Reacties
Ed Vos schreef:
Rudy Kousbroek schrijft nog steeds een column in het glossy tijdschriift Archipel.
Dit is een tijdschrift waarin ik af en toe blader, maar ik leg het weer even makkelijk terug in het schap: mij te Indisch.
Dit is een tijdschrift waarin ik af en toe blader, maar ik leg het weer even makkelijk terug in het schap: mij te Indisch.
21 september 2008 11:49:51
Londoh schreef:
Ik kon het wel waarderen dat die Rudy K. de Indo's de grootste klagers van Indie vond, vooral zelfbeklag.
21 september 2008 14:02:11
Ed Vos schreef:
Slachtofferschap is nog steeds in. Heroisch toch, om slachtoffer te zijn van de omstandigheden. In Nederland door Omstandighede. Misschien levert het wel iets op.
Ruud Abma
Kousbroeks rationele therapie
‘Slachtofferschap is in. Het verovert de wereld.' Zo opent Rudy Kousbroek het derde deel van zijn bundel Het Oostindisch kampsyndroom. Kousbroek heeft het in dit deel vooral over Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de ‘Jappenkampen' hebben gezeten. Over hun lotgevallen zijn de afgelopen decennia tal van publicaties verschenen, die Kousbroek, zelf ex-kampbewoner, kritisch tegen het licht houdt. In veel gevallen staat de inhoud of teneur van de publicaties volgens Kousbroek op gespannen voet met de waarheid, en worden de verschrikkingen van deze kampen overdreven. Hij baseert zich bij zijn kritiek niet alleen op zijn eigen ervaringen, maar ook op ooggetuigeverslagen van anderen en officiële bronnen.
Een van de suggesties waartegen hij zich herhaaldelijk keert is dat de Jappenkampen in ellende zouden kunnen wedijveren met de concentratiekampen van de Nazi's. Een auteur die meldt dat hij in het ‘Bergen-Belsen van Azië' heeft gezeten, krijgt door Kousbroek de sterftecijfers voorgeschoteld: in het betreffende Indische kamp (waarin hij zelf één jaar zat) is 6% van de geïnterneerden omgekomen, in Bergen-Belsen 70%. Maar, zo voegt hij er aan toe, het gaat niet om een verschil in graad, maar om een verschil in soort: de Duitse kampen waren vernietigingskampen, en in de Indische kampen, hoe ellendig ook, was van systematische uitroeiing geen sprake. En zo komen er in de geschriften en verhalen van ex-kampgevangenen uit Indië tal van kwesties aan de orde waarbij volgens Kousbroek de juiste proporties uit het oog zijn verloren.
Waarom doen deze mensen dat, zo vraagt hij zich af, en waarom zijn de reacties zo heftig als de Jappenkampen ter sprake worden gebracht? Duidelijk is dat er sprake is van een diepgewortelde haat tegen de Japanners, die de gevangenen dwongen om te ‘buigen in naam van de keizer'. De haat is des te dieper omdat de geïnterneerden eigenlijk neerkeken op het volk waardoor ze geknecht werden. Dit leidt ertoe dat ook in de huidige tijd de Japanners geen goed meer kunnen doen: wanneer het na veel aandringen tot een officiële Japanse spijtbetuiging komt, wordt deze als onoprecht getypeerd. Kousbroek citeert een van de zegslieden: ‘Je moet de Jappen kennen om te weten wat er achter hun glimlach zit die er zo vriendelijk uitziet.'
Dit is echter maar een deel van de verklaring. Een andere factor betreft de strijd om erkenning van het leed die de kampslachtoffers moesten voeren bij hun terugkeer in Nederland: de Nederlandse regering bleek niet bereid tot enige substantiële financiële hulp aan de slachtoffers. Maar hun lot werd ook overschaduwd door dat van de slachtoffers van Nazi-Duitsland, waarmee de Nederlandse bevolking eerder en veel indringender geconfronteerd werd. De door de Japanners veroorzaakte ellende werd daardoor vrijwel genegeerd, en Kousbroek kan de daaruit voortvloeiende gegriefdheid billijken, al houdt hij ook hier de proporties in het oog: ‘Het probleem is namelijk reëel. Gevoelens zijn niet te meten. Het is letterlijk waar dat niemand weet wat je doormaakt als je je been breekt. En het is inderdaad een ellende als niemand er notitie van neemt, omdat iemand anders verlamd in een wagentje zit.' (p.366-367)
Maar Kousbroek hekelt ook de meer algemene cultuur van het slachtofferschap die in de afgelopen decennia is ontstaan, en spreekt zonder omwegen over de ‘aantrekkelijkheid’ van het slachtofferschap: het biedt behalve de mogelijkheid van materiële claims ook psychologische voordelen. Hij noemt er twee. De eerste betreft de mogelijkheid van attributie: ‘De meeste mensen hebben nu eenmaal de neiging hun successen aan eigen verdienste, maar hun mislukkingen aan uitwendige omstandigheden toe te schrijven. Van alle alibi's voor eigen fouten en tekortkomingen is het slachtofferschap onovertroffen in effectiviteit. Slapeloos? Gedeprimeerd? Huwelijk mislukt? Voor examen gezakt? Bang voor de tandarts? Weinig ex-geïnterneerden weerstaan de verleiding het aan hun kampervaringen te wijten (...).' (p.299)
