Reacties
kimi schreef:
Goed verhaal weer Lon, nog even een aanvulling. In het bahasa wordt rode aarde vaak vertaald in "Tanah Abang". Dit is tegenwoordig ook een wijk in Jakarta zoals je weet, tegenwoordig behalve bekend van zijn grote kledingmall (1 van de grootste ter wereld) ook bekend om zijn grote concentratie negers en drugs. Overigens ligt hier ook misschien wel de meest beruchte discotheek van Jakarta, Tanamur. Het wordt voor de bule afgeraden naar deze disco te gaan, te onveilig.
13 juli 2008 15:07:21
Ed Vos schreef:
" Dit gezin is dankbaar en vol lof over de kleding en de ontvangst te Ataka. Ze gingen daar met een treintje naar toe, de hallen waren versierd, er was een complete kinderspeelplaats. “’t Is kostelijk om te zien al die nieuwe Hollandse kleren” schrijft moeder in haar verslag."
Dit Hollands gezin vertrok in 1946 naar Nederland. De evacuatie ging door tot eind vijftiger jaren/ begin zestiger jaren,
Natuurlijk zullen de ervaringen verschillend zijn.Wanneer je in een kamp gezeten hebt, ben je dankbaarder voor het leven en wat je nog krijgt, dan wanneer je de hele boel achter hebt moeten laten, na een bewuste keuze :-)
De indo's die later vertrokken dachten zeker dat ze als vorsten in Nederland zouden worden ontvangen
Maar OK, sinds dat Haags forum hoef ik die klaagzangen niet meer te lezen. Sudah nek :-)
"..Daar hadden zij niet op gerekend, daarom werd er op deze mensen druk uitgeoefend om met Nippon samen te werken en ook om de opengevallen plaatsen die de Europeanen hadden achtergelaten in te nemen. De Nederlanders hadden nooit onderscheid gemaakt, vele Indo-europeanen waren gelijkgesteld aan Europeanen. Na de oorlog zou dit door de Japanners gemaakte onderscheid grote gevolgen hebben.."
Hiervan heb ik toevallig ook bewijzen (documenten ). Men kreeg een soort identiteitskaartje in het maleis en japans, compleet met foto waarop stond dat men achter de Japanners stond.
Ik weet de gehele tekst niet, maar ik zal de documenten zoeken en scannen tzt.
Ed
Dit Hollands gezin vertrok in 1946 naar Nederland. De evacuatie ging door tot eind vijftiger jaren/ begin zestiger jaren,
Natuurlijk zullen de ervaringen verschillend zijn.Wanneer je in een kamp gezeten hebt, ben je dankbaarder voor het leven en wat je nog krijgt, dan wanneer je de hele boel achter hebt moeten laten, na een bewuste keuze :-)
De indo's die later vertrokken dachten zeker dat ze als vorsten in Nederland zouden worden ontvangen
Maar OK, sinds dat Haags forum hoef ik die klaagzangen niet meer te lezen. Sudah nek :-)
"..Daar hadden zij niet op gerekend, daarom werd er op deze mensen druk uitgeoefend om met Nippon samen te werken en ook om de opengevallen plaatsen die de Europeanen hadden achtergelaten in te nemen. De Nederlanders hadden nooit onderscheid gemaakt, vele Indo-europeanen waren gelijkgesteld aan Europeanen. Na de oorlog zou dit door de Japanners gemaakte onderscheid grote gevolgen hebben.."
Hiervan heb ik toevallig ook bewijzen (documenten ). Men kreeg een soort identiteitskaartje in het maleis en japans, compleet met foto waarop stond dat men achter de Japanners stond.
Ik weet de gehele tekst niet, maar ik zal de documenten zoeken en scannen tzt.
