Reacties
Niek Hartog schreef:
Hallo Pak Londoh. Mooi verslag heb je geschreven over deze reis. Wij zijn in 2004 met de Kp Perintis vanaf Tual naar Larat gevaren. De zee was toen behoorlijk ruw en we hebben wel wat schietgebedjes gedaan. Na het lezen van jouw verslag kwamen de herinneringen weer boven. Saumlaki hebben we niet aangedaan. Vanaf Larat zijn we door gegaan naar kampong Waleran op Pulau Fordata. Tegenwoordig kun je ook vliegen vanaf Ambon via Tual naar Saumlaki en Larat. Heb jij daar iets van gezien? Als het goed is gaan wij komend jaar 2009 weer terug. Groetjes van ons allen!
12 december 2008 00:40:52
Londoh schreef:
Hallo Niek,
Dank voor je compliment. Ik denk dat de Kp Perintis toch wel een klasse minder is dan de KM Prangango, die op de zuidwestereilanden wordt gezien als een "luxe" schip. De commerciele maatschappij die in de Molukken vliegt is Trigana, wel wat duur als je de Merpatiprijzen weet, maar uitstekend. Ik heb met hun van Ternate naar Sanana gevlogen, ze gebruiken de ATR 42/300, een fantanstisch vliegtuig
http://www.trigana-air.com/html/module.php?lang=en
Ambon - Saumlaki 2x per week
Dank voor je compliment. Ik denk dat de Kp Perintis toch wel een klasse minder is dan de KM Prangango, die op de zuidwestereilanden wordt gezien als een "luxe" schip. De commerciele maatschappij die in de Molukken vliegt is Trigana, wel wat duur als je de Merpatiprijzen weet, maar uitstekend. Ik heb met hun van Ternate naar Sanana gevlogen, ze gebruiken de ATR 42/300, een fantanstisch vliegtuig
http://www.trigana-air.com/html/module.php?lang=en
Ambon - Saumlaki 2x per week
12 december 2008 01:22:48
Admin-login
RSS
Lid worden
19 november 2008: Per Pelni-roestbak naar Kisar (I)
Het ergste was “mati lampu”, de dagelijkse, vaak urenlange durende stroomstoringen.. De “Lunterse Boer” had geen genset (generator), terwijl die heel erg nodig was. 6 avonden lang elke avond stroomstoring is teveel van het goede. Er was een avond waarop de stroom “maar” anderhalf uur uitviel, alle andere avonden waren er meerdere, vaak urenlange duisternissen. Maar een genset is duur denkt men dan in Indonesië en het personeel klaagt het hardste, alsof hun het ergst getroffen worden, want ze kunnen in het donker hun werk niet naar behoren doen en dat vinden ze heel erg. Pas de laatste avond kreeg ik een kaarsje aangeboden en begon ik spontaan “Stille nacht” te neuriën. Wat ook niet te harden was waren de grote zwermen muggen, ik brandde dan wel Baygon, antimuggenwierrook maar een uurtje nadat die opgebrand is ontwaken de muggen uit hun verdoving en steken alsnog. Over de losse wastafel, de niet werkende kraan daarboven, de spuitende kraan boven de mandibak, het ontbreken van een deurkruk in de badkamerdeur, het incomplete handdoekenrek en nog vele van deze Indonesische ongemakken zal ik maar niet reppen, ze zijn inmiddels zo gewoon geworden dat ze mij niet meer opvallen. Nadat ik afgerekend had nam ik een angkot (busje) naar Ambon‐stad, op het eindpunt stapte ik over op een becak die mij voor slechts 7000 Rp naar de haven bracht. Toen ik de toegangspoort binnenging zag ik de boot waarop ik in zou gaan schepen, de “Pangrango”, al aangemeerd liggen, het was 16.15 u. Ik kocht nog wat drinkwater en een pak Crispy Crackers en ging de kade op, het was niet druk. Ik liep naar het schip toe, dat schip was redelijk klein in vergelijking met de “Ciremai”en de “Bukit Siguntang” die ik eerder dit jaar naar resp. Banda en de Kei-eilanden had genomen. Meteen na binnenkomst op het schip kwam ik bij een loket waar ik me kon melden en werd ik door een bemanningslid naar mijn hut nr. 3009/B1 geleid. Die was lang niet zo mooi als welke ik op de andere schepen bewoond had, aftands en met een grote serie aan defecten, waarvan het noemen mij inmiddels stierlijk verveeld. Erger nog het hele schip zag er een beetje afgevaren uit. Het is weliswaar niet zo oud, gebouwd 1996, de oorspronkelijke naam was “Palindo Jaya 500-1” maar dit schip was niet zoals de grotere schepen van Pelni op de werf van Meier in Bremerhaven gebouwd maar bij PAL te Surabaya, dus een Indonesisch product. Waarschijnlijk een of andere deal van de toenmalige minister van technologie Habibie, die dweepte met alles dat Duits was. Dat het schip in Indonesië was gebouwd was te zien aan de roest, de rot en de vele ontbrekende niet belangrijke onderdelen, zoals bijvoorbeeld houten leuningen bovenaan de reling, dat is toch maar min of meer decoratie en lekker om op te leunen. Er waren ook ontelbare schakelaars en knoppen waar stroomdraden en isolatietape uit stak. De badkamer in de hut had een toilet en er stroomde water in de badkamer, daar was alles mee gezegd. Ik zou ruim drie dagen en nachten op dit schip moeten doorbrengen voor mijn tocht naar het eiland Kisar. Ik noem deze tocht voor mezelf een expeditie. Voor mij lijkt het daar een beetje op, het enige dat ik van Kisar weet is dat er een VOC fort met de naam “Delfshaven” staat en dat de inwoners van het eiland zich vermengd hadden met de Europese soldaten die op het eiland verbleven, zodat je daar toen veel roodharigen en blauwogigen tegenkwam, of dat nog zo is valt te bezien, de aanvoer van vers Europees bloed ligt al heel lang stil. Verder weet ik niet hoe ik weer terug van Kisar naar de bewoonde wereld moet komen, althans dat wist ik niet. Er is een Merpativlucht eens per week naar Ambon en ook een naar Kupang, die zijn echter vaak vol. Ik hoorde dat de Pangrango na drie dagen weer op Kisar terug komt vanuit Kupang en dan naar Ambon vaart. Ik zou het liefst vliegen vanwege de tijdswinst, 1 keer een passage op zo een roestbak als de Pangrango is voor mij wel voldoende.
Het schip vertrok om 19.00 u Ambonese tijd (WIT = Waktu Indonesia Timor = Jakarta + 2u.), net toen het schip van de kade was afgekomen en traag vooruit ging bleek er dat er een passagier op het verkeerde schip zat, de mevrouw moest met het zusterschip van de Pangrango de “Sangiang” naar Ternate in noordelijke richting, die ongeveer tegelijkertijd met de `Pangrango` zou vertrekken. Zij kreeg een enorme huilbui toen zij deze fout ontdekte en raakte in paniek. Het schip werd stilgelegd en er kwam een speedboot om haar op te halen en naar het juiste schip te brengen. Een typisch Indonesisch verschijnsel dat “kasian” heet. Maak je ook mee als een vliegtuig op de luchthaven blijft staan omdat er nog een paar passagiers niet zijn op komen dagen. Ze blijven rustig wachten totdat iedereen in het toestel zit, de vertraging moet iedereen maar voor lief nemen, zo op het eerste gezicht dan, want inwendig zal er door velen op woede gekookt worden. Het is echter een typisch Javaanse, dus Indonesische gewoonte dit soort gevoelens niet tentoon te spreiden. Toen de mevrouw op de speedboot was gezet kon het schip echt vertrekken voor de 32 uur durende tocht naar Saumlaki op de Tanimbar-eilanden. De Pangrango biedt ruimte aan 500 passagiers, 400 in de zgn. economie klasse en de rest in de 1ste en 2de klas. Dat is het officiële aantal, er zitten er zeker meer op, want de mensen liggen werkelijk overal, het lijkt wel een transport van bootvluchtelingen. Het schip is 74 meter lang en 15,2 meter breed, een dwt van 400 ton,(dwt = Dead Weight Tonnage) heeft 42 bemanningsleden, de snelheid bedraagt 11 knot per uur. Een knot is een knoop is een zeemijl en die is 1852 meter lang, zodat ik de snelheid van de boot op 20,3855 per uur kon uitrekenen, de snelheid van iemand die een rustig fietstochtje maakt. In Ambon had het schip 45.000 liter diesel getankt en daarvan slurpt het schip er 376 liter per uur op met zijn twee 8 cilinder motoren van het merk Krupp Mak. Het vaartuig is weliswaar in Indonesië gemaakt, maar vele onderdelen van het schip zijn afkomstig uit Duitsland, zoals de plafonds en de wanden, patrijspoorten, de keukeninrichting en de machines. De plaat waarvan men het schip vervaardigd heeft is zeker Indonesisch, erg dun en staat stijf van de roest, die dwars door de verf heen komt. Het schip vaart één keer per 14 dagen de route Ambon – Geser – Bula, dat zijn twee eilanden in Zuid-Seram, dan weer terug naar Ambon vervolgens naar Saumlaki, Tepa, Leti, Kisar, Ilwaki en als eindpunt Kupang. Saumlaki is de hoofdstad van de Tanimbaren, Tepa is op het eiland Babar en Ilwaki is op Wetar. Dit zijn alle zeer afgelegen eilanden in het uiterste zuidoosten van Indonesië met weinig inwoners, enige tienduizenden, dat is natuurlijk heel iets anders dan het overvolle Java.
De bemanning van het schip is overwegend Javaans, met hier en daar een Ambonees. Het schip is door de lokale regering van de Molukken van Pelni gehuurd om voor beter transport naar enige ver afgelegen eilanden te zorgen. Dit schip is in de plaats gekomen voor enige “kapal perintis” dat zijn houten schepen die vracht en passagiers naar alle kleine havens vervoeren. Deze worden door de regering gesubsidieerd voor passagiersvervoer. Als de gouverneur van de Molukken over zo een faciliteit onderhandeld zou hij ook een groot aantal arbeidsplaatsen voor Molukkers moeten bedingen, zodat deze ook kunnen leren met dit soort grote schepen om te gaan. Het hoeven niet meteen de leidinggevende functies te zijn, maar het keukenpersoneel en het personeel aan dek kan best lokaal in voorzien worden. Er is een grote musholla aan boord, waarin het verboden is om te slapen. Op het schip klinkt 5 maal per dag de oproep voor het gebed, waar slechts enkelen gehoor aan geven, want de meeste passagiers zijn christen. Islam is echter het heersende geloof op Pelni-schepen en is de moslim zeer bevoorrecht ten opzichte van zijn christelijke broeder. Door de scheepsomroepinstallatie klonk ook nog een oproep dat er ’s avonds om half acht een oecumenische gebedsdienst in het 1ste en 2e klasse restaurant gehouden zou worden, dus de christenen werden nog enigszins gecompenseerd of rustig gehouden, net hoe je het bekijkt.
De machinekamer en keuken van de KM Pangrango.
Bespreking tussen de eerste machinist en de elektricien
De werkplaats in de machinekamer
Een Caterpillar generator
De kombuis en de koki
Rijst wassen door Mas Rice Cooker
Vis hakken door de Buginese hulpkok
Klik hier voor het vervolg