Het tweede psychologische voordeel is dat van immunisering: de status van slachtoffer vrijwaart van kritiek en tegenspraak - slachtoffers hebben altijd gelijk. Wie hun verhalen ter discussie stelt kwetst hen in hun diepste gevoelens en krijgt daarvoor de rekening gepresenteerd, zoals Kousbroek zelf bij herhaling heeft mogen ondervinden. Kousbroeks voornaamste grief is ‘dat de voortdurende intimidatie door de Indische oorlogsslachtoffers dat zij "in hun leed worden gekwetst" iedere redelijke discussie onmogelijk heeft gemaakt, zodat de werkelijke proporties nu volkomen zoek zijn'. (p.298)
Voor het vervolg zie elders op internet
http://www.fss.uu.nl/asw/abma? ( rubriek 'Artikelen' bij het jaar 1995)
Ruud Abma
Kousbroeks rationele therapie
‘Slachtofferschap is in. Het verovert de wereld.' Zo opent Rudy Kousbroek het derde deel van zijn bundel Het Oostindisch kampsyndroom. Kousbroek heeft het in dit deel vooral over Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog in de ‘Jappenkampen' hebben gezeten. Over hun lotgevallen zijn de afgelopen decennia tal van publicaties verschenen, die Kousbroek, zelf ex-kampbewoner, kritisch tegen het licht houdt. In veel gevallen staat de inhoud of teneur van de publicaties volgens Kousbroek op gespannen voet met de waarheid, en worden de verschrikkingen van deze kampen overdreven. Hij baseert zich bij zijn kritiek niet alleen op zijn eigen ervaringen, maar ook op ooggetuigeverslagen van anderen en officiële bronnen.
Een van de suggesties waartegen hij zich herhaaldelijk keert is dat de Jappenkampen in ellende zouden kunnen wedijveren met de concentratiekampen van de Nazi's. Een auteur die meldt dat hij in het ‘Bergen-Belsen van Azië' heeft gezeten, krijgt door Kousbroek de sterftecijfers voorgeschoteld: in het betreffende Indische kamp (waarin hij zelf één jaar zat) is 6% van de geïnterneerden omgekomen, in Bergen-Belsen 70%. Maar, zo voegt hij er aan toe, het gaat niet om een verschil in graad, maar om een verschil in soort: de Duitse kampen waren vernietigingskampen, en in de Indische kampen, hoe ellendig ook, was van systematische uitroeiing geen sprake. En zo komen er in de geschriften en verhalen van ex-kampgevangenen uit Indië tal van kwesties aan de orde waarbij volgens Kousbroek de juiste proporties uit het oog zijn verloren.
Waarom doen deze mensen dat, zo vraagt hij zich af, en waarom zijn de reacties zo heftig als de Jappenkampen ter sprake worden gebracht? Duidelijk is dat er sprake is van een diepgewortelde haat tegen de Japanners, die de gevangenen dwongen om te ‘buigen in naam van de keizer'. De haat is des te dieper omdat de geïnterneerden eigenlijk neerkeken op het volk waardoor ze geknecht werden. Dit leidt ertoe dat ook in de huidige tijd de Japanners geen goed meer kunnen doen: wanneer het na veel aandringen tot een officiële Japanse spijtbetuiging komt, wordt deze als onoprecht getypeerd. Kousbroek citeert een van de zegslieden: ‘Je moet de Jappen kennen om te weten wat er achter hun glimlach zit die er zo vriendelijk uitziet.'
Dit is echter maar een deel van de verklaring. Een andere factor betreft de strijd om erkenning van het leed die de kampslachtoffers moesten voeren bij hun terugkeer in Nederland: de Nederlandse regering bleek niet bereid tot enige substantiële financiële hulp aan de slachtoffers. Maar hun lot werd ook overschaduwd door dat van de slachtoffers van Nazi-Duitsland, waarmee de Nederlandse bevolking eerder en veel indringender geconfronteerd werd. De door de Japanners veroorzaakte ellende werd daardoor vrijwel genegeerd, en Kousbroek kan de daaruit voortvloeiende gegriefdheid billijken, al houdt hij ook hier de proporties in het oog: ‘Het probleem is namelijk reëel. Gevoelens zijn niet te meten. Het is letterlijk waar dat niemand weet wat je doormaakt als je je been breekt. En het is inderdaad een ellende als niemand er notitie van neemt, omdat iemand anders verlamd in een wagentje zit.' (p.366-367)
Maar Kousbroek hekelt ook de meer algemene cultuur van het slachtofferschap die in de afgelopen decennia is ontstaan, en spreekt zonder omwegen over de ‘aantrekkelijkheid’ van het slachtofferschap: het biedt behalve de mogelijkheid van materiële claims ook psychologische voordelen. Hij noemt er twee. De eerste betreft de mogelijkheid van attributie: ‘De meeste mensen hebben nu eenmaal de neiging hun successen aan eigen verdienste, maar hun mislukkingen aan uitwendige omstandigheden toe te schrijven. Van alle alibi's voor eigen fouten en tekortkomingen is het slachtofferschap onovertroffen in effectiviteit. Slapeloos? Gedeprimeerd? Huwelijk mislukt? Voor examen gezakt? Bang voor de tandarts? Weinig ex-geïnterneerden weerstaan de verleiding het aan hun kampervaringen te wijten (...).' (p.299)
