30 juli 2008

In de ban van de tropen

indebanvan
Is waarschijnlijk het boek over Indië dat het meest wordt aangeboden op de landelijke tweedehands en rommelmarkten. Het is aldaar verkrijgbaar voor een eurootje als het al niet voor niets wordt weggegeven, want de mensen lijken blij als ze ervan af zijn. Het is het soort boek dat op de avond na de vrijmarkt



op Koninginnedag in de goot wordt gegooid en dan door een machine van de gemeentelijke reinigingsdienst wordt opgezogen. Mijn exemplaar is gered van op deze manier de vernietiging te ondergaan. De vraag blijft waarom er zoveel exemplaren van dit boek rondzwerven en waarom wil men er vanaf ? Misschien komt het door het angstaanjagende omslag dat onmiddellijk aan goena-goena en andere Indische hekserij doet denken.

De inhoud van dit boek in het kort luidt:

Luuk, afgestudeerd aan de Landbouwhogeschool te Wageningen gaat met zijn pasgetrouwde vrouw Clara zijn ideaal vervullen, n.l. als planter in Indië werken. Na vier jaar moet Clara, met het inmiddels geboren zoontje Tommy terug naar Nederland, want haar gestel kan niet tegen de tropen. Door welke ziekte zij wordt geplaagd is enigszins onduidelijk, ze lijkt aan spruw te lijden, wat dat ook moge zijn. Volgens de Van Dale online is het een “slijmvliesontsteking in de mondholte bij zuigelingen en stervenden”. In Nederland trekt zij bij haar ouders te Delft in om proberen te genezen. Door het haar bekende koele klimaat in het lage landje gaat die genezing zeer voorspoedig, doch er is bij Clara de angst ingeslopen dat zij eenmaal terug in Indië weer ziek zal worden, zij kon er geestelijk noch lichamelijk tegen. Inmiddels zet Luuk zijn werk op de onderneming Goenoeng Merah alleen voort, tijdens het werk heeft hij geen last van eenzaamheid, doch ’s avonds als hij thuis is gekomen mist hij Clara heel erg. Op een avond wordt Luuk vanachter aangevallen door een Madurees met een “pisoe blati” en gestoken. Hij had deze koelie enige dagen daarvoor een klap gegeven en dus de Madurees vernederd in het bijzijn van anderen. Luuk heeft zich bloedend naar zijn bed gesleept, hij kon daarvoor nog net iemand per telefoon waarschuwen. Buiten ligt de Madoerees, als het gaat regenen komt deze weer bij, hij is namelijk bewusteloos geslagen door Luuk. “Dan, als een dier in zijn leger richtte hij zich op…” Personeel klappen laten krijgen en daarna nog met een dier vergelijken is wel zeer koloniaal.

Toen Luuk zo ernstig gewond was wilde Carla graag bij hem zijn, zij was telegrafisch op de hoogte gesteld. De pijn die hij leed werd ook door Carla geleden, zoals ware geliefden betaamd. Ook Tommy lijdt aan nare dromen waarin zijn vader de hoofdrol vertolkt helaas miste moeder de kracht om hem te troosten. Gelukkig schiet Anton, een oude schoolvriend van Carla te hulp om het leed van moeder en kind helpen te dragen. Het bezoek van Anton verward Carla, temeer daar Anton verklaard dat de tropen geen plaats voor de rassen uit het noorden is. “Het zou zonde zijn van zo’n lieve vrouw als jij, daar onder te gaan” aldus Anton tegen Carla. In hoofdstuk 6 gaat Luuk op de spirituele toer, hij observeert een biddende Arabier, die niet gestoord door zijn omgeving met het hoofd richting Mekka bidt. In die jaren was de Islam nog volkomen onbekend bij de Nederlandse lezers, en behoorde tot de mystieke oosterse godsdiensten. We weten inmiddels wel anders. Luuk was op weg naar neef Visser die zendeling is in een kleine nederzetting in Java’s Oosthoek. Daar geneest hij van de wond en komt ook weer dichter tot zijn geloof. Het boek is geschreven tussen 1938 en 1947, in die jaren speelde het Christelijke geloof nog een belangrijke rol in de Nederlandse samenleving, God had alles nog onder controle en in de hand. Voor Luuk is de tijd aangebroken dat hij op verlof naar Patria mag. Hij laat de hele inboedel die hij samen met Carla heeft gekocht via een vendutie veilen. Het ging hem aan het hart om te zien hoe alles dat hij samen met Carla had opgebouwd afgebroken te zien worden. Op de vendutie ontmoet hij een heel knap Indomeisje, van wie hij zich vaag herinnerd haar ooit eerder te hebben ontmoet. Na zes jaar Indië gaat Luuk op verlof terug naar Europa. Hij is veel aan het vergelijken, het Westen met het Oosten. Hij denkt terug aan de ontmoeting met Louise het Indomeisje. Doch hij denkt het meest aan Carla, die hem in Genua afhaalt. Zij maken samen een reis, Tommy, hun kind is bij de grootouders in Delft achtergebleven. Het leek een tweede huwelijksreis, ze voelden samen de oude verbondenheid. Clara erkend dat zij zich nooit in Indië heeft thuis gevoeld, zij behoort het koele klimaat toe. Zij hoopt dat Luuk zich weer in Nederland gaat vestigen, zodat zij samen gelukkig kunnen zijn.

