Alweer heb ik mezelf twee boeken aangeschaft, zoals te doen gebruikelijk is het onderwerp geschiedenis. Als ik Indonesische boeken koop dan zijn dat zelden romans. Ik lees graag hoe de Indonesiërs met hun
geschiedenis omgaan. Vaak zijn de boeken die uitkomen vertalingen van hetgeen westerlingen te vertellen hebben. Geschiedenis staat in Indonesië nog in zijn kinderschoenen, over de periode voor 1945 wordt niet graag gepraat. Hier kopen ze liever boeken die door hoge omes zijn geschreven. Zelfs de president is met een boek gekomen, dat goed verkoopt, sorry de titel weet ik even niet. *
SEJARAH SUMATRA
door William Marsden
Uitgever : Komunitas Bambu, Depok 2008
441 pagina’s ISBN 979-3731-22-2
Prijs : Rp 95.000
Dit is een klassiek boek waarvan de eerste uitgave in 1783 te London uitkwam. Het boek geeft beschrijvingen van de toestand in Sumatra zoals die bekend was bij Marsden die vele plaatselijke talen sprak en ook veel door Sumatra heeft gereisd, althans op de plekken waar hij kon komen. Ook staan er in het boek verslagen van verschillende Engelse expedities die vanuit het fort Marlborough te Benkulu werden georganiseerd. William Marsden, een Ier, ging op 16-jarige leeftijd in 1771 samen met zijn broer John in dienst van de EIC, de Engelse “VOC” naar Benkulu. Hij werkte daar als schrijver op het kantoor van de Company en maakte carrière door daar later secretaris te worden. In 1779 vertrok hij naar Engeland. Bij het doorbladeren van het boek viel me op dat er ook gegevens uit de 19e eeuw in stonden, het is dus een “verbeterde” uitgave. Er wordt wel gerept over een vertaling van de derde druk uit 1811, maar dat klopt niet helemaal. Ik houd het meer op de Engelse editie waarvan de derde druk in 1966 verscheen. Ik heb me niet meteen op de lectuur van dit werk gestort, ik dacht “Leuk om te hebben”. Het boek is ook verluchtigd met foto’s en tekeningen uit andere, moderne boeken.
Het boek is ook op het internet down te loaden in het Engels, als onderdeel van het zgn. Gutenberg project:
The History of Sumatra
Containing An Account Of The Government, Laws, Customs And
Manners Of The Native Inhabitants
* Susilo Bambang Yudhoyono “Indonesia Unggul”. uitgekomen op 19 december j,l. daarvoor had ie er nog een geschreven.
Het tweede boek
ROMUSA: Sejarah Yang Terlupakan 1942-1945
Door : Hendri F. Isnaeni & Apid
Uitgever : Ombak, Yogyakarta 2008
xi + 158 pagina’s ISBN 979-3472-88-X
Prijs : Rp 30.000
Als ik die wijzende romusha op de voorplaat van het boek zie, dan denk ik meteen “Collaborateur!”. Dit is een klassieke foto van Soekarno die werd gebruikt in een campagne om romusha te werven. Ik heb dat altijd een erg dubieuze zaak gevonden. Dit werd ook tegen hem gebruikt door de Nederlanders nadat hij bij het uitroepen van de Republik Indonesia de eerste president werd. Men wenste niet met hem te onderhandelen vanwege zijn samenwerking met de Japanners. WO II heeft veel Indonesische slachtoffers geëist, zeker veel romusha en ook zgn. troostmeisjes, jonge vrouwen die werden gedwongen zich te prostitueren aan het Japanse leger. Ik heb dit boekje gekocht omdat ik meer wilde weten over de spoorlijn en de kolenmijnen die in Zuid-Banten in opdracht van de Japanners zijn aangelegd. Over de romusha is in Indonesië weinig geschreven, dus ook niet bekend. Dit is jaren verzwegen omdat Japan grote herstelbetalingen aan Indonesië deed en later veel hulp gaf. Japan werd daar uiteraard zelf beter van. Tegenwoordig mag er veel meer gezegd worden dan onder de regeringen van de Orde Lama en Orde Baru en komt ook dit soort zaken aan bod. Veel oudere Indonesiërs bewaren zeer slechte herinneringen aan de Japanse bezetting, ze werden niet als bevrijders gezien, maar echt als bezetters. Ze dwongen de boeren tot rijstleveringen, die zo zwaar waren dat er vaak hongersnood was. Ze hebben veel uit het land weg geroofd, zoals bruggen, rails, treinen en complete fabrieken, dit alles ten behoeve van de oorlogsindustrie in Japan.