Het tweede psychologische voordeel is dat van immunisering: de status van slachtoffer vrijwaart van kritiek en tegenspraak - slachtoffers hebben altijd gelijk. Wie hun verhalen ter discussie stelt kwetst hen in hun diepste gevoelens en krijgt daarvoor de rekening gepresenteerd, zoals Kousbroek zelf bij herhaling heeft mogen ondervinden. Kousbroeks voornaamste grief is ‘dat de voortdurende intimidatie door de Indische oorlogsslachtoffers dat zij "in hun leed worden gekwetst" iedere redelijke discussie onmogelijk heeft gemaakt, zodat de werkelijke proporties nu volkomen zoek zijn'. (p.298)
Voor het vervolg zie elders op internet
http://www.fss.uu.nl/asw/abma? ( rubriek 'Artikelen' bij het jaar 1995)
21 september 2008 16:06:14
Londoh schreef:
Als het in het boek zo omschreven stond als hier boven samengevat is dan zou ik zeggen "Uitstekend", maar die Kousbroek doet alsof ie zelf een Japanner is en dat er helemaal geen leed geleden mag worden als mensen door de Japanners gevangen genomen zijn geweest. Dat vind ik veel tever gaan, want er zijn daar vreselijke dingen gebeurd en er zijn veel mensen gestorven. Het heeft veel weg van trappen naar slachtoffers als je het boek leest, en dat trappen gaat meer dan 100 pagina's, als het er geen 200 zijn, maar door en door, hoogst irritant en vooral onleesbaar. Misschien is het wel zijn manier van verwerken, is zijn goede recht, maar ik hoef het niet te lezen. Gelukkig heb ik het boek 2e hands gekocht, zodat hij er geen dubbeltje aan verdiend.
Ik heb mijn eigen mening over dit boek geschreven, daarvoor heb ik geen andere recensies geraadpleegd. Ik heb Kousbroek op sommige punten gelijk gegegevn, maar wat mij vooral stoort is zijn irritante manier van schrijven, die op een gegeven moment het boek gaat beheersen, beter gezegd overheersen. Dat op een manier die de tegenpartij, dus de mensen die zo hebben geleden naar hun zeggen op precies dezelfde manier doet. Het lijkt op een Sidia die 24 uur is gekookt en helemaal is ingedikt tot je reinste vergif
Ik heb mijn eigen mening over dit boek geschreven, daarvoor heb ik geen andere recensies geraadpleegd. Ik heb Kousbroek op sommige punten gelijk gegegevn, maar wat mij vooral stoort is zijn irritante manier van schrijven, die op een gegeven moment het boek gaat beheersen, beter gezegd overheersen. Dat op een manier die de tegenpartij, dus de mensen die zo hebben geleden naar hun zeggen op precies dezelfde manier doet. Het lijkt op een Sidia die 24 uur is gekookt en helemaal is ingedikt tot je reinste vergif
21 september 2008 16:21:44
Londoh schreef:
Hier een Belgische recensie, wellicht objectief:
"Kousbroek neemt het kampsyndroom als ziekteverschijnsel bijzonder scherp op de korrel. Hij schrijft behartenswaardige zaken over de aantrekkelijkheid van het slachtofferschap. De Indische ex-geïnterneerden hebben zich vastgebeten in het slachtofferschap, dat geen nuancering duldt. Het waarborgt onomstotelijk gelijk, erkenning, alibi's voor eigen tekortkomingen en vaak ook nog centen. Ãlle klachten worden teruggevoerd op het kampverleden. Psychiaters en welzijnswerkers werken dit in de hand, 'de paradox ontstaat dat iemand eigenlijk alleen maar normaal is als hij toegeeft dat hij ziek is'. Causale verbanden worden meer verondersteld dan aangetoond en het syndroom wordt uitgebreid tot de zoveelste generatie."
Verder : http://www.serendib.be/gievandenberghe/artikels/oostindischkampsyndroom.htm
"Kousbroek neemt het kampsyndroom als ziekteverschijnsel bijzonder scherp op de korrel. Hij schrijft behartenswaardige zaken over de aantrekkelijkheid van het slachtofferschap. De Indische ex-geïnterneerden hebben zich vastgebeten in het slachtofferschap, dat geen nuancering duldt. Het waarborgt onomstotelijk gelijk, erkenning, alibi's voor eigen tekortkomingen en vaak ook nog centen. Ãlle klachten worden teruggevoerd op het kampverleden. Psychiaters en welzijnswerkers werken dit in de hand, 'de paradox ontstaat dat iemand eigenlijk alleen maar normaal is als hij toegeeft dat hij ziek is'. Causale verbanden worden meer verondersteld dan aangetoond en het syndroom wordt uitgebreid tot de zoveelste generatie."
Verder : http://www.serendib.be/gievandenberghe/artikels/oostindischkampsyndroom.htm
21 september 2008 20:27:03
Londoh schreef:
Er zal in Indische kringen wel met tevredenheid zijn gereageerd nu er een nieuwe Japanse premier met de naam Aso is gekozen.