Na een maand krijgt Luuk een nieuwe baan aangeboden, bij een firma in Utrecht die in kunstmest doet. Hij begon zijn werk op een woelige herfstdag in oktober. Door de week verblijft hij in Utrecht en in de weekeinden gaat hij naar Clara in Delft. Tot zijn spijt ziet hij dat zoon Tommy niets meer weet te herinneren van zijn tijd in Indië waar hij toch geboren was. Ook herinnerde hij zich niets meer van de Soendanese woordjes die hij ooit geleerd had. Luuk had zich een auto aangeschaft waarmede zij in het weekeinde tochtjes maakten, als het weer dat toeliet. Maar op die tochten, die een welkome afwisseling met het saaie werk waren kreeg Luuk steeds meer heimwee naar de tropen. Op het werk kreeg hij ook enkele conflicten, hij was het ruimdenkende Indische leven gewend geraakt, dat rijmde niet met de Hollandse bekrompenheid. Zijn stemming werd zwaarmoedig dat was tevens het gevolg van de donkere wintermaanden, dikwijls dacht hij terug aan de theestruiken op de onderneming. Clara daarentegen voelde zich gelukkiger dan ooit, zij leidde nu het leven zoals zij dat in haar verlovingstijd had voorgesteld. De matte Indische teint die haar huid had gekregen was verdwenen. Ook zou Tommy tussen gezonde Hollandse jongens opgroeien, dat achtte zij veel beter voor de jongen. Na negen maanden Nederland vertrekt Luuk toch weer naar Indië, hij kon niet meer aarden. Er had hierdoor wel verwijdering met Clara gedreigd, omdat hij toch een goede werkkring had gevonden. Maar Luuk was niet in Nederland te houden. Het afscheid van Clara en Tommy was hem zwaar gevallen, hij voelde zich een beetje een verrader, de roep van het Oosten bleek echter sterker.

Toen hij na terugkomst in hotel Batavia te Rijswijk Batavia zich tegoed deed aan de uitgebreide rijsttafel ontdekte hij opeens tussen een groep Indo’s het meisje Quarteroguera. Ze spreken met elkaar, Luuk verlegen met gevoelens die hij niet begrijpt. Zij vraagt of zij elkaar weer kunnen ontmoeten, maar Luuk mompelt iets van “geen tijd”. Op de onderneming Goenung Merah was inmiddels van alles verandert, een paar vriendjes van een der commissarissen waren in dienst genomen. Zij woonden in het vroegere huis van Luuk. Hij gaat op bezoek bij de baas en hoort daar dat hij de verwaarloosde afdeling Tanahmati toegewezen krijgt. Op zijn nieuwe afdeling staat een bouwvallige pondok die hem tot woonruimte moet dienen. De rubber en thee zien er verwaarloosd uit. De pondok, die meer van een Inlandse hut weg heeft dan een behuizing van een Europeaan wordt gemeubileerd en Luuk gaat aan het werk. Luuk verzonk helemaal in zijn arbeid en de natuur, het verwaarloosde land eiste zijn volle energie. Hij had de beschikking over slechts 20 koelies, die hij had toegewezen gekregen en die dreef hij op tot geregeld doorwerken zonder veel verpozen. De prijzen van de rubber waren zeer goed en Luuk droomde van het moment dat de latex uit de stammen zou vloeien. De thee kon al snel geoogst worden, maar deze leverde weinig op. Luuk genoot van de eenzaamheid, hij had alleen een baboe-kokkie, maar die ging ’s avonds terug naar haar huis in de kampung. ’s Nachts kon Luuk echter wel tobben of hij de juiste beslissing had genomen, doch als het eerste ochtend licht door de spijlen voor de ramen doorsijpelde verdwenen ook deze gedachten. Hij overreedde Clara om toch weer te komen, zij kreeg daarvoor toestemming van de dokter, een ander die haar verboden had naar de tropen te gaan vanwege het gevaar voor haar gezondheid. Het huisje werd, op kosten van de fabriek, vernieuwd. In hoofdstuk XIII krijgt Luuk het is zijn hoofd om de gevangen gezette Madurees die hem jaren geleden had aangevallen, een bezoek te brengen. De Madurees zit in de gevangenis te Cipinang. Hij brengt dit bezoek als hij op weg is om vrouw en zoon af te halen van de boot in Tanjung Priok. Hij wordt wel vreemd aangekeken toen hij zijn verzoek indiende. Door zijn Christelijke geloof vond hij dat medelijden met zijn aanvaller een noodzaak was. “Hij vertelde de man dat hij verkorting van zijn straf had aangevraagd, en over Tuhan Jezus die de zondaars verloste. Tuhan Allah wilde dat de mensen als broeders op aarde zouden samenleven. De koelie volhardde echter in en stilzwijgen” Toen Luuk wegging drukte hij de Madurees een Javaanse vertaling van het Nieuwe Testament in de hand. Later gaat hij in een restaurant het een en ander overpeinzen en komt tot zijn verassing weer het Indomeisje Louise Q. tegen. Hij praatte wat met haar, maar raakte verward door de warme belangstelling die zij voor hem toont. Hij ziet haar aan en denkt bij zichzelf wat heerlijk het zou wezen om samen met een vrouw van het land zelf te kunnen leven, hij moet zich met geweld met zijn gedachten naar Clara terug sleuren. Als hij van Louise afscheid neemt laat dat een beklemming maar tegelijkertijd ook vreugde achter.

