kon gaan zonnen. In het nabij gelegen Sentanimeer kon je ontspanning vinden in pleziervaart en vissen. Een geliefkoosd oord voor jagers was het achterland van Sentani. Om te relaxen was er dus volop keuze.
Een van de kolonisten had in die omgeving zijn ananasaanplant. De vruchtbomen deden het ook goed. De ananassen waren van goede kwaliteit en hij was er wàt trots op. Andere kolonisten Vijsma en Belle deden het met hun fruitteelt ook niet slecht. Andere kolonisten waren Samson, Coenraad, Mensing en Gerlach. Sommigen hadden ook een kippenfokkerijtje. In het plaatsje Kota radja had Wienbeck een varkenfokkerij. De kippen- en eierenleverancier Couwenberg mocht zich in een grote klandizie verheugen. Weer anderen hadden zich op de landbouw toegelegd zoals Hoyer, Beer en Reintjes. Op de wat afgelegen plaatsjes Holtekang en Boroway hadden Bolte een groentekwekerij en Borst een kippenfokkerij.
Hollandia was wat je noemde een “ambtenarenstad” . De aantrekkingskracht van deze tropenstad lag in de uitgevoerde bouwplanning van woonhuizen, kantoren en andere projecten zoals het nieuwe ziekenhuis, dat tot één van de modernste ziekenhuizen in de Pacific behoorde. Aan herstel en uitbreiding van het wegennet werd ook het nodige gedaan. Kilometers weg werden aangelegd naar de nieuwe woonwijken “Noordwijk” en “Van Heutszkamp”. Ze hadden in verschillende vertakkingen naar de bungalowachtige huizen, die tegen de berghellingen, uitlopers van het Cycloopgebergte, waren geprojecteerd. Vanuit de “Hemelpoort”, bijna het hoogste punt van deze woonoorden, keek je neer op de Stille Oceaan en de Humboldtbaai. Een fantastisch uitzicht. Bij mooi, helder weer kon je in het Oosten een bergrug onderscheiden die de grens vormde met het Australische gedeelte. Verder ten Noorden van genoemde woonwijken lag op een heuvelrug de Centrale opleidingsschool der Algemene Politie. Daar werden jonge Papoea’s, afkomstig uit diverse plaatsen in Nieuw Guinea onder andere tot politieagenten opgeleid. De school stond onder leiding van de Hoofdinspecteur van Politie dhr. R.W. Schmidt. Ook het lager kader kreeg daar zijn (her)scholing. Over het algemeen waren de Papoea-recruten ijverige en leergierige jongens die enthousiast hun theoretische en praktische opleiding volgden.
’s Middags na 2 uur was Hollandia een “dode stad”. De kantoren waren dan gesloten en de ambtenaren hielden dan hun siësta. Zo tegen 4 uur werd er weer enig leven waargenomen. Na een verkwikkende douche of bad zag je ze dan op de open veranda zitten of zochten ze ontspanning in de sport of gingen voor een “uitje” naar de stad. Aan de pier lag het clubhuis en sociëteit “De Jachtclub” waar ook ranke bootjes aangemeerd lagen. Het was een gerenommeerde club en in de weekenden was er altijd wel wat te doen. Je had dansavonden of culturele bijeenkomsten en eens in de maand een gokavond (legaal). Een honderd meter verderop stond een andere sociëteit, “Hercules”, eenvoudiger van opzet maar ook gezellig. Deze was voor “Jan met de pet”. Een eindje verderop nog een, genaamd “Het Zeepaardje”. Op zaterdagavonden als er geen roulette werd gespeeld, dansten de “zeepaardjes” met volle overgave op de muziek van een amateur-bandje of gewoon op grammofoonplaten. De “Rock & Roll” werd juist in die periode geïntroduceerd en was ontzettend populair.
Aan de noordkust van Hollandia lag een mooi en schoon strand, wel “Base-G” genoemd door de Amerikanen. Als er een woelige branding op de kust stond rolden de golven tot over de strandlijn. Het was een sensatie om daar te zwemmen. Een pienter zakenmannetje had zelfs onder de bomen een optrekje neergezet waar hij koele dranken en snacks aan de badgasten verkocht. In de avonduren was “bees djie” een geliefd oord voor verliefden......
07 februari 2010: Kolonist op Nieuw Guinea - 9
Hoofdstuk XII: Hollandia 1956.