22 september 2008 13:03:37
Dangdude schreef:
Hi Lon,
De naam Rudy Kousbroek zag ik staan en dan wordt er altijd iets in mij geprikkeld, waarom weet ik eigenlijk niet. Een jaar of tien geleden was ik op de Pasar Malam in Den Haag en daar zat hij toen in een schrijversforum samen met Paula Gomes en ik meen Corrie Bos, op vragen in te gaan van het publiek. Hij kwam op mij over als een ouwe brombeer, meer een galbak eigenlijk. Wars van alles wat met ons (Nederlands) idee van ‘Tempo Doeloe’ van doen heeft ontzenuwde hij mensen die met hun weemoedige herinneringen het verleden mooier probeerden te maken dan het in werkelijkheid was. Over zijn meest recente trip in het moderne Indonesië had hij bijna geen goed woord voor over. Wie nog iets zou willen zien van het oude Indie zou volgens hem veel beter Maleisië kunnen bezoeken dan dat vuile en vieze Indonesië. Hij klaagde dat als hij tijdens zijn bezoek aan Jakarta iets over een oud gebouw wilde weten er niemand te vinden was die er iets van af wist. Dat was kennelijk te vermoeiend voor die bruintjes die liever kretekjes roken dan zich ergens in te verdiepen, volgens onze mopperaar. En terecht was hij ontstemt over de erbarmelijke staat van veel van die monumentale gebouwen in de hoofdstad. De meisjes gingen meer en meer gesluierd en het land kreeg steeds meer en meer Arabeske trekken.
Pas daarna heb ik zij boek Het Oostindisch Kampsyndroom gelezen en ik vond zijn theorieën wel aannemelijk klinken. De pennenstrijd die er destijds was tussen hem en auteur Jeroen Brouwers zullen velen nog goed herinneren. De laatste auteur die zijn jeugdervaringen in een ´Jappenkamp´ middels zijn roman ´Bezonken Rood´ had geformuleerd als zijnde een hel op aarde, trok aardig van leer tegen de ontkennende toon van Kousbroek. Voor mij zal de waarheid ergens in het midden liggen, omdat ik zoveel soorten verhalen over die tijd gelezen heb . Rudy vond ook dat Jeroen te jong moest zijn geweest om alles goed te kunnen herinneren en mogelijk zou zijn geheugen hem misleid hebben.
Mooier vond ik zijn boek `Terug Naar Negeri Pan Erkoms´ waarin hij naar plekken uit zijn jeugd in Sumatra teruggaat. In het boek staan bepaalde gebouwen op foto´s uit die tijd afgebeeld met daarnaast zoals het anno 1994 was gesteld. Oude herinneringen komen boven en soms lijkt onze ouwe brombeer menselijke trekjes te vertonen. Op sommige van die plekken ben ik ook eens geweest, zoals in het Siantar Hotel te Pematang Siantar. De sfeer die Kousbroek beschreef van zowel voor de oorlog als in 1994 leek toen ik daar was nog aanwezig te zijn. Ook de ex Provo auteur Hans Plomp was door dit werk geinspireerd toen hij zij recente reisverslag ´Retourtje Tropen´ schreef. Al met al heeft Kousbroek toch een apart plekje bij mij.
Mzzl
De naam Rudy Kousbroek zag ik staan en dan wordt er altijd iets in mij geprikkeld, waarom weet ik eigenlijk niet. Een jaar of tien geleden was ik op de Pasar Malam in Den Haag en daar zat hij toen in een schrijversforum samen met Paula Gomes en ik meen Corrie Bos, op vragen in te gaan van het publiek. Hij kwam op mij over als een ouwe brombeer, meer een galbak eigenlijk. Wars van alles wat met ons (Nederlands) idee van ‘Tempo Doeloe’ van doen heeft ontzenuwde hij mensen die met hun weemoedige herinneringen het verleden mooier probeerden te maken dan het in werkelijkheid was. Over zijn meest recente trip in het moderne Indonesië had hij bijna geen goed woord voor over. Wie nog iets zou willen zien van het oude Indie zou volgens hem veel beter Maleisië kunnen bezoeken dan dat vuile en vieze Indonesië. Hij klaagde dat als hij tijdens zijn bezoek aan Jakarta iets over een oud gebouw wilde weten er niemand te vinden was die er iets van af wist. Dat was kennelijk te vermoeiend voor die bruintjes die liever kretekjes roken dan zich ergens in te verdiepen, volgens onze mopperaar. En terecht was hij ontstemt over de erbarmelijke staat van veel van die monumentale gebouwen in de hoofdstad. De meisjes gingen meer en meer gesluierd en het land kreeg steeds meer en meer Arabeske trekken.
Pas daarna heb ik zij boek Het Oostindisch Kampsyndroom gelezen en ik vond zijn theorieën wel aannemelijk klinken. De pennenstrijd die er destijds was tussen hem en auteur Jeroen Brouwers zullen velen nog goed herinneren. De laatste auteur die zijn jeugdervaringen in een ´Jappenkamp´ middels zijn roman ´Bezonken Rood´ had geformuleerd als zijnde een hel op aarde, trok aardig van leer tegen de ontkennende toon van Kousbroek. Voor mij zal de waarheid ergens in het midden liggen, omdat ik zoveel soorten verhalen over die tijd gelezen heb . Rudy vond ook dat Jeroen te jong moest zijn geweest om alles goed te kunnen herinneren en mogelijk zou zijn geheugen hem misleid hebben.