Als een gelukkig man komt Luuk met zijn Clara en Tommie bij het kleine huisje aan. Hij voelt zich herboren weer met Clara verenigd te zijn en wil er het beste van maken. Luuk gaat hard aan het werk op de plantage, terwijl Clara les gaat geven aan Tommie , die inmiddels al 6 jaar is. ’s Avonds lazen zij post of de leestrommel en schreven brieven naar Nederland. De eenzaamheid was niet zo groot als 9 jaar geleden toen zij pas in Indië kwamen wonen, zij hadden een piano, een grammofoon en Tommie. Clara kweekte bloemen en groenten. Zij tennisten samen op de tennisbaan van de onderneming en eens per maand was er feest in de sociëteit van Soekaboemi. De zondag hielden zij in ere als de rustdag, een traditie waar vooral Clara aan was gehecht. Doch als er een telegram komt waarin gemeld wordt dat Clara’s moeder aan buikvliesontsteking is overleden komen de oude ziekteverschijnselen toch weer terug. “De oude afweerkrachten tegen het land stonden eensklaps weer fel in haar op.” Op een vrije zondagochtend zet Clara koffie voor hun tweetjes, het koffie-extract dat zij gebruikt blijkt vergif te bevatten. Via-via een geschenk geweest van de Madureze koelie die na vijf jaar gevangenisstraf weer was vrijgekomen. Een snel en doortastend optreden van Luuk had hun voor het allerergste behoed. Er wordt echter besloten dat Clara weer naar Nederland terugkeert, zij kan niet meer tegen het leven op. Tommy gaat mee. Luuk blijft achter en overdenkt zijn vijftienjarig samenzijn met Clara dat hem toch weinig geluk en voorspoed had gebracht. Luuk bleef keihard werken, echter de rubberprijs was sterk aan het dalen. Er was een wereldcrisis uitgebroken en leek het of de welbekende welvaart op de vlucht geslagen was. Toen Luuk op een avond laat thuiskwam trof hij Louise op de voorgalerij aan. Zij vertelde over alle moeilijkheden die zij in haar leven had ondervonden. Op het laatst was zij ten einde raad naar Luuk gevlucht, helaas was Luuk nog steeds getrouwd en moest hij haar wegsturen, zeer tot zijn spijt overigens. Ook negeerde hij de tokeh die zeven maal riep, een teken dat je een wens kan doen die in vervulling gaat. Als afscheid kust hij Louise, een daad die hem een gevoel van ontrouw aan Clara bezorgd. Toch wel een beetje zielig als je de kadootjes zo laat leggen.