Het was een onvergetelijk gezicht als je de baai van Hollandia (Humboldtbaai) binnenvoer. Op de achtergrond van dit diepblauwe water rijst het massieve Cycloopgebergte majestueus omhoog, zijn kruin vaak verborgen in een laaghangend wolkendek. De uitlopers hiervan, die aan zee plaatselijk zo abrupt verzinken, vormen een natuurlijke haven voor de zeeschepen die daar gemeerd liggen. In de baai eilandjes die aan landzijde bezaaid waren met paalwoningen boven het water, veelal voorzien van zinken daken afkomstig van door de Amerikanen achtergelaten dumpgoederen. De Papoea’s konden ze best gebruiken. In het havengebied stonden de grote quonset-loodsen netjes in rijen van drie opgesteld.
Daarnaast zag je de nieuw opgezette kantoren en magazijnen en even voorbij het havengebied Hollandia’s “winkelwijk” en verscheidene restaurants waar je heerlijk koel bier kon krijgen. Dit geestrijke vocht was een importartikel van de eerste orde. Er werd soms schamper gezegd dat Hollandia op bier dreef, maar dat gezegde kwam uit een bepaalde hoek en was ietwat overdreven. Als je de hele dag hard had gewerkt met een koperen ploert boven je hoofd, dan had je best een ijskoud biertje verdiend.
Onder de opbouwwerkers bevond zich ook een groep Indo’s, die de “Deta-jongens” werden genoemd. Deze jongens waren door het NG-gouvernement uit Java gecharterd en gecontracteerd voor de opbouw van Hollandia. Hun loon bedroeg f 1,50 per dag, hiervan hoefde echter geen voeding en onderdak betaald te worden. Wat niet vermeld was, was de samenstelling en de kwaliteit van de maaltijden en hoe het met de behuizing was gesteld. Dat was namelijk een verassing. Rijst met vis uit blik kwam vaak op het menu voor. Toen het de jongelui ging vervelen werd het eten demonstratief in de vuilnisbak gegooid en eiste men betere voeding. Kreeg men dit niet dan zouden er andere maatregelen getroffen worden. De huisvesting was ook “huilen met de pet op”. In een zinken loods/barak had men door middel van schotten kleine kamertjes gemaakt en hier moest men het maar mee doen. Een deel van de groep sliep liever in levensgrote “ijskasten” die op een open veld stonden, door de Amerikanen daar achtergelaten. Daar had je tenminste een beetje frissen lucht en wat meer privacy dan in die rumoerige barakken. Overdag was wel broeierig heet maar dat deerde de jongens niet.
’s Avonds zochten ze hun vertier in bars en restaurants. Dit eindigde wel eens in een flinke knokpartij met het Marinepersoneel van fregatten (o.a. met de ‘Kortenaer’) die regelmatig Hollandia aandeden. Er was namelijk een groot tekort aan vrouwen en de Deta-jongens voelden zich achtergesteld t.o.v. de Mariniers. Er werd wat bijverdiend met het lossen en laden van de schepen en enkele andere klussen. Dit werk werd niet slecht betaald, vooral niet bij vrachtschepen.
Vic. De Bruijn (Jungle Pimpernel) en J.H. v.d. Berg schreven eens het volgende over de jongens:
“Er was een groot tekort aan arbeidskrachten voor opbouwwerkzaamheden (woningen en kantoren). Om aan het tekort tegemoet te komen werden door het Gouvernement vele honderden jonge Indische Nederlanders uit Java aangeworven die op arbeidscontract in Hollandia te werk worden gesteld en daar voor zover mogelijk een vakopleiding kregen. Die Deta-jongens, zoals ze genoemd worden (DETA = Dienst voor Economische en Technische Aangelegenheden), waren deels eenvoudige en ongeschoolde jongelui die goed werk leverden, ondanks hun gemopper. Ze deden niet gewichtig, schreven geen ingewikkelde brieven, spraken geen A.B.N., maar gewoon “van de roodwittenblau”. Met hun om de hals geknoopte boerenzakdoeken en met jachtgeweren zittend op ronkende motorfietsen, gaven ze in elk geval wat kleur aan het Hollandiaanse stadsbeeld. Ze hielden van jagen, ook van meisjes, maar het meest van hun motoren.......”