De eerste helft van het boek geeft een overzicht van de Japanse bezetting van Indonesië, daarna een overzicht van het gebied waar de kolenmijnen zich bevonden. Het overzicht gaat echter over de toestand anno nu, aantal inwoners, aantal hectares sawa, kilometers irrigatie en meer van die onzin die weinig met de materie te maken heeft. De schrijvers hebben beiden iets met geschiedenis te doen, de een is full time schrijver over allerlei onderwerpen, de andere is geschiedenisleraar. Beiden zijn uit Zuid-Banten afkomstig. Het boek is erg saai om te lezen, het lijkt meer op een rapport van de overheid, maar ik heb toch er alles in gevonden waar ik naar zocht.
Het was al bij de Nederlanders bekend dat er zich in Zuid-Banten grote kolenvoorraden bevonden. In 1903 werd er een vergunning voor exploratie afgegeven aan Nederlandse ondernemers die aanvankelijk hiermee niets deden. Pas in 1936 werd de NV Mijnbouw Maatschappij Zuid Banten opgericht die exploratie in dit gebied ging doen. Er zijn echter nooit mijnbouwactiviteiten ondernomen want het was niet economischer dan de kolen die op Sumatra en Kalimantan werden gewonnen. In Zuid Banten was er geen infrastructuur zoals goede wegen, een spoorlijn noch een haven. Ook waren de kolen van lage kwaliteit en de kolenlagen die werden aangetroffen waren niet dikker dan 1 - 2 meter, tevens was de hoeveelheid kolen per locatie klein.
Toen Java werd bezet door het 16e Japanse leger van de landmacht werd de exploratie door de Japanners voortgezet. Zij vonden dat de exploitatie wel economisch gedaan kon worden. Op een gegeven moment tijdens de oorlog werd het bijna onmogelijk om kolen vanuit Sumatra en Kalimantan naar Java te vervoeren, omdat de schepen grote kans liepen getorpedeerd of gebombardeerd te worden door patrouillerende oorlogsschepen en vliegtuigen van de geallieerden. Zij haalden allerlei machines uit Europese en Chinese winkels weg, zij onteigenden de grond van de inwoners van het gebied tussen Bayah en Malingping over een lengte van 30 km aan de zuidkust, in het district Madhoor (kabupaten Lebak). In de plaats Bayah werd het kantoor van de Japanse mijnbouwmaatschappij gevestigd, de exploitatie werd toevertrouwd aan het Japanse familiebedrijf Sumitomo. De mijnbouw werd uitgevoerd in dagbouw en in de bergen door middel van gangen van 100 tot 700 meter lang die in die bergen werden gegraven. Om de diverse plaatsen met elkaar te verbinden werden spoorlijnen gebouwd. Deze liepen van Madur naar Bayah, waar het hoofdstation gevestigd was, via Malingping naar Saketi. Vandaar werden de kolen naar het station Rangkasbitung vervoerd, en daarna verder naar Jakarta getransporteerd. De spoorlijn werd niet alleen voor het vervoer van kolen, maar ook door de romusha en wat de Japanners in hun belang achtten gebruikt. Deze spoorlijn is tussen februari 1943 en 1 april 1944 door romusha aangelegd. Zij die de geschiedenis van Z.O. Azie tijdens de Japanse bezetting in W.O. II hebben bestudeerd weten alles van de Birma spoorlijn, ook is de spoorlijn van Pekanbaru bekend, maar van de lijn in Zuid-Banten heeft nauwelijks iemand iets gehoord. Vast en zeker omdat er alleen Indonesiërs aan werkten. Aan de spoorlijn werkten er ongeveer 20.000 romusha per dag, de aanleg van de lijn was zeer zwaar werk en ook waren er vaak voedseltekorten.
Een van de mensen die op de kantoren van de mijnbouwmaatschappij werkten was de bekende Indonesische links-radicaal Tana Malaka. Hij heeft in zijn memoires het een en ander over zijn werk aldaar geschreven, waar beide auteurs van dit boek ook uit geput hebben. De productie aan kolen bedroeg ongeveer 100 ton per dag, wat neerkomt op 36.000 ton per jaar. Voor deze productie gebruikten de Japanners 10 - 15.000 romusha. Deze romusha waren voornamelijk uit Midden- en Oost-Java afkomstig. Zij konden daarom ook niet met de lokale bevolking communiceren, want zij spraken Javaans en de mensen die in het mijnbouwgebied woonden Sundanees. De bewoners van het gebied waren trouwens bang om zich met deze mensen te bemoeien vanwege sancties van de Kempetai, de Japanse veiligheidspolitie. De romusha werden geronseld, meegelokt onder valse voorwendselen. Er zaten veel bedelaars en werkelozen tussen, maar ook schooljongens vanaf 15 jaar en boeren die zomaar van hun land afgeplukt werden, zonder dat hun familie daarvan in kennis werd gesteld. Vaak werkten kamponghoofden en andere leiders hier aan mee. Er werden tevens vrouwen gerekruteerd om in de keukens of op het veld te werken, schoonmaakwerk te doen of als troostmeisje verplichte sexuele diensten aan de Japanners te leveren. De romusha begonnen met het kappen van het oerwoud, dat nog maagdelijk was en waar zeer dikke en hoge bomen stonden. Het hout werd gebruikt om barakken en kantoren te bouwen. De romsuha sliepen in deze barakken. Ze kregen twee keer per dag te eten, vaak alleen rijst, soms iets er bij, maar altijd tekort. Mensen die te ziek waren om te werken kregen ook niets te eten. Men probeerde dan ook zoveel mogelijk aan het werk te blijven. Er stierven ongeveer 500 romusha per dag aan allerlei ziektes, o.a. veroorzaakt door ondervoeding. Ze lagen in rijen aan het strand om te creperen. Er werd in de mijnen 24 uur per dag gewerkt in een 4 ploegendienst. De romusha kregen ook loon, dat bedroeg gemiddeld 35 cent per persoon per dag, maar werd vaak om allerlei redenen niet uitbetaald. Ze kregen van het bedrijf kleding, dat was gemaakt van gonje zakken en was vreselijk om te dragen bij het werk waar veel zweet bij vrij kwam. Omdat ze maar een stel kleren hadden werd dit ook weinig gewassen waardoor bijna alle romusha aan huidziekten leden. Er waren wel klinieken waar zieken terecht konden, maar daar werden ze alleen onderzocht, geneesmiddelen of behandeling werden niet versterkt. Aan het einde van de oorlog waren er van de 300.000 romusha die in de mijnbouwprojecten hadden gewerkt 80% gestorven. Toen de oorlog was afgelopen trokken vele romusha naar Jakarta om vandaar uit te proberen naar huis terug te keren. Vele waren zo verzwakt dat ze stierven toen ze op vervoer aan het wachten waren. De stations in Jakarta waren overvol met broodmagere Romusha die vaak langs de spoorlijn stierven. Een Indonesische dokter heeft in opdracht van de Kempetai nog drinkwater putten vergiftigd met een dysenteriebacil, Deze had hij van zijn werk in het laboratorium van het Eijkman Instituut meegenomen. Zo werd er wat opruiming gehouden.
Ondanks dat het boek een beetje vervelend is geschreven heb ik er veel informatie uit kunnen halen met betrekking op deze in Nederland onbekende materie. Waardevol dus.
Reacties
Geen reacties
Uw reactie
Reacties worden eerst beoordeeld alvorens te verschijnen.
07 januari 2009: Alweer twee boeken ;-)
geschiedenis omgaan. Vaak zijn de boeken die uitkomen vertalingen van hetgeen westerlingen te vertellen hebben. Geschiedenis staat in Indonesië nog in zijn kinderschoenen, over de periode voor 1945 wordt niet graag gepraat. Hier kopen ze liever boeken die door hoge omes zijn geschreven. Zelfs de president is met een boek gekomen, dat goed verkoopt, sorry de titel weet ik even niet. *
SEJARAH SUMATRA
door William Marsden
Uitgever : Komunitas Bambu, Depok 2008
441 pagina’s ISBN 979-3731-22-2
Prijs : Rp 95.000
Dit is een klassiek boek waarvan de eerste uitgave in 1783 te London uitkwam. Het boek geeft beschrijvingen van de toestand in Sumatra zoals die bekend was bij Marsden die vele plaatselijke talen sprak en ook veel door Sumatra heeft gereisd, althans op de plekken waar hij kon komen. Ook staan er in het boek verslagen van verschillende Engelse expedities die vanuit het fort Marlborough te Benkulu werden georganiseerd. William Marsden, een Ier, ging op 16-jarige leeftijd in 1771 samen met zijn broer John in dienst van de EIC, de Engelse “VOC” naar Benkulu. Hij werkte daar als schrijver op het kantoor van de Company en maakte carrière door daar later secretaris te worden. In 1779 vertrok hij naar Engeland. Bij het doorbladeren van het boek viel me op dat er ook gegevens uit de 19e eeuw in stonden, het is dus een “verbeterde” uitgave. Er wordt wel gerept over een vertaling van de derde druk uit 1811, maar dat klopt niet helemaal. Ik houd het meer op de Engelse editie waarvan de derde druk in 1966 verscheen. Ik heb me niet meteen op de lectuur van dit werk gestort, ik dacht “Leuk om te hebben”. Het boek is ook verluchtigd met foto’s en tekeningen uit andere, moderne boeken.
Het boek is ook op het internet down te loaden in het Engels, als onderdeel van het zgn. Gutenberg project:
The History of Sumatra
Containing An Account Of The Government, Laws, Customs And
Manners Of The Native Inhabitants
* Susilo Bambang Yudhoyono “Indonesia Unggul”. uitgekomen op 19 december j,l. daarvoor had ie er nog een geschreven.
Het tweede boek
ROMUSA: Sejarah Yang Terlupakan 1942-1945
Door : Hendri F. Isnaeni & Apid
Uitgever : Ombak, Yogyakarta 2008
xi + 158 pagina’s ISBN 979-3472-88-X
Prijs : Rp 30.000
Als ik die wijzende romusha op de voorplaat van het boek zie, dan denk ik meteen “Collaborateur!”. Dit is een klassieke foto van Soekarno die werd gebruikt in een campagne om romusha te werven. Ik heb dat altijd een erg dubieuze zaak gevonden. Dit werd ook tegen hem gebruikt door de Nederlanders nadat hij bij het uitroepen van de Republik Indonesia de eerste president werd. Men wenste niet met hem te onderhandelen vanwege zijn samenwerking met de Japanners. WO II heeft veel Indonesische slachtoffers geëist, zeker veel romusha en ook zgn. troostmeisjes, jonge vrouwen die werden gedwongen zich te prostitueren aan het Japanse leger. Ik heb dit boekje gekocht omdat ik meer wilde weten over de spoorlijn en de kolenmijnen die in Zuid-Banten in opdracht van de Japanners zijn aangelegd. Over de romusha is in Indonesië weinig geschreven, dus ook niet bekend. Dit is jaren verzwegen omdat Japan grote herstelbetalingen aan Indonesië deed en later veel hulp gaf. Japan werd daar uiteraard zelf beter van. Tegenwoordig mag er veel meer gezegd worden dan onder de regeringen van de Orde Lama en Orde Baru en komt ook dit soort zaken aan bod. Veel oudere Indonesiërs bewaren zeer slechte herinneringen aan de Japanse bezetting, ze werden niet als bevrijders gezien, maar echt als bezetters. Ze dwongen de boeren tot rijstleveringen, die zo zwaar waren dat er vaak hongersnood was. Ze hebben veel uit het land weg geroofd, zoals bruggen, rails, treinen en complete fabrieken, dit alles ten behoeve van de oorlogsindustrie in Japan.
De eerste helft van het boek geeft een overzicht van de Japanse bezetting van Indonesië, daarna een overzicht van het gebied waar de kolenmijnen zich bevonden. Het overzicht gaat echter over de toestand anno nu, aantal inwoners, aantal hectares sawa, kilometers irrigatie en meer van die onzin die weinig met de materie te maken heeft. De schrijvers hebben beiden iets met geschiedenis te doen, de een is full time schrijver over allerlei onderwerpen, de andere is geschiedenisleraar. Beiden zijn uit Zuid-Banten afkomstig. Het boek is erg saai om te lezen, het lijkt meer op een rapport van de overheid, maar ik heb toch er alles in gevonden waar ik naar zocht.
Het was al bij de Nederlanders bekend dat er zich in Zuid-Banten grote kolenvoorraden bevonden. In 1903 werd er een vergunning voor exploratie afgegeven aan Nederlandse ondernemers die aanvankelijk hiermee niets deden. Pas in 1936 werd de NV Mijnbouw Maatschappij Zuid Banten opgericht die exploratie in dit gebied ging doen. Er zijn echter nooit mijnbouwactiviteiten ondernomen want het was niet economischer dan de kolen die op Sumatra en Kalimantan werden gewonnen. In Zuid Banten was er geen infrastructuur zoals goede wegen, een spoorlijn noch een haven. Ook waren de kolen van lage kwaliteit en de kolenlagen die werden aangetroffen waren niet dikker dan 1 - 2 meter, tevens was de hoeveelheid kolen per locatie klein.
Toen Java werd bezet door het 16e Japanse leger van de landmacht werd de exploratie door de Japanners voortgezet. Zij vonden dat de exploitatie wel economisch gedaan kon worden. Op een gegeven moment tijdens de oorlog werd het bijna onmogelijk om kolen vanuit Sumatra en Kalimantan naar Java te vervoeren, omdat de schepen grote kans liepen getorpedeerd of gebombardeerd te worden door patrouillerende oorlogsschepen en vliegtuigen van de geallieerden. Zij haalden allerlei machines uit Europese en Chinese winkels weg, zij onteigenden de grond van de inwoners van het gebied tussen Bayah en Malingping over een lengte van 30 km aan de zuidkust, in het district Madhoor (kabupaten Lebak). In de plaats Bayah werd het kantoor van de Japanse mijnbouwmaatschappij gevestigd, de exploitatie werd toevertrouwd aan het Japanse familiebedrijf Sumitomo. De mijnbouw werd uitgevoerd in dagbouw en in de bergen door middel van gangen van 100 tot 700 meter lang die in die bergen werden gegraven. Om de diverse plaatsen met elkaar te verbinden werden spoorlijnen gebouwd. Deze liepen van Madur naar Bayah, waar het hoofdstation gevestigd was, via Malingping naar Saketi. Vandaar werden de kolen naar het station Rangkasbitung vervoerd, en daarna verder naar Jakarta getransporteerd. De spoorlijn werd niet alleen voor het vervoer van kolen, maar ook door de romusha en wat de Japanners in hun belang achtten gebruikt. Deze spoorlijn is tussen februari 1943 en 1 april 1944 door romusha aangelegd. Zij die de geschiedenis van Z.O. Azie tijdens de Japanse bezetting in W.O. II hebben bestudeerd weten alles van de Birma spoorlijn, ook is de spoorlijn van Pekanbaru bekend, maar van de lijn in Zuid-Banten heeft nauwelijks iemand iets gehoord. Vast en zeker omdat er alleen Indonesiërs aan werkten. Aan de spoorlijn werkten er ongeveer 20.000 romusha per dag, de aanleg van de lijn was zeer zwaar werk en ook waren er vaak voedseltekorten.
Een van de mensen die op de kantoren van de mijnbouwmaatschappij werkten was de bekende Indonesische links-radicaal Tana Malaka. Hij heeft in zijn memoires het een en ander over zijn werk aldaar geschreven, waar beide auteurs van dit boek ook uit geput hebben. De productie aan kolen bedroeg ongeveer 100 ton per dag, wat neerkomt op 36.000 ton per jaar. Voor deze productie gebruikten de Japanners 10 - 15.000 romusha. Deze romusha waren voornamelijk uit Midden- en Oost-Java afkomstig. Zij konden daarom ook niet met de lokale bevolking communiceren, want zij spraken Javaans en de mensen die in het mijnbouwgebied woonden Sundanees. De bewoners van het gebied waren trouwens bang om zich met deze mensen te bemoeien vanwege sancties van de Kempetai, de Japanse veiligheidspolitie. De romusha werden geronseld, meegelokt onder valse voorwendselen. Er zaten veel bedelaars en werkelozen tussen, maar ook schooljongens vanaf 15 jaar en boeren die zomaar van hun land afgeplukt werden, zonder dat hun familie daarvan in kennis werd gesteld. Vaak werkten kamponghoofden en andere leiders hier aan mee. Er werden tevens vrouwen gerekruteerd om in de keukens of op het veld te werken, schoonmaakwerk te doen of als troostmeisje verplichte sexuele diensten aan de Japanners te leveren. De romusha begonnen met het kappen van het oerwoud, dat nog maagdelijk was en waar zeer dikke en hoge bomen stonden. Het hout werd gebruikt om barakken en kantoren te bouwen. De romsuha sliepen in deze barakken. Ze kregen twee keer per dag te eten, vaak alleen rijst, soms iets er bij, maar altijd tekort. Mensen die te ziek waren om te werken kregen ook niets te eten. Men probeerde dan ook zoveel mogelijk aan het werk te blijven. Er stierven ongeveer 500 romusha per dag aan allerlei ziektes, o.a. veroorzaakt door ondervoeding. Ze lagen in rijen aan het strand om te creperen. Er werd in de mijnen 24 uur per dag gewerkt in een 4 ploegendienst. De romusha kregen ook loon, dat bedroeg gemiddeld 35 cent per persoon per dag, maar werd vaak om allerlei redenen niet uitbetaald. Ze kregen van het bedrijf kleding, dat was gemaakt van gonje zakken en was vreselijk om te dragen bij het werk waar veel zweet bij vrij kwam. Omdat ze maar een stel kleren hadden werd dit ook weinig gewassen waardoor bijna alle romusha aan huidziekten leden. Er waren wel klinieken waar zieken terecht konden, maar daar werden ze alleen onderzocht, geneesmiddelen of behandeling werden niet versterkt. Aan het einde van de oorlog waren er van de 300.000 romusha die in de mijnbouwprojecten hadden gewerkt 80% gestorven. Toen de oorlog was afgelopen trokken vele romusha naar Jakarta om vandaar uit te proberen naar huis terug te keren. Vele waren zo verzwakt dat ze stierven toen ze op vervoer aan het wachten waren. De stations in Jakarta waren overvol met broodmagere Romusha die vaak langs de spoorlijn stierven. Een Indonesische dokter heeft in opdracht van de Kempetai nog drinkwater putten vergiftigd met een dysenteriebacil, Deze had hij van zijn werk in het laboratorium van het Eijkman Instituut meegenomen. Zo werd er wat opruiming gehouden.
Ondanks dat het boek een beetje vervelend is geschreven heb ik er veel informatie uit kunnen halen met betrekking op deze in Nederland onbekende materie. Waardevol dus.