Op een dag liep Luuk door het bos, al werkend natuurlijk en komt hij bij de theeafdeling. In de verte op het pad zag hij de baas staan, daar hij deze liever niet ontmoet verschuilt hij zich. Hij ziet dat de baas een jonge knappe theeplukster tot zich roept en haar gebiedt mee te gaan. Luuk, weer eens vol van rechtvaardigheidsgevoel verhindert dit, die wip ging dus niet door. In de brieven bemerken beide echtelieden dat er een verkoeling in hun relatie plaats grijpt, ze schreven elkaar niet iedere week meer. Had Clara teveel over Anton gesproken en Luuk teveel over Louise. Wie zal het zeggen? We lezen stug door, want dit soort opmerkingen maakt nieuwsgierig. Op een mooie lenteavond in April gaan Clara en Anton wandelen en het is zo heerlijk dat zij niet protesteert wanneer Anton armpje-door wil. “Zij wandelde naast hem voort, gelukkig in dit heden als een kind, dat niet terug- of vooruitdenkt.” Luuk ontmoet Louise weer in Batavia, toen hij op weg was naar zijn nieuwe werk op het Landbouwsyndicaat, bij Goenoeng Merah was hij onhoudbaar geworden. “Het gaf hem een schok en het verwarde hem toen hij haar stem plotseling achter zich hoorde…” Zij geeft hem zijn adres, want ze beiden hebben weinig tijd. Gelukkig weet je met dit boek dat ze elkaar vast weer tegenkomen, er wordt langzaam naar een climax geschreven, je wil het boek niet meer wegleggen, hoogstens om te pissen of iets te drinken te pakken, je moet weten wat er gaat gebeuren. Toen hij thuiskwam ligt er een brief uit Holland, van Clara, zij deelt mede dat zij een baan voor hem heeft gevonden, bij de middelbare koloniale landbouwschool in Deventer. Hij voelt zich voor een dilemma geplaatst, hij wil het liefst voor altijd in Indië blijven, als hij aan Clara dacht schoof de gestalte van Louise ervoor. “Hoe zwak is een mens in zijn grote beslissingen.” Terwijl hij zo peinzend en tobbend door Batavia loopt besluit hij naar een dominee te gaan om raad te vragen. “Het menselijk hart is arglistig.”, zo sprak de zielenherder. Luuk had weinig aan het bezoek, geen woord van bemoediging, geen uitgestoken hand, geen echt menselijke belangstelling. Luuk besluit te gehoorzamen aan “de verplichting van het huwelijk, die hem naast haar riep.” Hij laat per brief aan Carla weten dat hij zal komen. Maar de andere vrouw verscheen ook weer voor hem, in zijn gedachten, Luuk was blij dat hij voor zijn werk op reis moest. Dan zijn er wat kritische geluiden te horen over de gang van zaken in Indië, maar toch, hoe de bevolking leefde was de wil van Allah. Tijdens zijn reis logeert hij op een theeonderneming in de Preanger, het huis is schitterend gelegen. Luuk denkt dat zo een plek ideaal voor Carla zou zijn. Hier hoort hij dat het postvliegtuig met brieven aan Carla is neergestort. Clara verzoekt hem telegrafisch te solliciteren, Luuk twijfelt, zoals hij inmiddels al 138 pagina’s lang zit te tobben. Terwijl hij zit te schrijven kondigt de huisjongen een njonja aan. Louise komt binnen. “Hij zag haar aan, verwonderd, dankbaar en greep geroerd haar hand.” Ineens voelt Luuk dat hij van haar hield. En de tokeh riep weer zeven maal. Dan wordt de dominee aangekondigd en gaat Luuk met die man op de voorgalerij praten, Louise blijft in het huis achter. De dominee zei nietszeggende woorden en ging weer heen. Louise wil naar huis, Luuk brengt haar weg, galante ridder als hij is. “…waardoor de peignoir verder openviel om haar hals” Nou als dat gebeurd valt er wel iets te verwachten, en ja hoor, zij beminnen elkaar. Als Luuk vroeg in de ochtend thuiskomt, verscheurd hij de brief die hij voor Carla heeft klaarliggen. Intussen zat Clara ook niet stil, de oude vriendschap met Anton was “tot vertrouwelijkheid gegroeid”. Als Anton Tommy uitnodigt zijn vakantie bij hem door te brengen gaat Clara mee. Er blijkt ook dat Anton’s verliefdheid uit zijn studententijd dieper en rijker was terug gekeerd. Als zij weer eens terug komen van een wandeling blijkt Tommie een ongeluk gehad te hebben en ligt in zwijm op de bank, verband om zijn hoofd, bloed op de grond, dokter er naast. Tommie was met zijn zeilboot omgeslagen en onder de boot geraakt. Hij kon gelukkig op het nippertje gered worden door twee vissende werklozen. Er moet bij de ijlende Tommie een nachtwake worden ingesteld, een taak die geknipt is voor Anton. Tommie riep zijn vader aan. Clara valt flauw doch wordt door Anton opgevangen. De volgende ochtend komt de vader van Clara langs. Hij heeft een bericht uit Indië bij zich, met de boodschap: Luuk wilde scheiden! Indië had Luuk ingepalmd, volgens de vader van Clara. “Scheiding is verschrikkelijk” zo sprak de oude. Anton werd er vrolijk van want hij zag dat de weg voor hem nu eindelijk vrij leek te komen. Echter als Clara de brief van Luuk leest, die door haar oude vader persoonlijk werd overhandigd, wordt zij wederom verscheurd door twijfels en schuldgevoelens.