Ed
13 juli 2008 15:43:31
Admin-login
RSS
Lid worden
13 juli 2008: “Rode Aarde” - boekbespreking
oorlogsverleden van hun gezin. Dat oorlogsverleden speelde zich op Java af. Zij had af en toe wel eens iets aan haar moeder gevraagd, maar kreeg nooit een bevredigend antwoord en zelf was ze ook niet echt geïnteresseerd. Haar moeder antwoordde vaak “Jullie waren zo klein, jullie weten er niets van!” Op een gegeven moment is de moeder dood en kan ze niets meer vragen. De vader was al in het begin van de Japanse bezetting gestorven, onder welke omstandigheden en hoe wist Annie niet. De vragen konden gedeeltelijk beantwoord worden, omdat er in de nalatenschap een oud koffertje wordt gevonden. In dat koffertje zaten met de hand geschreven brieven, telegrammen, kampcadeautjes, aantekeningen en krantenknipsels. Daardoor ontstond er een verhaal, echter ook heel veel vragen.
De schrijfster probeerde voor het eerst in 1987 met haar moeder over de familiegeschiedenis te praten. In 1987 ging zij terug naar Java. In Bandung komt ze erachter dat de naam van haar vader H.Bos in een gedenksteen gebeiteld staat. Ze bezoekt het voormalige interneringskamp in Ambarawa, daar herkent ze nauwelijks iets. Ze gaat naar Solo, hun oude woonplaats. Ook naar Ciater bij Bandung, de plaats waar haar vader werd doodgeschoten in een treffen met de Japanners. In 1992 bezoekt ze een reünie voor oud-geïnterneerden van Ambarawa. Daadoor begint haar moeder zich ook enige feiten te herinneren die ze opschrijft. Doch aan de andere kant krijgt de schrijfster het heel moeilijk met haar vage herinneringen in de vorm van angstige dromen. In de lente van 1995 zag ze dat ze er niet langer meer aan ontkwam zichzelf met haar verleden te confronteren. Ze ging meer met haar moeder praten, beiden vonden dat erg prettig vond. Het was echter “mijmerend en ging niet de diepte in”. Het verleden was bij haar moeder krachtig, helder en onontkoombaar aanwezig maar de feiten waren aan het vervagen. Nadat haar moeder is overleden, maakt de schrijfster het koffertje open en begint zij de puzzel die ze daarin aantreft op te lossen.
Het boek beschrijft het oplossen van die puzzel, dat boeide mij, vooral veel van de losse stukken waarmee de puzzel wordt opgelost. Bijvoorbeeld de brieven die in het koffertje zaten. De schrijfster verloor haar vader toen zij drie jaar en drie maanden oud was, zij heeft hem dus nauwelijks gekend en kan zich het beeld van hem niet meer herinneren. Zij ziet een grafmonument met zijn naam, als gevallene op de Ciaterstelling en de datum 1-8 maart, maar lag hij daar werkelijk en hoe en wanneer precies was hij aan zijn eind gekomen? Haar vader, Hilbrand Bos genaamd was een afgestudeerd bioloog, die in de crisistijd aan de slag moest, wat hem nog aardig lukte ook. Hij kwam uit een gereformeerde boerenfamilie. In 1938 trouwde hij en het gezin ging in de Orteliusstraat te Amsterdam wonen. Hij had zich na zijn studietijd in laten schrijven bij het bureau van de zending van Gereformeerde Kerken in Nederland om eventueel als leraar biologie uitgezonden te worden naar Indië. In 1939 kwam er, vrij onverwacht, een oproep om als leraar biologie naar de Kweekschool en HBS te Solo aan de slag te gaan. Vader Bos accepteert deze uitnodiging en het jonge gezin, vader, moeder en dochter, vertrekt naar Indië. Van deze reis en het verblijf naar te Solo waren er in het koffertje vele brieven bewaard gebleven waarvan een aantal in het boek zijn afgedrukt. Dat vind ik zeer interessante lectuur, want gewone mensen geven je een beeld van het alledaagse leven van Belanda’s in de kolonie in die dagen. Over huisvesting, baboes en djongos, het sociale leven. Daar komt nog bij het leven van gelovige mensen, dit gezin was zwaar gereformeerd, en krijgt men een inkijk hoe deze mensen het leven in de kolonie doormaken en hoe zij tegenover de inlanders staan. We krijgen van alles over de postverbinding te weten, salaris, belasting en verzekeringen betalen. Wat er gegeten wordt. Zo wordt dit boek voor mij bijna een wetenschappelijk werk, want ga maar eens op zoek naar dit soort gegevens. Het geloof speelt een zeer belangrijke rol in het boek, niet verwonderlijk want het gaat om een gereformeerd gezin. Het valt dan meteen op hoe Anno 2008 het geloof uit Nederland is verdwenen en veel Nederlanders zich druk maken om het geloof van anderen met name de Islam.