Mooier vond ik zijn boek `Terug Naar Negeri Pan Erkoms´ waarin hij naar plekken uit zijn jeugd in Sumatra teruggaat. In het boek staan bepaalde gebouwen op foto´s uit die tijd afgebeeld met daarnaast zoals het anno 1994 was gesteld. Oude herinneringen komen boven en soms lijkt onze ouwe brombeer menselijke trekjes te vertonen. Op sommige van die plekken ben ik ook eens geweest, zoals in het Siantar Hotel te Pematang Siantar. De sfeer die Kousbroek beschreef van zowel voor de oorlog als in 1994 leek toen ik daar was nog aanwezig te zijn. Ook de ex Provo auteur Hans Plomp was door dit werk geinspireerd toen hij zij recente reisverslag ´Retourtje Tropen´ schreef. Al met al heeft Kousbroek toch een apart plekje bij mij.
Mzzl
22 september 2008 20:14:08
Londoh schreef:
Hi Jan,
Jij hebt het boek gelezen dus je weet precies waar het over gaat, daarom heb ik met veel interesse je stukje gelezen. Het was voor mij mijn eerste Kousbroekboek, misschien ook niet de juiste keuze, echter voor mij is het kopen van iets te lezen altijd een op impulsen gebaseerde beslissing en toen mij genoemd boek werd aangeboden dacht ik “Jaâ€. Als je Kousbroek in huis haalt dan weet je dat je te doen gaat krijgen met een notoire kankerpit. Dat is overigens iets dat ik verre van onaangenaam vind. Zijn boek heeft mij voor een groot gedeelte zeer geboeid en was ik het ook wel eens met zijn afwijzing van de vergelijking tussen de Duitste en Japanse interneringskampen. De eerste waren vernietigingskampen de tweede niet. Persoonlijk erger ik me ook vaak aan de nazaten van de Indische Nederlanders die zo nodig de herinnering aan die tijd zo nodig en hoog in ere wensen te houden en daartoe de verhalen naar welke zij in hun jeugd maar half beluisterd hadden, als deze verhalen sowieso verteld werden en nu daar een eigen zwaar aangedikte versie van geven. Ik verafschuw dat, want het heeft niets meer met hetgeen daar werkelijk gebeurd is te maken. Een van de verhalen die graag verteld worden is dat men indertijd gered is dooor de Amerikaanse atoombommen op Nagasaki en Hirosjima, nou dat vind ik toch van een grofheid. Er wordt beweerd dat als die bommen niet waren gevallen niemand het had na kunnen vertellen. Op zo een mement ben ik dan geneigd te denken, wat jammer nou dat die Amerikanen niet een paar weken hadden gewacht, dan had dit soort verhaaltjes de wereld nooit bereikt.
De pennenstrijd tussen Kousbroek en Brouwers heb ik gemist, toen deze woedde bevond ik me al in het v/m Indië. Ik denk dat er veel van in het boek staat, in het gedeelte waar ik ben gestopt. Ik ben ook niet abrupt gestopt maar ben wat pagina’s vooruit gegaan en heb zelfs twee pagina’s gelezen die wel 75 pagina’s verder lagen, die gaven mij geen hoop, dus dicht het boek. Misschien dat ik later het nog eens ter hand neem. Het is overgens wel zo dat liefhebbers van literatuur met Nederlands Indië als onderwerp een onevenredig grote portie Japanse interneringskampen krijgen voorsgeschoteld. Ik heb af en toe de neiging om stukken boek over te slaan en te denken: “Ik weet het nu wel!â€. Twee boeken die ik nog niet zo lang geleden heb gelezen “Rode Aarde†dat ik hier ergens heb besproken en "Ibu Maluku - The story of Jeanne van Diejen–Roemen" hadden beiden een hoog kampgehalte. In het laatste werden er kampen in Pare-Pare en in de buurt van Makassar omschreven, die ik al kende uit "Ontglipt verleden" de twee-delige autobiografie van Jan van Baal, ex-gouverneur van Nederlands Nieuw Guinea. Die Japanse kampen waren het einde van Indië, voor veel Indische Nederlanders is dat, en de al even traumatische Bersiaptijd, het laatste wat ze in dat land hebben meegemaakt. Zo een dramatisch afscheid blijft natuurlijk in het geheugen gegrift staan. Verschijnen er levensverhalen of herinneringen die zich in Indië hebben afgespeeld dan zal de lezer een portie van dat "Japanse eten" op zijn bord krijgen of hij nou wil of niet. Die portie kamp is vaak onevenredig groot in verhouding met de rest die je voorgeschoteld krijgt. Daarom vond ik de manier waarop Kousbroek deze tijd omschreef in het begin verademend. Echter Kousbroek is een man die alles zo goed weet, als je ziet wat hij allemaal gestudeerd heeft dan wordt je als gewone man een beetje duizelig. Ik stel me ook een man voor die als hij niet slaapt zich in zijn immense studeerkamer bevindt, aan vier wanden boeken tot aan het plafond, alleen de deur is vrij. Door de gehele kamer en op het bureau papieren en opengeslagen boeken, niet chaotisch maar keurig georganiseerd. Daar zit Rudy te studeren, te schrijven en vooral alles beter te weten dan de gewone sterveling.