Na zes jaar moest Luuk naar Nederland om een erfenisje op te halen. Hij werkt op de kinaonderneming Tjiwiroenta en woont reeds 4 jaar samen met Louise. Door haar kwam zijn ziel nader tot het Oosten. “In zijn lange en zware worsteling keerde telkens weer de vraag terug : Was het goed wat hij deed?” Hij kon het beeld van Clara niet prijs geven aan de vergetelheid. Het beeld dat zo scherp werd toen hij een brief uit Holland kreeg waarin Clara’s sterven werd gemeld. Na de scheiding met Luuk was zij achteruit gegaan, de oude ziekte leek terug gekomen. Zelfs Anton had haar niet kunnen bereiken, zo leefde zij in gedachten in een andere wereld, waarvan men vermoedde dat dit Indië was. Luuk had zijn gehele ziel en zaligheid in de kina gestopt, zijn inzet hebben we al vanaf de eerste pagina van het boek kunnen bewonderen. Hij dacht vaak aan Carla, maar toch had hij bij Louise, de vrouw van het land geluk gevonden. Na 14 jaar onafgebroken in Indië te zijn geweest had hij eigenlijk geen behoefte om naar Holland te gaan. Echter hij wilde Tom wel weer eens ontmoeten. Louise zou meegaan. Nederland was sterk veranderd, er heerste werkloosheid en een matte stemming. “Iedereen klaagde, er sprak moedeloosheid uit veel dingen, een verlammende vermoeidheid.” Louise wilde winkelen, films en tentoonstellingen zien. Luuk wenste concerten te horen en zich in het culturele leven te storten. In Amsterdam wilde Luuk ook Tommie zien, die inmiddels Tom heette. Er kwam een lange jongen de kamer binnen, moeilijk te herkennen na al die jaren, maar toch gaf het een schok om te zien hoezeer hij op Clara leek. Doch de onwennigheid was snel verdwenen. Luuk was aangenaam verrast toen hij Tom’s studiekeus hoorde : Indologie. “t Is je geboorteland, Tom!” zo sprak Luuk. Tom hoopt met zijn studie klaar te zijn voordat de oorlog zou beginnen, dat er oorlog zou komen, daar was men van overtuigd. Tom vermoedde dat hij in Indië veilig zou zitten, hoewel zijn grootvader en Oom Anton hem niet gaarne zouden laten gaan. Tom vertelde over hoe het zijn moeder was vergaan, dat oom Anton haar nog gevraagd had, maar ze had geweigerd. “Ik geloof, Vader, dat zij u nooit kon vergeten.” “Ik hoop van harte, dat jij een vrouw zult vinden, die tegen Indië kàn, Tom!” Enige dagen later leerde Tom Louise kennen, hij was diuidelijk geïmponeerd. De herfst begon , vooral Louise miste de zon. Toen Louise en Luuk naar Overijssel gingen, waar Luuks oom had gewoond en die hem tot enige erfgenaam had benoemd, woedden de ergste najaarsstormen. Spoedig keerden zij weer naar Amsterdam, waar zij verbleven, terug. Doch Louise kon ook niet tegen de armoede die ze in Amsterdam zag, de haveloze kinderen en schurftige bedelaars. Zij had zich Holland als een zonnig en rijk land voorgesteld. Ze besluiten zo spoedig mogelijk naar Indië terug te gaan. Het verliep anders, Louise werd ziek, de dokter stelde een zware longontsteking vast. Het werden moeilijke maanden, Luuk zat uren naast Louise’s bed of dwaalde door Amsterdam vol wroeging over wat hij Clara en Louise had aangedaan. Intussen verlangde hij hevig naar de kinabossen, hij begreep Holland niet meer. Louise genas niet, er kwam een hevige pleuris bij. De doktor vertelde dat het erg slecht met haar ging. Luuk voelde dat hij voor de tweede maal een vrouw zou moeten afstaan aan Nederland. Het had hem Clara ontnomen omdat die alleen hier kon leven, het had hen Louise ontnomen omdat zij er niet kon leven