In Solo woont de familie op de Tegalhardjoweg, dat is in de buurt van het station Solo Balapan, tegenwoordig de Jl. Monginsidi en de wijk “Villapark”, deze heet tegenwoordig Banjarsari. Ik ben hier altijd voorbij gelopen, want er was altijd een gigantische (illegale) markt met tweedehands fietsen, brommers en onderdelen hiervoor, veelal jat- en pikwerk, dus kon ik nooit echt van de schoonheid van deze wijk genieten. De laatste keer dat ik er langs ging was de markt verdwenen en waren ze de boel aan het opknappen. De schrijfster praat in het boek ook veel met getuigen, mensen die haar ouders hebben meegemaakt, een leerling van haar vader, mensen die haar vader tijdens zijn leven hadden gekend. Alles met betrekking tot de functie van haar vader wordt uitgebreid uitgelegd. Wat ook grappig is dat de goederen die er door Europeanen in de winkels gekocht wordt op rekening gaan en dat die rekeningen eens per maand worden voldaan, dat geldt alleen voor Europeanen. Er wordt geklaagd over de hoge prijzen van veel levensmiddelen, uitgegezonderd de suiker, nou is dat wel typisch Hollands, echter zo een gezin zal wel veel geïmporteerde levensmiddelen gebruikt hebben. Kleding wordt zelf genaaid of door een naaister die aan huis komt. Het personeel dat wordt ingehuurd geeft ook de nodige moeilijkheden, of ze zijn ziek en moeten naar huis of naar de dokter. Of ze komen altijd te laat en hebben lange vingers, de thee en suiker zijn altijd op en er verdwijnen luiers. De moeder van Annie schrijft “Alle handel en nijverheid zijn hier in handen van Chinezen. De Javanen doen niets anders dan slapen en luilakken.” Het lijkt wel alsof er niet veel is veranderd, hoewel veel Javanen werken, en veel Javanen werken hard bijvoorbeeld de boeren, en dat zal in die tijd ook zo geweest zijn. De situatie in Europa wordt natuurlijk op de voet gevolgd, dat ken ik uit veel “Indische” boeken die in die tijd spelen. Men verkeerde in die jaren in grote zorg en onzekerheid over de situatie in de wereld. Toch dachten er velen dat Nederland niet getroffen zou worden, ons land was immers in WO 1 ook neutraal gebleven. Doch als Duitsland dan toch Nederland binnenvalt en bezet komt Indië in een isolement en daarbij bestaat de toenemende oorlogsdreiging vanuit Japan. Contact met familie en kennissen in Nederland is er op een gegeven moment niet meer, op een heel sporadisch bericht via het Internationale Rode Kruis na. Het gezin had zich inmiddels uitgebreid met een dochter en een zoontje. Eind mei 1941 moest vader naar Bandung om een militaire opleiding te volgen, hij was namelijk opgeroepen om militaire dienstplicht te vervullen. Hij stuurt brieven aan zijn vrouw die ook te lezen zijn in het boek. Die geven een boeiend inzicht in het leven van een dienstplichtige in die jaren, wat vaak gewoon verveling inhoudt.
Nadat de diensttijd in Bandung was afgelopen neemt het leven in Solo weer zijn gewone loop. Op 31 augustus 1941 wordt een “indrukwekkende” militaire parade te Batavia gehouden. Het Bataviaas nieuwsblad schreef: “Wij zijn diep onder de indruk gekomen van wat wij hier zagen. Indië is inderdaad paraat. Er zijn hier in een bijna onmogelijke korte tijd een formidabel leger opgebouwd en een formidabele luchtmacht die iedere dag nog groeien. Wij hebben een schouwspel gezien, zoals Batavia nog nooit heeft meegemaakt. En wij weten dat de tientallen tanks, de meer dan honderd vliegtuigen, de honderdtallen motorrijders en de duizenden manschappen slechts een zeer klein gedeelte uitmaken van de macht die wij in Indië kunnen ontplooien… Wij spreken ons woordje mee in de Pacific. En dat woordje is er een, waarmee ieder rekening heeft te houden.” Ironisch genoeg werd in maart 1942 deze legermacht in een week door de Japanners weggevaagd. Hetzelfde gebeurde in 1811 toen de Britten Java aanvielen, toen was het ook in een week bekeken. Twee keer is Indië door een buitenlandse strijdmacht aangevallen en even zovele keren volledig en in korte tijd onder de voet gelopen. Het gezin blijft intussen niet van ellende bespaard, want het jongste kind Wim komt te overlijden. Hij was 10 maanden oud en stierf aan hoge koorts. Hij wordt onder grote belangstelling en medeleven begraven.
Op 8 december 1941 te 06.30 uur Java tijd verklaard Nederland vanwege de aanval op Pearl Harbor aan Japan de oorlog, dit werd door de gouverneur-generaal in een radiorede bekend gemaakt. Diezelfde dag nog werden de mobilisatietelegrammen verstuurd en werd deze op 12 december afgerond met de algemene opkomst van reserve- en dienstplicht personeel, waaronder de vader van de schrijfster. De huizen moesten ’s avonds verduisterd worden en vrouwen en oudere kinderen kregen een aantal burgertaken te verrichten, zoals het volgen van een EHBO-cursus. Op 1 maart landden de Japanners op Java. Vader bevond zich in de Ciaterstelling, een smalle bergpas bij Bandung, die stelling lag er min of meer verwaarloosd bij. Op 6 maart is er een hevige strijd bij de stelling gaande waarbij vader omkomt. Hij sneuvelt niet in de strijd, maar zijn groep wordt tezamen met een andere groep krijgsgevangen gemaakt, met hun putties (beenwindsels) aan elkaar vastgebonden en toen in koelen bloede, in strijd met elke oorlogsconventie, afgemaakt. Deze strijd staat uitgebreid in het boek beschreven, de schrijfster heeft daarvoor een zeer groot aantal bronnen, boeken, artikelen zowel als nog levende getuigen, geraadpleegd, omdat ze persé wilde weten hoe haar vader aan zijn einde is gekomen. Voor een niet-deskundige een geweldig stukje werk.
Op 5 maart 1942 verschenen de eerste Japanse soldaten “met hun flappenpetjes” in de straten van Solo, ze waren woedend om alle verliezen die ze in de aanloop naar Solo hadden geleden. In het spoor van de Japanners trokken Indonesische rampokkers op, die de huizen van de Europeanen plunderden en vernielden. Men was aanvankelijk van plan de gehele Europese bevolking te vermoorden, echter na enige dagen moesten de Japanse troepen op hardhandige wijze de orde herstellen. De Japanse troepen schoten op de menigte die zij zelf tot wandaden had aangezet. Ook het huis van de familie Bos werd “gerampast”. Is voor het eerst dat ik dit woord in Nederlandse uitvoering lees, nooit eerder zo gelezen, altijd als "gerampokt". Het overgebleven gezin verblijft op dat moment bij kennissen, toen zij bij het huis op de Tegalhardjoweg gingen kijken was alles vernield. Het enige wat er gered kon worden waren wat tekeningen die vader had gemaakt voor het proefschrift waar hij aan werkte en een microscoop in een kist die hij ook voor het proefschrift gebruikte. Moeder heeft deze dingen de gehele oorlog met zich meegesleept, als zijnde de enige herinnering die zij aan haar man had. Omdat men niet meer in hun huizen konden wonen werden de Europeanen te Solo in grote openbare gebouwen ondergebracht, zoals scholen en internaten. De groep Europeanen bestond voornamelijk uit vrouwen en kinderen. Ze hadden niets mee kunnen nemen, aan kleding bezaten zij de kleding die zij op dat moment droegen. De toestanden in de scholen en internaten was vreselijk, overvol en een groot tekort aan badkamers en WC’s, op dat moment gingen de plunderingen nog gewoon door. Dat was op 6 maart, op 7 maart komt er een telefoontje waarin mede werd gedeeld dat Hilbrand Bos in Bandung was gesneuveld. Op 8 maart 1942 werd het volgende bericht door de NIROM (Nederlands Indische Radio Omroep Maatschappij) uitgezonden. “Na acht dagen hardnekkige tegenstand moeten we ons overgeven. Het is nooit de bedoeling geweest dat we geheel alleen tegen een dergelijke overmacht zouden vechten – hulp bleef uit. Zo meteen zullen de Japanners Bandung binnen trekken. Het Nederlands-Indische leger houdt op te bestaan. God zegene onze koningin, ons vaderland, ons dappere leger. We zullen voor het laatst het Wilhelmus laten klinken en dan zal onze omroep zwijgen.” Dat was dus behoorlijk dramatisch, temeer daar veel eenheden van het KNIL nauwelijks weerstand hadden geboden, maar met de geweren op de grond en de handen omhoog de Japanse troepen langs de kant van de weg verwelkomden. Er werd een avondklok ingesteld, de klokken werden anderhalf uur terug gezet en werd de tijd op Java dezelfde als die in Japan. Het jaar 1942 werd veranderd in 2602, gelijk de Japanse tijdrekening. Alle scholen werden gesloten. Ook was het gebruik van de Nederlandse taal niet meer toegestaan.
Eerst komt het gezin in het Kweekschoolhuis terecht, het zogenaamde Torentjeshuis op de Tegalhardjoweg. De bedienden waren gevlucht of durfden zich niet meer te vertonen. Men zorgde met elkaar voor de dagelijkse dingen. In plaats van aardappelen en groenten at men vaker rijst en groenten en fruit van het land zelf (wat een straf zou dat geweest zijn !). Salarissen kwamen niet meer binnen. Intussen werden de Europese mannen geïnterneerd. Er waren natuurlijk vele geruchten, ook kwamen er steeds meer geboden en verboden. Intussen probeert de moeder meer duidelijkheid te verkrijgen over hoe vader Bos is gestorven. In augustus beviel mevrouw Bos van een zoon. Het kind werd gedoopt in het gereformeerde kerkje te Solo en wordt naar zijn vader Hilbrand genoemd. Het was de gewoonte in gereformeerde kringen om een kind snel te dopen, soms met alleen maar de vader erbij. In december 1942 moesten alle vrouwen zich bij de assistent-wedono’s in de verschillende wijken te Solo als vreemdeling laten registreren. Die registratie kostte 80 gulden per vrouw, dat was een geweldig groot bedrag als men nagaat dat een maaltijd 18 centen kostte. De pasfoto’s van de vrouwen vertonen allemaal dezelfde ontredderde blik. Vlak daarna vertrok het gezin naar hun eerste interneringskamp Sumowono, een afgelegen schietbivak in de bergen bij Ambarawa. Vlak voor kerst 1942 moest het gezin op de hoek van de straat gaan staan om geïnterneerd te worden. Ze mochten meenemen : een kleine hutkoffer, een bultzak, bedegoed en kleding, dat alles werd eerder opgehaald en met bussen naar het kamp vervoerd. Die dag werden ze naar een doorgangskamp in Kletjo vervoerd, moeder met de kleine van 4 maanden op de arm en de twee dochtertjes van 4 en 3 jaar. Ondanks dat ze een kind op de arm had sjouwde moeder de zware microscoop die aan vader had toebehoord met zich mee. In Kletjo werden de mensen uit Solo en omgeving bijeengedreven. Daar kregen ze een kampnummer dat op een lapje was gestempeld, dat ging op een kartonnetje In een afgedrukte brief lees ik het woord “Nippen” voor de Japanners, in een ander hoofdstuk worden ze nog een “de Nip” genoemd, afkomstig van Nippon, de eerste keer dat ik dit hoor/lees. Zelf gebruik ik nooit het woord Jap(pen) of Mof(fen) ik vind dat voorbehouden aan mensen die de oorlog hebben meegemaakt en zeg ik Japanner of Duitser. Toen ze bij het kamp Sumowono aankwamen was het al donker, de barang lag langs de kant van de weg opgestapeld en was het een vreselijke bende. Niet alleen dat, het was ook nog eens erg koud, stel je voor zo uit de warmte van Solo, een van de heetste steden op Midden Java. Het kamp was afgezet met prikkeldraad en de Japanners hielden gewapend de wacht. Er werden na de capitulatie van Nederland door de Japanners meer vijandelijke burgers aangetroffen dan zij hadden verwacht. Op Java waren dat er ca. 86.000 in de buitengewesten ca. 13.000 personen, bij elkaar waren dat er meer dan 100.000. Als de Japanse bevelhebber Imamura de Indo-europeanen er ook bij zou rekenen kwam dit neer op 200 à 250.000 personen meer om te interneren. Daar hadden zij niet op gerekend, daarom werd er op deze mensen druk uitgeoefend om met Nippon samen te werken en ook om de opengevallen plaatsen die de Europeanen hadden achtergelaten in te nemen. De Nederlanders hadden nooit onderscheid gemaakt, vele Indo-europeanen waren gelijkgesteld aan Europeanen. Na de oorlog zou dit door de Japanners gemaakte onderscheid grote gevolgen hebben.
Dan volgt er een relaas van hoe het leven in het kamp was. Ik heb inmiddels al heel veel boeken over het leven in Japanse interneringskampen gelezen. De verhalen komen bijna altijd op het zelfde neer, het buigen, het appel, de straffen, waarbij men vaak uren op de appelplaats in de zon moest staan en natuurlijk de grenzeloze wreedheid van de Japanners en hun Koreaanse hulpjes de Hei-Ho. Dat dit eentonig om te lezen wordt is natuurlijk logisch, want het leven van de gevangenen was zeer eentonig. Op 14 maart 1944 worden ze met een treintje van Sumowono naar Ambarawa gebracht. Daar was het interneringskamp gevestigd in het voor de oorlog reeds afgekeurde militaire kampement dat rondom fort Willem I was gelegen. Overdag lag het in de felle zon, ’s avonds was het er koud door de valwinden vanuit de bergen. Toen het gezin er aan kwam zaten er reeds meer dan 2000 mensen geïnterneerd. Dat werden er in de loop van 1944 en 45 steeds meer. Het kamp stond onder het gezag van de Kempetai, de Japanse geheime politie, die zeer wreed optrad. De toestand in de kampen werd steeds penibeler en stierven er steeds meer mensen door de honger, ziektes en andere ontberingen. Men wist niet eens dat Japan op 15 augustus 1945 had gecapituleerd. Pas op 24 augustus hoorde men op het appelterrein dat de oorlog was afgelopen. Een van de vrouwen had jarenlang een rood-wit-blauwe vlag in haar matras verstopt gehouden, deze werd gehesen en ging men zich langzaam realiseren dat men weer vrij was. Maar echt vrij was het gezin niet waar moesten ze naar toe, er was geen vader meer, het huis in Solo was zonder inboedel en vernield achtergelaten. Ze bleven dus maar gewoon in het kamp zitten om af te wachten wat er ging gebeuren. Inmiddels was de Republik Indonesia geproclameerd en werden de geïnterneerden door Lord Mountbatten, de Engelse bevelhebber over Java opgedragen in de kampen te blijven en zich onder de bescherming van de japanners te plaatsen. De verbeterde voedselsituatie bracht een vleug van opgewektheid in het kamp. Buiten het kamp leek het gevaarlijk, er zwaaiden mensen met roodwitte vlaggen. Op een dag gaat de kleine Annie met haar zusje de poort van het kamp uit, haar zusje was benieuwd wat nou eigenlijk vrijheid was. Ze zagen sawa, een markt met mensen, hapjes die in pisangblad werden verkocht, jagung en heerlijke ijslolly’s. Ze kregen geen ijslolly, want daar kon je ziek van worden, maar wel een rubber bal die stuiterde, in het kamp hadden ze alleen maar ballen van lappen gehad en die stuiterden nooit. Begin september kwamen er vliegtuigen over die pakketten dropten, eerst op het kamp later op de alun-alun van Ambarawa. Ik weet niet of dat dezelfde is die ze vandaag de dag gebruiken, maar die is immens, de 2e in Indonesië na het “Lapangan Merdeka” in Jakarta. In de pakketten zaten blikken, met bijv. oranje kaas, een klein blikopenertje voor het openen van blikjes dikke melk, welfare biscuit, lippenstift. Van de parachutes werden kleren genaaid.
Buiten het kamp werd het steeds onveiliger. Moeder meet zichzelf een houding aan die de rest van haar leven en dat van haar dochter zou bepalen. Die houding bestond uit het “zich groot houden”. Daarbij vertrouwde de moeder volledig op Onze-Lieve-Heer. “Ziende op Gods genade ligt de toekomst veilig voor ons” schreef zij aan de familie in Nederland, het geloof gaf haar echte bemoediging. “Mensen die wanhopig zijn en het leven uitzichtloos vinden, kijken naar het hemelse. De onvolkomenheid van het leven op aarde kan alleen zo nu en dan overstegen worden door het hemelse naar je toe te halen”. In die tijd ontving de familie in Nederland de eerste brief in jaren. Ook had de familie in Nederland inmiddels via het Internationale Rode Kruis pogingen in het werk geezt om het gezin op te sporen. Inmiddels zarten er in de kampen Ambarawa en Banjubiru 28.000 mensen., deze moesten worden weggehaald om hen naar het land van herkomst te evacueren, de situatie was heel penibel vanwege de vrijheidsstrijders buiten de kampen die het op de Europese geïnterneerden hadden gemunt. Het wachten was op beschikbare schepen, die waren schaars in die tijd, er moesten 100.000’den ontheemden over de gehele wereld vervoerd worden, daarbij ook nog krijgsgevangenen en soldaten die voorrang kregen. Het gezin wordt op transport gesteld naar Magelang en worden daar bewaakt door Ghurka’s. Als ze daar buiten liepen werden ze regelmatig gefouilleerd door de Angatan Muda, het Indonesische studentenleger. Toen er versterking van Ghurka’s kwam verdwnen de Pemuda’s van straat, doch in het geheim zetten zij hun activiteiten voort. In de eerste dagen van november kwam het tussen een treffen van 6 à 7.000 Indonesiërs tegen 2 à 300 Ghurka’s. In 2 x 24 uur sneuvelden er 2 Ghurka’s en tussen de 1500 en 3500 Indonesiërs, dat laatste cijfer loopt erg uiteen, afhankelijk van de bron. Daarop staakten de Pemuda’s de strijd. Intussen werd er nog steeds gerampast. Van Magelang werd het gezin in een konvooi van vrachtauto’s naar Semarang getransporteerd en daarna naar Bandung. Doordat zij zo vaak van adres veranderden liepen zij ook steeds de post uit Nederland mis. De brieven komen op een of andere manier, later, bij moeder terecht en staan er verschillende in het boek afgedrukt. Er wordt ook een beeld gegeven van hoe de familie in Nederland de oorlog heeft doorstaan. Vanaf Bandung wordt het gezin naar Djakarta gevlogen, want ze hadden plaats toegewezen op de Johan van Oldebarneveldt. Een van de zusjes wordt echter ernstig ziek. Dat was achteraf nog gelukkig ook, want tijdens de reis zou er een mazelen epidemie op het schip uitbreken, daardoor kregen vele jonge kinderen een zeemansgraf op deze reis. Ze gaan terug naar Bandung en worden daar in het Ursulinenklooster ondergebracht. Daar lag het zusje Diel dodelijk ziek, de schrijfster herinnert zich het nonnenkoor dat zo prachtig zingen kon, als engelen “in de hemel is het schoon, waar men zingt op blijde toon”. Ze krijgen een pak levensmiddelen vanuit Nederland door Opa opgestuurd. Dan komt eindelijk de oproep dat ze mogen vertrekken op 15 januari 1946. “Eindelijk : de bevrijding.”