Ik sluit ook niet uit dat ik nog wel eens iets van hem ga lezen, zeker als het over Indië gaat. Dat door jou genoemde boek “Terug Naar Negeri Pan Erkoms†bijvoorbeeld. Overigens heb je dat fout geschreven, het is : Terug Naar Negri Pan Erkomsâ€, Negri met 1x e. Als je de eerste titel in de zoekmachine gooit dan krijg je wat je zelf daar over geschreven hebt. Bij de tweede titel een banjir aan 2e hands exemplaren., hetzelfde merkte ik bij het "Oostindisch kampsyndroom". Zou het soms zo zijn dat lezers van een Kousbroekboek het op een gegeven moment erg graag de deur uit willen hebben?
Wordt vast nog wel eens vervolgd.
Jij hebt het boek gelezen dus je weet precies waar het over gaat, daarom heb ik met veel interesse je stukje gelezen. Het was voor mij mijn eerste Kousbroekboek, misschien ook niet de juiste keuze, echter voor mij is het kopen van iets te lezen altijd een op impulsen gebaseerde beslissing en toen mij genoemd boek werd aangeboden dacht ik “Jaâ€. Als je Kousbroek in huis haalt dan weet je dat je te doen gaat krijgen met een notoire kankerpit. Dat is overigens iets dat ik verre van onaangenaam vind. Zijn boek heeft mij voor een groot gedeelte zeer geboeid en was ik het ook wel eens met zijn afwijzing van de vergelijking tussen de Duitste en Japanse interneringskampen. De eerste waren vernietigingskampen de tweede niet. Persoonlijk erger ik me ook vaak aan de nazaten van de Indische Nederlanders die zo nodig de herinnering aan die tijd zo nodig en hoog in ere wensen te houden en daartoe de verhalen naar welke zij in hun jeugd maar half beluisterd hadden, als deze verhalen sowieso verteld werden en nu daar een eigen zwaar aangedikte versie van geven. Ik verafschuw dat, want het heeft niets meer met hetgeen daar werkelijk gebeurd is te maken. Een van de verhalen die graag verteld worden is dat men indertijd gered is dooor de Amerikaanse atoombommen op Nagasaki en Hirosjima, nou dat vind ik toch van een grofheid. Er wordt beweerd dat als die bommen niet waren gevallen niemand het had na kunnen vertellen. Op zo een mement ben ik dan geneigd te denken, wat jammer nou dat die Amerikanen niet een paar weken hadden gewacht, dan had dit soort verhaaltjes de wereld nooit bereikt.
De pennenstrijd tussen Kousbroek en Brouwers heb ik gemist, toen deze woedde bevond ik me al in het v/m Indië. Ik denk dat er veel van in het boek staat, in het gedeelte waar ik ben gestopt. Ik ben ook niet abrupt gestopt maar ben wat pagina’s vooruit gegaan en heb zelfs twee pagina’s gelezen die wel 75 pagina’s verder lagen, die gaven mij geen hoop, dus dicht het boek. Misschien dat ik later het nog eens ter hand neem. Het is overgens wel zo dat liefhebbers van literatuur met Nederlands Indië als onderwerp een onevenredig grote portie Japanse interneringskampen krijgen voorsgeschoteld. Ik heb af en toe de neiging om stukken boek over te slaan en te denken: “Ik weet het nu wel!â€. Twee boeken die ik nog niet zo lang geleden heb gelezen “Rode Aarde†dat ik hier ergens heb besproken en "Ibu Maluku - The story of Jeanne van Diejen–Roemen" hadden beiden een hoog kampgehalte. In het laatste werden er kampen in Pare-Pare en in de buurt van Makassar omschreven, die ik al kende uit "Ontglipt verleden" de twee-delige autobiografie van Jan van Baal, ex-gouverneur van Nederlands Nieuw Guinea. Die Japanse kampen waren het einde van Indië, voor veel Indische Nederlanders is dat, en de al even traumatische Bersiaptijd, het laatste wat ze in dat land hebben meegemaakt. Zo een dramatisch afscheid blijft natuurlijk in het geheugen gegrift staan. Verschijnen er levensverhalen of herinneringen die zich in Indië hebben afgespeeld dan zal de lezer een portie van dat "Japanse eten" op zijn bord krijgen of hij nou wil of niet. Die portie kamp is vaak onevenredig groot in verhouding met de rest die je voorgeschoteld krijgt. Daarom vond ik de manier waarop Kousbroek deze tijd omschreef in het begin verademend. Echter Kousbroek is een man die alles zo goed weet, als je ziet wat hij allemaal gestudeerd heeft dan wordt je als gewone man een beetje duizelig. Ik stel me ook een man voor die als hij niet slaapt zich in zijn immense studeerkamer bevindt, aan vier wanden boeken tot aan het plafond, alleen de deur is vrij. Door de gehele kamer en op het bureau papieren en opengeslagen boeken, niet chaotisch maar keurig georganiseerd. Daar zit Rudy te studeren, te schrijven en vooral alles beter te weten dan de gewone sterveling.