Voor de derde maal vertrok Luuk naar Indië, naar zijn gevoel dit keer voor goed. Toch had hij het moeilijker met het afscheid dan vorige keren, hij liet er twee dode vrouwen achter. En nog een kind van de eerste en een vage bekentenis van de tweede, want het leek erop dat Louise de hand had gehad in het vertrek uit Indië van Clara. Maar wat precies was Luuk niet achter gekomen, het waren de duistere krachten uit het oosten die hier de hand in hadden gehad. Luuk keerde terug op een vrachtboot, er waren slechts enkele passagiers op het schip. Onder hen een Javaanse edelman, in wiens gezelschap Luuk vaak verkeerde, een lid van de Volksraad en een afstammeling van een Soloos vorstenhuis. Doch hoe droef was het toen Luuk terug in de kinabassen was gekeerd, waar hij zo naar had verlangd. Hij had een auto gekocht en op elke vrije dag joeg hij over Java’s wegen om vrienden en oude kennissen te bezoeken en zijn sombere gedachten te vergeten. Onderweg ontmoet hij in Magelang een Sundaneze regent die bij hem in de buurt woont en hem uitnodigt. Op een dag besluit hij een kijkje te nemen. Regent Koesoemadiwojo woont in een zeer ruime woning, met een uitgebreide stal van ren- en rijpaarden. De regent heeft in zijn menagerie de orang-oetan, die heel vroeger op zijn erf woonde en zo bevriend met Clara was geweest. Plotseling ziet Luuk een jonge vrouw op het erf lopen, de dochter van de jongste vrouw van de regent. Luuk en de regent bespreken nog de politiek in Europa, de mogelijkheden van een nieuwe oorlog en Luuk’s verblijf in Europa. Toen Luuk weer thuis was gekomen was Sitih, de jonge Sundanese huishoudster nog op, hij vroeg haar een paitje in te schenken. Toen Luuk haar zo bekeek “rook hij de melati en andere geuren van de Indische aarde” met andere woorden hij kreeg een beetje trek in deze. Maar Luuk zou onze Luuk niet geweest zijn als hij niet plotseling walgde van zichzelf en vlug aan serieuzere zaken ging denken. Gelukkig had Luuk het ontzettend druk in de kinatuinen, er was veel werk dat hij liever niet aan de mandoers overliet. Hij ging vaak bij de Soendaneze regent op bezoek, bij hem discussieerde hij over het Merdeka-streven. Volgens de regent behoefden de inlanders niets te vrezen zo lang zij maar aan Allah wil gehoorzaamden, dan zou alles wel goed komen. “Intussen joeg het rode paard van de oorlog door Europa.” Toen Luuk op een middag van de kinatuinen terugkeerde vernam Luuk dat de Duitsers Nederland waren binnen gevallen. “Het sloeg Luuk. Dit had hij niet verwacht.” In deze woelige weken heer Luuk terug naar de fam. De Waard, die hij eerder had ontmoet. Toen hij de onderneming naderde passeerde hij een jonge vrouw die met enige kinderen stoeide. Haar gezicht kwam hem bekend voor. Hij werd al opgewacht door zijn gastheer. Binnen praatten zij vooral over wat hen zo bezig hield: Europa in de greep der Teutoonse benden. Luuk genoot van de ligging van het huis, toen hij opeens de kinderen van de familie terug zag komen, onder begeleiding van hun onderwijzeresje. Hij had het goed gezien, het was de jongedame die hij onderweg had ontmoet, de dochter van de regent. Hij keek haar aan en daar was die diepe blik van verstandhouding. “O, dat dit uur kon duren.” Luuk was helemaal hoteldebotel van Soegiarti, zoals zij heette. Terwijl de vlammen der oorlog de oude wereld steeds verder aangrepen bloeide voor Luuk een nieuwe wereld open, de ware schoonheid van het oosten. Luuk werd deze keer niet vervult van de twijfel die hem in het verleden zo regelmatig dwars zat. De regent gaf vrij snel toestemming om haar te huwen, hoewel hij leed had dat zijn dochter de godsdienst der vaderen verwierp voor Christus, dat zou haar wegleiden van adat en eigen volk. Zij trouwden in stilte, Luuk hoopte vurig dat zij Hem ook nog eens zou leren kennen. Met Hem word Hij daarboven bedoeld anders had ik “hem” geschreven.