Op 15 januari 1946 vloog het gezin naar Batavia, dat inmiddels Djakarta heette. Ze zouden op 22 januari met de Johan de Witt naar het veilige Nederland varen. Van het geld dat moeder nog had kocht zij kleurpotloden. Voordat ze aan boord gingen werd de spuit met DDT-poeder over hun heen gehaald om de luizen te doden. De moeder had ook potlood en papier gekocht waarmee ze een verslag van de reis gemaakt heeft, dat in het boek is opgenomen. Er staat ook een omschrijving van Ataka, het keldingdepot bij Suez. De repatrianten kregen hier kledij uitgereikt. Ik heb vaak op Indosites gelezen hoe vreselijk deze kleding werd gevonden, men schaamde zich ervoor om hierin rond te lopen. Dit gezin is dankbaar en vol lof over de kleding en de ontvangst te Ataka. Ze gingen daar met een treintje naar toe, de hallen waren versierd, er was een complete kinderspeelplaats. “’t Is kostelijk om te zien al die nieuwe Hollandse kleren” schrijft moeder in haar verslag. De transportcommandant moet een telegram naar H.M. de koningin en de regering sturen om te bedanken voor de kledij. Hieruit blijkt maar weer eens dat herinneringen uit verschillende bronnen een totaal andere indruk kunnen geven. Op 24 februari 1946 kunnen ze in de haven van Amsterdam debarkeren, ze worden van boord geholpen door Marvameisjes en marinemannen. Er is een welkomstbrief van prinses Juliana. Ze kregen distributiebescheidenb en geld uitgereikt om in Nederland te beginnen. Om 12 uur stapten ze op de bus die hen naar Utrecht, waar de familie woonde, zou brengen. Daarna vervold het boek nog met een verslag van de eerste tijd in Nederland.
Ik heb dit boek met veel plezier gelezen, niet zozeer om het verhaal zelf, dat is eigenlijk niet bijzonder. Er zijn heel veel van dit soort verhalen. Doch de manier waarop het boek is geschreven boeide mij enorm. Ten eerste de zoektocht van de schrijfster die zoveel details oplevert. Daar heb ik respect voor dat iemand daar als amateur aan begint en zoveel resultaat boekt, daar is een groot doorzettingsvermogen voor nodig. Wat voor mij het boek zo bijzonder maakt, is de grote hoeveelheid brieven die onverkort is opgenomen. Daaruit kan jezelf opmaken hoe mensen in die tijd leefden en hun omgeving ervaarden. Een andere lijn in het boek is wat het leven in een interneringskamp in de geest van een klein kind teweeg kan brengen.
Uit eigen verzameling:
Oproep dd 1 mei 1942 van de Nippen aan buitenlanders om zich te melden
____________________________________________________
Rode Aarde door Annie Bos
Een verhaal van de vergeten oorlog op Java
ISBN 90-6801-696-2 368 pag.
Uitgeverij de Prom – Baarn 2001
Prijs: €6,99 bij De Slegte