Ja, die motoren konden ze kopen met overwerkgeld en bijverdiensten, want van de één-pop-vijftig p.d. kon je je geen motorfiets aanschaffen. En ze werkten hard voor dat geld, aan de opbouw van Hollandia. Ze hadden van het Gouvernement de belofte gekregen dat wanneer zij hun taak hadden beëindigd, ze een woning toegewezen zouden krijgen en dan zodoende hun familie uit Indonesië over zouden kunnen laten komen. Toen echter na jaren harde arbeid deze door het Gouvernement gedane belofte niet werd nagekomen ontstond er wrijving tussen de groep en het Bestuur. Er werden boze woorden geuit en dreigementen gelanceerd. Er had een complete verkoeling plaats gevonden. De jongens wilden slechts naar één man luisteren, een controleur die hun taal verstond. En het lukte deze controleur (De Haan) de breuk te lijmen. Uiteindelijk mochten de jongens bij het ’s landsmagazijn tegen gereduceerde tarieven (inkoopsprijs?) bouwmaterialen aankopen en werd hun een stukje grond toegewezen waar zijn hun huisje konden opzetten.
Wie ook nog geld van het Gouvernement tegoed had waren de immigranten/kolonisten die zich in begin 1950 in Nieuw Guinea hadden gevestigd. In die periode kregen ze te horen dat het geld zou worden gesaneerd. De toen in omloop zijnde Nica-gulden (het wettige betaalmiddel van na de oorlog tegen Japan) zou uit de circulatie genomen worden en daarvoor in plaats kwam de “NG-gulden”. Het oude geld werd geblokkeerd. Bij de deblokkering kreeg je 40% van het ingenomen geld terug, uiteraard betaald in de nieuwe valuta. Over de resterende 60% werd niet gesproken. “Misschien krijg je er later wel wat van terug”, zeiden sommigen. “Vergeet het maar, schrijf het maar op je buik” zeiden de kolonisten (NB Dit geld is bij mijn weten nooit door het Gouvernement terug betaald).
NICA - Gulden
NG - Gulden
Dit was voor de kolonist die met zijn spaargeld en schamele inboedel in Nieuw Guinea was aangekomen en daar een living probeerde op te bouwen, een zwaar gelag. Eerst de Japanse inval, beroofd van huis en haard, daarna weer opgebouwd en gespaard, toen de soevereiniteitsoverdracht en de uittocht naar Nieuw Guinea, met medeneming van de barang die je nog had. (De rest was voor een appel en een ei verkocht). Tenslotte deze financiële opdonder. Je spaargeld voor meer dan de helft ingepalmd. De kolonisten vonden deze maatregel je reinste diefstal. Personen, die na deze saneringsmaatregel in Nieuw Guinea kwamen ondervonden daarvan geen enkel nadeel. Zij ontvingen hun geld in de nieuwe valuta.
De ambtenaren die vanuit Nederland waren uitgezonden en Hollandia als standplaats kregen waren ook de grote boffers v.w.b. hun huisvesting. Ze kregen de zojuist gereed gekomen woningen toegewezen, die de bouwmaatschappijen in een rap tempo uit de grond stampten. Tot deze catogorie behoorden wij, al waren we geen uitgezonden krachten.
Ifar was een plaatsje ongeveer 35 km ten zuidwesten van Hollandia, het voormalige hoofdkwartier van de Amerikaanse generaal McArthur. De weg daarheen was smal en bochtig. Enkele bochten kregen een bijnaam. Zo had je de “Vandamme bocht”, hier vloog de heer Van Damme met zijn auto uit de bocht, de djoerang in. Een andere was de “Jacqueline bocht”. Het verhaal gaat dat hier tegen middernacht een per abuis doodgeschoten Amerikaanse vrijwilligster zou staan om een lift te vragen. Als je stopte om haar een lift te geven, zou je volgens het verhaal ontdekken dat haar benen bokkenpoten waren. Een leuke gewaarwording. Ik zelf heb haar nooit gezien, al reed ik wel eens rond het middernachtelijk uur door deze bocht. Wèl gingen m’n nekharen een weinig overeind staan maar dat kwam wellicht door het idee dat ze er misschien toch nog zou staan. Ik kan n.l. niet goed tegen spoken.....
Ifar was een gezellig en rustig dorpje, gelegen op een zuidelijke uitloper van het Cycloopgebergte. De woningen bestonden uit quonsethutten of waren uit hout opgetrokken en op palen geplaatst. Het plaatsje had een tennisbaan en een sociëteit, ondergebracht in een “reuze-quonset. Er werden regelmatig feestjes georganiseerd, zowel voor jong als oud en men vermaakte zich daar opperbest. Wat verderop (een kwartiertje rijden) had je het vliegveld van Sentani, waar Holland-gangers kwamen en gingen. Sentani bezat een zwembad compleet met springplank en kleedhokjes. Voor Nieuw Guinea een unicum. Wie liever in een meer natuurlijke omgeving ging zwemmen moest een stuk verder de bush in. Daar was een helder stromend riviertje met verspreid liggende rotsblokken waarop je lekker kon gaan zonnen. In het nabij gelegen Sentanimeer kon je ontspanning vinden in pleziervaart en vissen. Een geliefkoosd oord voor jagers was het achterland van Sentani. Om te relaxen was er dus volop keuze.