Het boek loopt zo langzamerhand ten einde, en verwacht de lezer dat Luuk nu eindelijk geluk vindt. Nee hoor, de strijd gaat door, want terug op de onderneming wensen de leidinggevenden niet met Soegiarti kennis te maken, zij was immers een Inlandse. Luuk pikt dit natuurlijk niet en vergelijkt de leiding met een stelletje Duitsers. “Bah, vervloekte rassenwaan! Die schijnheiligheid!” Daarna trok Luuk zich min of meer terug uit het gezelschapsleven op de onderneming, hij meed het hogere personeel. Na nog meer conflicten neemt Luuk zijn ontslag en samen met Soegiarti trekt hij naar Salatiga, alwaar zijn vrouw uit een erfenis een stuk grond bezit. Door haar huwelijk met een Europeaan was het dubieus of zij haar rechten nog kon doen laten gelden, doch ze wagen het erop, desnoods zou zij de grond pachten. Luuk gaat ten rade bij oude kennissen in Batavia en na lang wachten kregen zij te horen dat geen enkele bepaling de in gebruikneming van de grond in de weg stond, Soegiarti was wettig de eigenaresse van de grond. Precies op Kerstfeest komen zij daar aan, uiteraard had dit voor Luuk een diepere betekenis, want hij voelde alsof hij terug naar het paradijs ging, waar Adam en Eva uit verdreven waren. Uiteraard was de locatie schitterend, de grond goed, alles wat ze nodig hadden was aanwezig, de pioniersgeest bij Luuk bloeide weer op. Er ging een jaar voorbij waarin ze bezig waren met de verbouwing van de pondok op de grond tot een riant huis, het bouwen van schuren. Er werden groentebedden gemaakt, de producten werden naar Magelang en Ambarawa verkocht, zelfs naar Semarang, Solo, Klaten en Djokjakarta. Ze waren duur, maar van uitzonderlijk goede kwaliteit, ook veel soorten groenten en vruchten uit de koudere streken, die aftrek bij de Europeanen vonden. Soegiarti werkte hard mee, tot grote verassing van Luuk. Op een gegeven moment bereikte de oorlog ook Indië, Luuk werd opgeroepen voor het Knil waar hij al reserveofficier ging dienen. Hij werd gevangen genomen, kwam in kampen terecht op Java en toen Malakka. Na een vluchtpoging werd hij in Birma tewerk gesteld. Maar omdat hij Soegiarti altijd naast zich voelde kwam hij door de zwaartse periode van zijn leven heen. Op een gegeven moment kon hij terug naar huis, toen hij aankwam zag alles er piekfijn uit, daar had Soegiarti voor gezorgd. Toen hij aankwam zag hij een klein bruin ventje van een jaar of drie. Toen Soegiarti aankwam zei ze: “Freek dit is nou vader!” Dat was natuurlijk een leuke verassing voor Freek. We zitten op de laatste bladzijden van het boek en wachten op het “lang en gelukkig”, dat is Luuk nog niet gegund. Want hij krijgt nog met een groepje “Merdeka” roepende vrijheidsstrijders te maken, die onder leiding stonden van een oudere Madurees. Een oude bekende in dit verhaal. Gelukkig weet Luuk zich te beheersen en krijgt het geweest van de Madurees te pakken. Daarmee schiet hij de man morsdood. We zijn er nog niet. Er komt nog een brief uit Holland waarin geschreven wordt dat zoon Tom niet meer was, hij had in het verzet gezeten en darbij het leven gelaten. Daarmee was Luuk’s laatste band met het westen verbroken. Afijn God had hem deze plaats en een mooie vrouw toebedeeld en kon na alle ellende het “lang en gelukkig” zijn aanvang nemen, niet voordat de tokeh nog even zeven malen riep. Dat is het einde van dit boek dat tussen 1938 en 1947 te Wassenaar is geschreven.

Voor mij is dit verhaal net een sinetron, kan zo op de TV in Indonesië. Zou misschien een verademing zijn, de koloniale geschiedenis op zijn kop, een goede Belanda. Een Belanda wiens leven ook een tranentrekker is, doch op het eind komt alles goed.

in de ban van de tropen
In de ban van de tropen door Piet Korthuys
Met illustraties van Gerard Pieter Adolfs
Uit de Spiegelserie van N.V. Gebr. Zomer & Keunings Uitgeversmaatschappij – Wageningen - 1947 - 208 pagina’s waarvan 20 tekeningen
_____________________________

Wat bijzonder in dit boek is dat het geĂŻllustreerd is met 20 zeer zwarte pentekeningen, waarschijnlijk in Oost Indische inkt. Persoonlijk vind ik ze heel erg lelijk, maar ja het boek was gratis dus deze tekeningen ook. Hieronder een enigszins draaglijke

indeban_tekening

De tekeningen zijn gemaakt door Gerard Pieter Adolfs, gooien wij deze naam in de Google dan zien we dat het een niet onbekende artiest is: Hier een website over de artiest


Gerard Pieter Adolfs, born 1898 in Semarang, spends his youth in Java and receives at home his first artistic inspirations. His father, Gerardus Cornelis Adolfs, is an all-round amateur (painter, photographer, pianist and violinist).Adolfs studies architecture in Holland and constructs houses. But soon he changes the drawing-pen with etching pin, crayon and pencil.
Hier een schilderij van Adolfs:

Rice harvest
Rice harvest Java 1964 oil on canvas 40 x 30 cm


Het is duidelijk herkenbaar, ook dit vind ik niet mooi,
de verf ligt er te dik op naar mijn smaak, lijkt wel plamuur.

___________________________________________________

Ik ben op het net ook even op zoek gegaan op de naam van de schrijver:
Van DBNL – Digitale bibliotheek voor de Nederlandse letteren.
Piet Korthuys
Korthuys, Piet -, Chr. romanschrijver en criticus.

- Verzeild bestek (Kok, Kampen 1939) was het tweede lustrumboek van de Christelijke Auteurskring, met bijdragen van de leden Adel Anckersmith (= Hk. Mulder), Bert Bakker, G. van Bokhorst, Hein de Bruin, Jan H. Eekhout, J.K van Eerbeek, Jan H. de Groot, Roel Houwink, Joh. van Hulzen, Muus Jacobse, Jo Kalmijn-Spierenburg, Gerrit Kamphuis, Piet Korthuys, Hendrika Kuyper-van Oordt, Ignatia Lubeley, Willem de Mérode, G. Mulder, Hk. Mulder, Mary Pos, H.M. van Randwijk, P.J. Risseeuw, C. Rijnsdorp, Rie van Rossum, Fedde Schurer, G. Sevensma-Themmen, Totius, Anne de Vries, A. Wapenaar en Wilma. Het eerste lustrumboek was Het heerlijk ambacht (Callenbach, Nijkerk 1934).

-Piet Korthuys (1898-1993) was journalist en schrijver en werkte na de oorlog als attaché voor pers- en culturele zaken bij de Nederlandse ambassade in Zuid-Afrika. Hij debuteerde in Opwaartsche Wegen, jg. 4 nr. 10, dec. 1926 onder het pseudoniem Willem Evers. In het HDC worden vele brieven van hem bewaard.

-Piet Korthuys publiceerde onder de naam Willem Evers in Opwaartsche Wegen, jg. 10 nr. 10, dec. 1932, een fragment van zijn roman in wording Wijkende wegen. Hij schreef ook jeugdboeken.

Hij leefde van 1898 tot 1993 en is dus behoorlijk oud geworden, 95 jaar.

Van Damescompartiment:

Tine Bonnema
(1880-1952)

Met haar echtgenoot, de accountant W. de Vries Gzn reisde ze in 1911 naar Indië waar ze op Batavia kwamen te wonen. Samen kregen ze twee kinderen, een dochtertje Paula en haar broer Willy. Terwijl haar man een bekend figuur werd in de gereformeerde kerkenraad van Batavia (destijds bekend als de Kwitang-gemeente), was Tine het sociale hart van dezelfde gemeenschap. Hun grote huis werd een trefpunt voor Europees-Indische kringen, vol christelijke gezelligheid van gesprekken en zangavonden. Eén van de bezoekers, de schrijver Piet Korthuys, herinnerde zich: "Ze was niet tevreden als de bezoekers maar zoet en gezapig heen de avond in dezelfde stoel bleven zitten; ze trommelde ze op bij de piano om te zingen, ze bracht de een met de ander in contact, ze liet niemand zich eenzaam voelen. Wij, jongeren, stonden versteld van haar vitaliteit in het tropische klimaat.


Reacties

Hi Lon,
Wat een tranentrekker dit boek. So sielig seh aduh. Hoe heb je het voor elkaar gekregen om zo'n uitgebreid uittreksel te maken van dit boek.
Misschien toch een beetje verlangen naar het ongeregelde leven hetgeen mij altijd fascineerd als ik daar ben?
Leven tussen twee werelden is zowel aantrekkelijk als verwarrend in mijn ogen.
Groetjes, Peter.
30 juli 2008 21:40:09
“Hoe heb je het voor elkaar gekregen om zo'n uitgebreid uittreksel te maken van dit boek.”

Ik heb het onlangs voor de derde maal gelezen ;-) en ik had eens zin om een uittsreksel van een boek te maken. Ik vind het zo een stuk kitsch dat het mooi wordt. Ik weet 't, 't is gevaarlijk.

Gruces
30 juli 2008 21:50:00
Ach Lon we herkennen er natuurlijk allemaal elementen in die in ons verblijf in Indie ook gekleurd hebben...natuur...Indische vrouwen...conflicten met de inlanders...het bekrompen nederland etc. Het is misschien geschreven als een sinetron maar het blijft een feest van herkenning.
30 juli 2008 23:26:58
Hi Kimi,

Er zullen zich Anno 2008 genoeg drama’s tussen NL en RI afspelen die te vergelijken zijn. We horen daar echter weinig tot niets over. De meeste drama’s zullen zich op een meer platvloerse wijze afspelen dan die in dit boek zijn beschreven. De schrijver weet veel van Indië, dat merk je in de details. Hij heeft er gewoond. De moderne verhalen die je af en toe ter ore komen zijn gevuld met materie en geld, zonder enig oog voor de omgeving, die ook niet meer zo imposant is als toen, want draagt de sporen van exploitatie en vernieling.
31 juli 2008 09:21:58
Hi
I apologuse for not reading Dutch, do you speak English or French?? I am trying to track down a Javanese/Indian artist called Melati active in 1911-17

Is this a reference to her??
Toen Luuk weer thuis was gekomen was Sitih, de jonge Sundanese huishoudster nog op, hij vroeg haar een paitje in te schenken. Toen Luuk haar zo bekeek “rook hij de melati en andere geuren van de Indische aarde
21 november 2008 01:57:15
Melati is a flower in this sentence (jasmine) there is a female writer called Melati van Java, search the internet on this name and you will find a lot about her.
24 november 2008 12:30:56
Clara leed aan Tropische Spruw (of sprue), daar weet ik alles van want ik vecht het al 8 jaar uit met die ziekte (in Bandung). In Clara's tijd gaf men dan vitamine b12 en folium zuur tegenwoordig krijg je dan doxycycline, geneest alleen als je weg blijft uit de tropen, doxycycline geneest het tot je weer ge-herinfecteerd wordt...
01 juni 2010 13:50:10

Uw reactie

: :

Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.