Ik sluit ook niet uit dat ik nog wel eens iets van hem ga lezen, zeker als het over Indië gaat. Dat door jou genoemde boek “Terug Naar Negeri Pan Erkoms†bijvoorbeeld. Overigens heb je dat fout geschreven, het is : Terug Naar Negri Pan Erkomsâ€, Negri met 1x e. Als je de eerste titel in de zoekmachine gooit dan krijg je wat je zelf daar over geschreven hebt. Bij de tweede titel een banjir aan 2e hands exemplaren., hetzelfde merkte ik bij het "Oostindisch kampsyndroom". Zou het soms zo zijn dat lezers van een Kousbroekboek het op een gegeven moment erg graag de deur uit willen hebben?
Wordt vast nog wel eens vervolgd.
23 september 2008 04:14:39
Elizabeth van Kampen schreef:
Ik zag Rudy Kousbroek zo'n jaar of wat geleden bij de Pasar Buku ( Van Stockum) op de Pasar Malem zitten. Had hem al op TV gezien, maar toen ik hem daar toch zag zitten vond ik hem een beetje zielig.
Wel behoorlijk intelligent, arrogant is hij ook dat is absoluut waar.
Ook weet hij alles en heeft natuurlijk altijd gelijk.
Maar toch, een beetje zielig mannetje.
Wel behoorlijk intelligent, arrogant is hij ook dat is absoluut waar.
Ook weet hij alles en heeft natuurlijk altijd gelijk.
Maar toch, een beetje zielig mannetje.
27 januari 2009 12:55:42
Ruud Abma schreef:
Beste Londoh,
ik zag dat uw mijn beschouwing naar aanleiding van 'Het Oost-Indisch kampsyndroom' gedeeltelijk op deze site had geplaatst. Prima. De daarbij geplaatste link voor de volledige tekst voert echter naar een lege pagina. Wilt u deze vervangen door http://www.fss.uu.nl/asw/abma? Het artikel is daar te vinden in de rubriek 'Artikelen' bij het jaar 1995.
Ik zou het ook op prijs stellen als erbij werd vermeld dat het stuk is geplaatst in De Psycholoog, jrg. 30, 1995, pp. 190-192.
Dank en groet,
Ruud Abma
ik zag dat uw mijn beschouwing naar aanleiding van 'Het Oost-Indisch kampsyndroom' gedeeltelijk op deze site had geplaatst. Prima. De daarbij geplaatste link voor de volledige tekst voert echter naar een lege pagina. Wilt u deze vervangen door http://www.fss.uu.nl/asw/abma? Het artikel is daar te vinden in de rubriek 'Artikelen' bij het jaar 1995.
Ik zou het ook op prijs stellen als erbij werd vermeld dat het stuk is geplaatst in De Psycholoog, jrg. 30, 1995, pp. 190-192.
Dank en groet,
Ruud Abma
28 december 2009 12:31:55
Patrick schreef:
@Ruud
Ere wie ere toekomt. De desbetreffende link werd aangepast.
Ere wie ere toekomt. De desbetreffende link werd aangepast.
28 december 2009 20:19:29
Startpagina
Admin-login
RSS
Fan worden
Het Oostindisch kampsyndroom
waar ook de schrijver Pramoedya Ananta Toer in zat, die was op bezoek in Nederland. Die Kousbroek zat op zo een arrogante wijze vragen te stellen dat ik vreselijk op die man afknapte. Ook las ik wel eens iets van hem in Vrij Nederland of de NRC, ik kan me nog stukken herinneren onder de titel “Negri pan erkomsâ€. Dat is allemaal lang geleden, in die jaren lag mijn belangstelling voor Indonesië anders dan hij nu is. Toen ik niet zo lang geleden bij De Slegte het “Oostindisch kampsyndroom†dat daar tweedehands voor 12 euro te koop lag inkeek en zag hoe dik het was en hoe klein de lettertjes waren dacht ik: "Waarom niet?" Je moet tenslotte een schrijver lezen om te weten wie en wat hij is. Ik besloot me eens aan die Rudy Kousbroek te gaan wagen, iets dat velen mij hebben aangeraden. Hoewel er onder mijn kennissenkring toch een behoorlijk hoeveelheid mensen zit die woedend worden als ze de naam Kousbroek alleen al horen.
Het Oostindisch Kampsyndroom Rudy Kousbroek
Uitg. Meulenhoff– Amsterdam 1992
494 pag + xvi fotopagina's ISBN 90-290-1891-7
Veel van de essays in dit boek verschenen eerder in Vrij Nederland en de NRC, sommige zijn speciaal voor deze uitgave herschreven. Toen ik an het boek begon bleek al snel dat mijn in het algemeen snelle manier van lezen bij deze schrijver niet lukte, woord voor woord moest ik in mezelf opnemen wat hij allemaal bedoelde. Soms werden er heel lange omwegen gemaakt, iets dat ik een beetje vervelend vind, doch ik liet me leiden door het geschrevene en liep aan de hand van de schrijver mee een zijweggetje in, sloeg af bij een ander straatje, een steegje in, een hek door, een huis binnen, de trap op helemaal naar zolder, achterin de zolder een kastje waarvan eerst heel lang de sleutel gezocht moest worden, en toen het deurtje eindelijk openging bleek hetgeen de schrijver bedoelde niet in dit kastje te liggen, maar op zolder van een huis enige honderden meters verderop. Ik liet me zonder verzet meevoeren, af en toe ergerde ik mij een beetje, doch op een gegeven moment werd ik geboeid door de manier van schrijven. Rudy Kousbroek is al een oude man, bijna 80, hij is geboren op Sumatra en heeft als jongeman in een Japans interneringskamp gezeten. Van deze man heb ik geleerd dat de door Indo’s zo graag gebezigde term “Jappenkamp†niet past in deze tijd, die oorlog is al lang voorbij, het zijn dus Japanse kampen, net zoals onze oosterburen geen “Moffen†zijn maar Duitsers. Rudy Kousbroek wordt beschouwd als een der grootste essayisten in ons taalgebied, hij ontving zelfs in 1975 de P.C. Hooftprijs voor zijn essays. Op een gegeven moment begon het boek mij zelfs erg te boeien, ik vond het goed geschreven en de mengeling van nostalgie en kennis verraste mij zeer aangenaam. Mij bereikte een schat aan informatie, vooral omdat hij over een aantal boeken schreef die ik mijzelf meteen heb aangeschaft, dit zijn “Indonesische overpeinzingen†van Sutan Sjahrir en “Buiten het gareel†van Soewarsih Djojopoespito, beide boeken zijn door Indonesiërs rechtstreeks in het Nederlands geschreven. De schrijver verteld over erg veel boeken in dit werk, en daar doet hij mij een groot plezier mee. Ook veel boeken die ik reeds gelezen had, en bracht hij mij deze weer in herinnering. Eigenlijk herlees ik bijna nooit een boek, iets dat eigenlijk een beetje dom is, vooral als ze achter je in een kast staan niets te doen. Hoogstens raadpleeg ik bepaalde passages als ik die nodig heb of als ik mijn herinnering wil testen. Schrijvers die bij Kousbroek terug komen zijn bijvoorbeeld M. Székely-Lulofs, logisch want de boeken die zij schreef spelen zich op het Sumatra af waar Rudy zijn jeugd doorbracht. Verder is hij niet altijd even enthousiast over Rob Nieuwenhuys, adoreert Bep Vuyk en E. du Perron, de laatste komt veelvuldig in dit boek om een hoekje gluren. Over Tjalie Robinson wordt hij helemaal lyrisch. Wat ik opvallend vond en eigenlijk zeer weet te waarderen is zijn pro-Indonesische houding. Hij heeft in de tijd geleefd dat het Indonesische nationalisme sterk in opkomst was, hij heeft de Japanse bezetting meegemaakt. Het is natuurlijk de vraag of hij in die jaren zich ervan bewust was wat er in Indonesië aan de hand was. Achteraf in Nederland ineens voor zijn na al die jaren kan verdacht zijn, ik ken hetgeen de man geschreven heeft te weinig om er hier een oordeel over te geven. Waar ik aanvankelijk ook veel waardering voor kon opbrengen was dat Kousbroek de Nederlanders met al hun zelfbeklag m.b.t de Japanse kampen zo veroordeelde, omdat zij hetzelfde de “inlanders†hebben aangedaan. Zeker in het Sumatra waar Kousbroek zijn jeugd door heeft gebracht, zijn de vreselijkste dingen gebeurd met de koelies die daar werkten, zij waren niet meer dan slaven. Ook verzet Kousbroek zich tegen het idee dat de Japanse kampen vernietigingskampen zijn geweest, zoals die door de Duitsers waren ingericht.
Het boek bestaat uit drie delen, het eerste deel heeft mij zeer geboeid, het tweede deel ging over Japan en de mentaliteit van de Japanners en heb ik met interesse gelezen. Toen ik aan het derde deel begon bleef het maar over die Japanse kampen, de klagende Nederlanders en wat Kousbroek er allemaal van vond doorgaan. Ik kreeg al lezende zo langzamerhand een vreselijke hekel aan die man, alsof hij alles weet, en of wij zijn gedachten maar even wilden delen, het gaat maar door en door. Op pagina 371 kon ik het niet meer uithouden en heb het boek dichtgeklapt, voorgoed. Ik kijk er nu even in om dit stukje te schrijven, daarna mag het voor een afbraakprijs weg. Nou geeft de titel natuurlijk al aan waar het boek over gaat, dus had ik gewaarschuwd moeten wezen, en mag natuurlijk niet klagen dat het ook werkelijk over de Japanse interneringskampen gaat. Ik denk dat het syndroom het syndroom van Kousbroek is. Ik vind dat jammer voor die man die af en toe zo geweldig schrijft, maar deel III van dit boek is niets anders dan gedram. Ik heb dus bijna een heel boek, driekwart om precies te zijn, gelezen, wat mij betreft blijft het hierbij. Ik wil die naam Rudy Kousbroek ook niet meer horen.