Een van de kolonisten had in die omgeving zijn ananasaanplant. De vruchtbomen deden het ook goed. De ananassen waren van goede kwaliteit en hij was er wàt trots op. Andere kolonisten Vijsma en Belle deden het met hun fruitteelt ook niet slecht. Andere kolonisten waren Samson, Coenraad, Mensing en Gerlach. Sommigen hadden ook een kippenfokkerijtje. In het plaatsje Kota radja had Wienbeck een varkenfokkerij. De kippen- en eierenleverancier Couwenberg mocht zich in een grote klandizie verheugen. Weer anderen hadden zich op de landbouw toegelegd zoals Hoyer, Beer en Reintjes. Op de wat afgelegen plaatsjes Holtekang en Boroway hadden Bolte een groentekwekerij en Borst een kippenfokkerij.
Hollandia was wat je noemde een “ambtenarenstad” . De aantrekkingskracht van deze tropenstad lag in de uitgevoerde bouwplanning van woonhuizen, kantoren en andere projecten zoals het nieuwe ziekenhuis, dat tot één van de modernste ziekenhuizen in de Pacific behoorde. Aan herstel en uitbreiding van het wegennet werd ook het nodige gedaan. Kilometers weg werden aangelegd naar de nieuwe woonwijken “Noordwijk” en “Van Heutszkamp”. Ze hadden in verschillende vertakkingen naar de bungalowachtige huizen, die tegen de berghellingen, uitlopers van het Cycloopgebergte, waren geprojecteerd. Vanuit de “Hemelpoort”, bijna het hoogste punt van deze woonoorden, keek je neer op de Stille Oceaan en de Humboldtbaai. Een fantastisch uitzicht. Bij mooi, helder weer kon je in het Oosten een bergrug onderscheiden die de grens vormde met het Australische gedeelte. Verder ten Noorden van genoemde woonwijken lag op een heuvelrug de Centrale opleidingsschool der Algemene Politie. Daar werden jonge Papoea’s, afkomstig uit diverse plaatsen in Nieuw Guinea onder andere tot politieagenten opgeleid. De school stond onder leiding van de Hoofdinspecteur van Politie dhr. R.W. Schmidt. Ook het lager kader kreeg daar zijn (her)scholing. Over het algemeen waren de Papoea-recruten ijverige en leergierige jongens die enthousiast hun theoretische en praktische opleiding volgden.
’s Middags na 2 uur was Hollandia een “dode stad”. De kantoren waren dan gesloten en de ambtenaren hielden dan hun siësta. Zo tegen 4 uur werd er weer enig leven waargenomen. Na een verkwikkende douche of bad zag je ze dan op de open veranda zitten of zochten ze ontspanning in de sport of gingen voor een “uitje” naar de stad. Aan de pier lag het clubhuis en sociëteit “De Jachtclub” waar ook ranke bootjes aangemeerd lagen. Het was een gerenommeerde club en in de weekenden was er altijd wel wat te doen. Je had dansavonden of culturele bijeenkomsten en eens in de maand een gokavond (legaal). Een honderd meter verderop stond een andere sociëteit, “Hercules”, eenvoudiger van opzet maar ook gezellig. Deze was voor “Jan met de pet”. Een eindje verderop nog een, genaamd “Het Zeepaardje”. Op zaterdagavonden als er geen roulette werd gespeeld, dansten de “zeepaardjes” met volle overgave op de muziek van een amateur-bandje of gewoon op grammofoonplaten. De “Rock & Roll” werd juist in die periode geïntroduceerd en was ontzettend populair.
Aan de noordkust van Hollandia lag een mooi en schoon strand, wel “Base-G” genoemd door de Amerikanen. Als er een woelige branding op de kust stond rolden de golven tot over de strandlijn. Het was een sensatie om daar te zwemmen. Een pienter zakenmannetje had zelfs onder de bomen een optrekje neergezet waar hij koele dranken en snacks aan de badgasten verkocht. In de avonduren was “bees djie” een geliefd oord voor verliefden......
wordt vervolgd >>
Reeds verschenen: