08 februari 2010: Afscheid van Seram

Seram
Na het verlate ontbijt liepen we terug naar de penginapan, de jongens wachtten daar al want het was het moment om te betalen. Ik graaide in mijn zak waarin een pak honderdjes zat,

nog allemaal kletsnat door mijn val in zee bij het bezoek aan het fort Dorstenburg. Probeer nat Indonesisch geld eens van elkaar te krijgen, door het dunne papier is dat een vreselijk werkje. Dangdude had zijn deel betaald en de jongens raakten meteen in paniek, want het was te weinig volgens hen. “Tenang”, zei ik, worstelend met de biljetten van 100.000 Rp. Het lukte me om er tien van de rest te scheiden en met een excuus overhandigde ik die aan de jongens “Maaf basah”, ze moesten er om lachen, zo vaak hadden ze dit soort biljetten niet in de hand, ook nat is het wettig betaalmiddel. Ze vroegen of we morgen een ojeg nodig hadden, “Ik wel” zei ik “Hoeveel gaat dat kosten naar de ferry?” “100.000 Rp” was het antwoord. “Sori, mahal” zei ik, “75.000 Rp is een mooie prijs, Pelita Jaya naar Piru is 20.000, Piru naar de ferry is 50.000 en 5000 voor jullie” “Ok, ok, ok” antwoordden ze. Ze vroegen aan Dangdude of hij ook meeging, hij zei dat ie met de bus zou gaan, maar ook dat hij twijfelde. Hij had een bus die om de twee dagen ’s nachts voor de penginapan stond om half vijf ’s morgens weg horen gaan. De jongens beweerden dat als je de bus nam je pas om twee uur ’s nachts in Ambon aan zou komen, het was dus beter om een ojeg te nemen, hun ojeg wel te vertsaan. Dangdude keek verschrikt, twee uur ’s nachts? Hij stemde toe om ook een ojeg te nemen, ondanks alle gevaren die hij een dag eerder had opgesomt. De jongens vroegen of ze bier op onze rekening mochten drinken als ze ons naar de ferry zouden rijden, ik ging akkoord.

Dat Dangdude zo snel van gedachten veranderde kon ik hem niet kwalijk nemen, hij schilderde graag situaties in sombere tinten af, het was beter om dan maar gewoon te zwijgen, het niet al te serieus te nemen. Sommige mensen vinden het nou eenmaal heerlijk om te klagen als ze weten dat er iemand luistert. Wat ik wel lachwekkend vond dat hij in een standaard verhaaltje trapte zoals een bus die om twee uur ’s nachts aan zou komen. Hij was al twaalf keer in Indonesië geweest en had een dergelijk verhaal zeker talloze malen moeten aanhoren, het was alleen maar bedoeld om inkomsten veilig te stellen. Plus dat ik allerlei informatie over bussen had ingewonnen die hij niet wenste te vertrouwen. Ambon was hoogstens 100 kilometer van Pelita Jaya vandaan, weliswaar moest men met de ferry, dat kostte twee uur. De enige plaats waar de bussen echt stopten was op de terminal te Piru, onderweg waren er te weinig passagiers om langdurig te stoppen. Nadat ik mijn bevreemding had geuit over zijn snelle verandering van gedachten trok Dangdude zich op zijn kamer terug en heb ik hem de hele middag niet meer gezien.

Aan het begin van de avond gingen we naar het eethuis “Het beloofde land”. We kwamen onderweg de jongens tegen, die vroegen of ze mee mochten om bier te drinken, ik weigerde pertinent, morgen in Waiparisa is het tijd voor bier zei ik. Het risico om met inwoners van een moslimdorp bier te gaan drinken in hun eigen dorp ten overstaan van iedereen vond ik te groot. In het eethuis bleek het enige wat te eten aanwezig was het eten dat die ochtend klaargemaakt was. Ik rook eens aan de groenten en durfde het risico niet te nemen. We zetten ons aan het bier. Ik liep de keuken in en zag dat ze iets aan het maken waren, dat was een traditionele pudding, de ingrediënten waren bloem, chocolade, gula merah en nog het een en ander dat ik vergeten ben. Ena bood er twee aan, “OK” zei ik. Er werden twee puddinkjes voor ons neer gezet. Dangdude trok onmiddellijk een vies gezicht. Ik probeerde het toetje en vond het uitstekend smaken, behalve de gesmolten bluben die er in een kuiltje boven op dreef kon mij niet zo bekoren. “Is lekker” zei ik tegen Dangdude, hij weigerde echter te eten. Hij verklaarde met een zekere plechtigheid in zijn stem ”Als ik drink dan eet ik nooit”. Ik moest denken aan de avonden in Natsepa toen we elke middag om vijf uur aan het bier begonnen, om 7 uur aten en daarna net zoveel bier dronken als we aan konden of tot de koelkast leeg was. Hij had zeker een nieuw principe ter plekke verzonnen. Ik vond het eigenlijk vrij onbeschoft dat hij het puddinkje niet eens proefde al was het maar uit beleefdheid. We hadden de afgelopen dagen af en toe allerlei gratis etenswaar van Ena gehad, ze was erg gastvrij en vond het fantastisch dat ze twee toeristen over de vloer had. Dan moet je toch er blijk van geven dat je dit apprecieert. Dangdude communiceerde ook nauwelijks met de inlanders, nou voerde ik vaak het hoogste woord, maar ik vertaalde ook hele conversaties voor hem. Hij sprak wat Indonesisch en had voortdurend de gelegenheid om zich daar verder in te bekwamen, hij scheen echter niet geïnteresseerd in de mensen te zijn. Hij bezocht Indonesië als een soort dierentuin, als hij een grappige inlander zag dan was dat leuk voor een plaatje, maar verder had hij weinig met ze te maken. Ze konden niet koken en zetten je af, als ze de kands kregen dat was het standpunt van Dangdude over de bevolking van zijn geliefde vakantieland, dat in zijn ogen waarschijnlijk slechts uit landschappen bestond. Ik begon sterk het gevoel te krijgen dat ik me in het verkeerde gezelschap bevond.

Niet veel later kwam Ena met een schaal waarop twee geroosterde vissen, een schaal rijst en komkommer. Ze zei dat ze dacht dat wij honger hadden en daarom had ze twee “ikan merah” laten halen voor ons, dat was een aangename verassing want ik had honger. “Lekker”, zei ik tegen Dangdude, die antwoordde “Ik heb toch gezegd dat als ik drink dan eet ik niet”. Ik was stomverbaasd, want de dag ervoor had Dangdude nog verklaard dat ikan merah (rode vis) de lekkerste is want die eten garnaaltjes. Wat een lul ben je toch dacht ik en ik kreeg ter plekke een hekel aan hem. “Die mensen doen godverdomme hun best om goed voor ons te zorgen en jij behandeld ze met minachting” Hij herhaalde nog een dat als hij dronk hij niet wenste te eten, hij mocht blij zijn dat ie hier mocht drinken, de mensen waren allemaal moslim hier, toch haalden ze bier voor ons en koelden dat om het naar onze zin te maken, die Dangdude scheen het helemaal niet naar zijn zin te hebben. “Als je niet eet wat heb je dan te zoeken in een eethuis, rot dan toch op” zei ik woedend en weg was Dangdude. Wat een opluchting, ik had in een uurtje een bloedhekel gekregen aan dat klagende sjacharijnige porum van hem.

Ik liet me de vis goed smaken, hoewel deze gratis was betaalde ik toch, uit schuldgevoel waarschijnlijk want er was een vis op het bord overgebleven. Ik liep naar de penginapan en ging slapen. De volgende ochtend ontbeet ik alleen met een bevrijd gevoel, Dangdude zou zich waarschijnlijk tegoed doen aan oud brood met bluben, syem en pindakaas. Een echt westers ontbijt, ik zat als een inlander aan de rijst. Ik bedacht mezelf dat ik de laatste tien jaren van mijn verblijf in Indonesië mij nauwelijks met landgenoten en andere westerlingen bemoeid had. Ze lustten het Indonesische eten niet, want men kon nauwelijks koken in dit land, ze spraken de taal niet en bemoeiden zich het liefst met andere westerlingen. Ik op mijn beurt vond het westerse eten bereid door Indonesiërs meestal geen vreten. Ik heb vaak iets tegen Javanen, maar kan goed met hun opschieten. Ik was vaak ook niet blij als ik andere westerlingen ontmoette die in Indonesië woonden, ze zaten vaak vol vooroordelen, hoewel ze met die mensen moesten werken. Behalve de vrouwtjes daar konden ze niet genoeg van krijgen, ook niet van de problemen die deze gaven. Er zijn tijden geweest dat ik eens per maand in Yogya moest wezen om iemand te ontmoeten dat deden we in een café in Prawirotaman. Vaak kwamen daar ook horden Nederlanders, om te zuipen, om op te scheppen over hun bloeiende zaken en om te roddelen over hen die niet aanwezig waren. Als ik mijn ogen sloot dan waande ik mij in een koloniale sociëteit in Tempo Doeloe, hoe ze over de “inlander” spraken, die toch het geld voor hen moesten verdienen. Ik kan erg veel slechts over Javanen vertellen, maar dat zijn dan de Javanen die zich iets voelen, dan veranderen ze, dan worden het onuitstaanbare wezens. Maar aan de gewone Javaan zit niets fout, ze hebben alleen een beetje vreemde cultuur, doch daarvan kan je jezelf van op de hoogte stellen, begrijpen is natuurlijk iets anders.

Na het ontbijt pakte ik mijn bagage, rekende de kamer af en toen de ojeg kwamen gingen we op weg. We maakten nog een stop in Piru om wat foto’s voor Ena als herinnering te laten afdrukken, die konden de jongens dan op de terugweg ophalen. We reden verder tot Waiparisa, dat was de plaats waar jarenlang een grote triplexfabriek geproduceerd had maar deze was inmiddels gesloten omdat het hout in de wijde omgeving allemaal al gekapt was. De arbeiders die daar werkten waren allen afkomstig van Java, Waiparisa ziet er dan ook uit als een plaatsje op Java. Alle keren dat ik daar langs was gereden had ik een klein straatje gezien dat op twee karaokebars uitkwam, dat was onze bestemming, daar wilden de jongens bier drinken. De motorfietsen werden geparkeerd, uit diverse ruimtes klonken aanlokkelijke geluiden, althans zo werden ze bedoeld, de vrouwen die deze voortbrachten zagen er verre van aanlokkelijk uit, zeker niet in het volle daglicht. Niets desolater in deze wereld dan straatjes waar vrouwen zichzelf te huur aanbieden, zo ook dit straatje, daar moet je niet bij daglicht komen. We werden naar een van de ruimtes geleid en gingen aan een tafeltje zitten dat vol lag met gebruikte spuiten en verpakkingen van pillen. Er werd bier en ijs gehaald en die konden we in een duistere ruimte met versleten bankstellen opdrinken. Er werd gevraagd of we karoake wilden, ik weigerde snel want dat gekweel zou alleen maar hoofdpijn geven. We werden bediend door twee meiden afkomstig uit Surabaya, ik kon ze verbazen met mijn kennis van misschien 20 woorden Javaans. Er werden 4 flessen Bintang en ijs neergezet. Dangdude weigerde “Ik drink ’s morgens geen bier” was de reden, alsof je van een biertje ’s morgens lam zou kunnen worden. Het was trouwens om de jongens een plezier te doen, ze wilden waarschijnlijk altijd hier al langs gaan, maar hadden dat alleen nooit gedurfd. Ze voelden zich duidelijk ongemakkelijk en wisten zich niet goed een houding te geven. Dangdude wist dat wel, hij ging met zijn koffie demonstratief met zijn rug naar ons toe zitten, Ik was daar blij om want hoefde ik dat sjacharijnige porum waar ik meer dan genoeg van had niet aan te zien. Zoals te doen gebruikelijk schonken de meiden de glazen bij als je daar een slok uit had genomen, een gewoonte waar ik een grote hekel aan heb, want je weet niet hoeveel en wat je drinkt. Ik drink bier altijd uit de fles, want in glazen slaat het in dit land bijna altijd dood. Het kon mij die ochtend allemaal niet schelen, ik dronk in sneltreinvaart, ook de fles die voor Dangdude was bedoeld en voelde het bier snel naar mijn hoofd stijgen. Toen het bier op was stond ik op en rekende af, de dames vroegen om een tip, maar die gaf ik niet, die leek me in de prijs van het bier inbegrepen. We gingen weer op weg, met mijn hoofd in de wolken begonnen we aan de laatste etappe op Seram.

De ferry vertrok snel en de overtocht was voorspoedig, in Hunimua aangekomen zocht ik een ojeg en liet me naar Natsepa brengen. Op de weg die bloedheet verwarmd was door de brandende zon, wat was het toch heet op Ambon, reed er een ojeg met hoge snelheid voorbij. Voorop stond een grote koffer, achterop zat Dangdude met een te kleine zwarte helm potsierlijk op zijn hoofd, alle gevaren die het rijden op een ojeg met zich meebrengt trotserend, ik kon het voertuig volgen tot er in de verte niets meer van overbleef, opgelost in de zinderende zon. In mijn hoofd zong Johnny Cash “I am free from the chain gang now….”

Reacties

Geen reacties

Uw reactie



Toegelaten BBCode:
[b] [i] [u] [s] [color=] [size=] [quote] [code] [email] [img] [youtube]

Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.